Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:3381

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
C/10/497847 / KG ZA 16-316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering om gemeente te verbieden een melding te doen bij de Raad voor de Kinderbescherming. Eisers zijn ouders die een beroep op vrijstelling voor het inschrijven van hun kind op een basisschool doen wegens richtingsbezwaren.

De Gemeente wil ontmoedigen dat ouders een beroep op die vrijstelling doen en wil meer informatie om te beoordelen of het recht op onderwijs is geborgd en nodigt ouders uit voor een gesprek. Wanneer ouders niet in gesprek willen met de gemeente, wordt een melding gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming. Wijziging beleid en melding aan Raad door Gemeente onrechtmatig? Verbod tot het in behandeling nemen van de melding door de RvdK afgewezen. RvdK heeft eigen taak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2017/663
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/497847 / KG ZA 16-316

Vonnis in kort geding van 26 april 2016

in de zaak van

1 [eisers1] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

2. [eisers2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

3. [eisers3] ,

beiden wonende te [woonplaats2] ,

eisers,

advocaten mrs. M. Wiersma en S. Scheimann,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

advocaat mr. J. Bootsma,

2. DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Dordrecht – Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

gemachtigden P.C. van Dalen en L.A. van Bergeijk.

Partijen zullen hierna ‘de ouders’, ‘de Gemeente’ en ‘de Raad’ genoemd worden.

Eisers zullen daarnaast afzonderlijk ‘ [eisers1] ’, ‘ [eisers2] ’ en ‘ [eisers3] ’ genoemd worden.

Tot slot zullen ‘ [eisers1] ’ en ‘ [eisers2] ’ gezamenlijk ook met [eisers1-2] worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 4 april 2016,

  • -

    de producties van de ouders,

  • -

    de producties van de Gemeente,

  • -

    de mondelinge behandeling op 12 april 2016,

  • -

    de pleitnota’s van mrs. M. Wiersma en S. Scheimann, voornoemd,

  • -

    de pleitnota van mr. Bootsma, voornoemd.

1.2.

De ouders hebben bij fax van 11 april 2016 verzocht om behandeling van het kort geding met gesloten deuren, in elk geval voor zover de door de Gemeente overgelegde producties inhoudelijk zouden worden behandeld op een wijze waarop gegevens ten aanzien van de kinderen voor toehoorders kenbaar zouden kunnen worden.

Ter zitting heeft de voorzieningenrechter aangegeven dat niet werd voorzien dat de inhoud van de overgelegde producties gedetailleerd aan de orde zou komen.

Het verzoek is op grond daarvan afgewezen, met dien verstande dat wanneer toch inhoudelijk op de producties zou worden ingegaan ruimte bestond het verzoek alsnog - ten dele - toe te wijzen. Dat is niet nodig gebleken en niet gebeurd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De ouders hebben allen kinderen in de leerplichtige leeftijd.

Voor het schooljaar 2015/2016 hebben de ouders voor hun kinderen een beroep gedaan op vrijstelling van de leerplicht op grond van artikel 5 onder b Leerplichtwet 1969 (hierna ook: het beroep op richtingsbezwaren).

2.2.

Voorafgaand aan eerdere schooljaren hebben [eisers2] en [eisers3] ook reeds een beroep op richtingsbezwaren gedaan.
Toen werd de vrijstelling verkregen, zonder dat de Gemeente daaraan voorwaarden verbond of de ouders uitnodigde voor een gesprek.

2.3.

Op 19 februari 2015 heeft de Gemeente aan [eisers2] en [eisers3] een brief gezonden die, voor zover van belang, luidt als volgt:

“(…)

U ontvangt deze brief omdat u met een beroep op artikel 5, onder b, van de Leerplichtwet 1969, één of meerdere kinderen heeft die van rechtswege voor de periode van het schooljaar 2014-2015 zijn vrijgesteld van de verplichting om ingeschreven te staan bij een school.

Ik nodig u uit voor een gesprek met twee leerplichtambtenaren van de afdeling Toezicht en Handhaving van de gemeente Rotterdam om landelijke ontwikkelingen en ontwikkelingen rondom nieuw beleid voor vrijstellingen in de gemeente Rotterdam aan u toe te lichten.

Landelijke ontwikkelingen

Landelijk wordt het debat gevoerd over de huidige mogelijkheid in de Leerplichtwet om door middel van een beroep op artikel 5, onder b, van de Leerplichtwet 1969 voor een kind vrijstelling te krijgen van de verplichting om ingeschreven te staan bij een school. Met de kamerbrief van 27 oktober 2014 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een inventarisatie aangekondigd; een inventarisatie naar de voorwaarden waaronder onderwijs op een andere locatie dan de school mogelijk gemaakt kan worden.

Nieuwe beleid vrijstellingen in Rotterdam

De gemeente Rotterdam vindt het in een stad als Rotterdam, met zoveel mogelijkheden tot onderwijs, niet wenselijk dat ouders voor hun kinderen een beroep doen op vrijstelling. Op dit moment bereiden wij ons voor op nieuw beleid dat daartoe in het schooljaar 20 15-2016 kan worden ingezet.

In het licht van de landelijke ontwikkelingen en de aankondiging van eèn nieuw beleid rondom vrijstellingen in Rotterdam nodig ik u uit voor een gesprek met twee ambtenaren van de afdeling Toezicht en Handhaving. Dit gesprek zal plaatsvinden op 6 maart 2015 om 13.30 uur aan de Librijesteeg 2 te Rotterdam.

Ik ga ervan uit dat u op deze afspraak verschijnt.

(…)”

2.4.

Op 12 juni 2015, nadat de ouders de in 2.1 genoemde richtingsbezwaren kenbaar hadden gemaakt, heeft de Gemeente aan de ouders (elk ouderpaar afzonderlijk) een brief gestuurd steeds, voor zover van belang steeds luidende:

“(…)

Op (…) heeft u bij de gemeente Rotterdam een kennisgeving van uw beroep op vrijstelling artikel 5 onder b van de Leerplichtwet (…) ingediend.

Het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet is opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders. Zij hebben daartoe leerplichtambtenaren aangewezen.

In aanvulling op uw schriftelijke kennisgeving willen wij, vanuit een andere omgang inzake genoemde kennisgeving, een mondelinge toelichting van u. Hierin is voor de gemeente het recht op onderwijs voor kinderen en de borging van dat recht leidend. Ouders die met de beste intenties kiezen voor thuisonderwijs zullen vanuit hun eigen opvattingen dezelfde leidraad voor ogen hebben.

De mondelinge toelichting vragen wij u om een drietal redenen:

1. Om een toelichting te kunnen vragen op uw richtingsbezwaar en dit bezwaar te kunnen toetsen;

2. Omdat kinderen met vrijstelling voor de leerplicht niet vanzelfsprekend in beeld zijn, zoals dat via een school wel het geval is, is een gesprek naar aanleiding van de kennisgeving in ieder geval een jaarlijks contactmoment tussen gemeente en ouders;

3. Omdat we willen toetsen of er redelijkerwijs aangenomen kan worden dat het recht op (goed) onderwijs geborgd is. Hier willen wij nadrukkelijk bij vermelden dat de leerplichtambtenaar geen oordeel zal vellen over ‘hoe’ het onderwijs gegeven wordt, maar ‘dat’ er onderwijs gegeven wordt.

Wij nodigen u uit voor een persoonlijk gesprek op (…)”

De ouders zijn niet verschenen, na bericht daarover aan de Gemeente gestuurd te hebben.

2.5.

Op 28 juli 2015 heeft de Gemeente aan de ouders (elk ouderpaar afzonderlijk) een brief verzonden steeds, voor zover van belang, luidende als volgt:

“(…)

Op (…) heeft u bij de gemeente Rotterdam een kennisgeving van uw beroep op vrijstelling artikel 5 onder b van de Leerplichtwet (…) gedaan.

Wij hebben u in juni uitgenodigd voor een mondelinge toelichting op deze kennisgeving. Wij vinden het jammer dat u hier geen gehoor aan heeft gegeven, omdat wij graag met u in gesprek komen. Hierin is voor de gemeente het recht op onderwijs voor kinderen en de borging van dat recht leidend.

Naar aanleiding van de gesprekken in de Gemeenteraad de afgelopen periode zijn er twee

aanpassingen in de uitnodiging voor het gesprek gedaan:

1. U wordt uitgenodigd voor twee gesprekken. In het ene gesprek wordt van u een toelichting gevraagd op uw kennisgeving en in het andere gesprek wordt aan u als ouder gevraagd hoe u het recht op onderwijs voor uw kind(eren) borgt.

2. U krijgt de gelegenheid om uw toelichting op uw kennisgeving voorafgaand aan het gesprek schriftelijk in te dienen. In het gesprek kunt u naar deze toelichting verwijzen. De leerplichtambtenaren kunnen wel verduidelijkende vragen stellen tijdens het gesprek.

Wij nodigen u dientengevolge uit voor twee gesprekken op respectievelijk (…) en (…).”

2.6.

Op 12 november 2015 heeft de Gemeente aan de ouders (elk ouderpaar afzonderlijk) een brief verzonden steeds, voor zover van belang, luidende als volgt:

(…)

Afgelopen jaar heeft u een beroep op vrijstelling Leerplichtwet (LPW) artikel 5 onder b

ingediend bij de gemeente Rotterdam, afdeling Toezicht & Handhaving. Het is de taak van de afdeling Toezicht & Handhaving om dit beroep op vrijstelling te toetsen aan de eisen die de LPW hieraan stelt.

Naar aanleiding van uw beroep op vrijstelling van de verplichting om te zorgen dat (…)

als leerling van een school of instelling zijn ingeschreven, hebben wij geconstateerd dat uw beroep niet voldoet aan de eisen die de LPW stelt. Dit betekent dat wij schriftelijk onvoldoende informatie van u hebben ontvangen om te kunnen vaststellen of het

beroep op vrijstelling rechtsgeldig is. We hebben u vervolgens uitgenodigd voor een gesprek

om uw beroep op vrijstelling mondeling verder toe te kunnen lichten. Ik moet helaas

constateren dat u tot twee keer toe niet op deze uitnodiging bent ingegaan, waardoor de

gemeente tot op heden niet over voldoende informatie beschikt om vast te kunnen stellen of

uw beroep op vrijstelling voldoet aan de eisen die de LPW hieraan stelt. Dit betekent dat u op dit moment geen vrijstelling heeft van de verplichting om (…) bij een school of instelling in te schrijven en te zorgen dat deze school of instelling regelmatig bezocht wordt.

Indien uw kind nog niet leerplichtig is, dient u uiterlijk twee weken voordat uw kind leerplichtig wordt ons mee te delen waar uw kind is ingeschreven; mocht uw bericht achterwege blijven, dan wordt proces-verbaal opgemaakt.

Indien uw kind wel leerplichtig is, dient u ons binnen twee weken mee te delen waar uw kind is ingeschreven; mocht uw bericht achterwege blijven, dan wordt proces-verbaal opgemaakt.

Om het recht op onderwijs als geborgd te kunnen beschouwen en vast te kunnen stellen dat er sprake is van een gezonde ontwikkeling van uw kind, krijgen wij als gemeente graag inzicht in de wijze waarop u het recht op onderwijs voor uw kind borgt. We hebben u

daarom uitgenodigd om hierover met ons in gesprek te gaan. Helaas moet ik vaststellen dat u niet op onze uitnodiging voor dit gesprek bent ingegaan.

Omdat het recht op onderwijs mogelijk niet geborgd is en u geen inzicht heeft verschaft in de situatie van uw kind, hebben wij zorgen over de gezonde ontwikkeling van uw kind. Wij

hebben er daarom voor gekozen om voor de leerplichtige kinderen in uw gezin een verzoek tot onderzoek te doen bij de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad voor de

Kinderbescherming is een onafhankelijke, landelijke instantie en vormt in die hoedanigheid

een eigen, onafhankelijk oordeel over de situatie in het betreffende gezin.

(…)”

2.7.

Op 7 januari 2016 heeft de Gemeente aan de ouders (elk ouderpaar afzonderlijk) een brief verzonden steeds, voor zover van belang, luidende als volgt:

(…) Op 12 november hebben wij u geïnformeerd inzake uw beroep op vrijstelling Leerplichtwet (LPW) artikel 5 onder b. Om het recht op onderwijs als geborgd te kunnen beschouwen en vast te kunnen stellen dat er sprake is van een gezonde ontwikkeling van uw kind hebben wij u eerder uitgenodigd om hierover met ons in gesprek te gaan. Helaas heb ik moeten vaststellen dat u niet op onze uitnodiging voor dit gesprek bent ingegaan.

Omdat het recht op onderwijs mogelijk niet geborgd is en u geen inzicht heeft verschaft in de situatie van uw kind, hebben wij zorgen over de gezonde ontwikkeling van uw kind. Wij gaan daarom voor de leerplichtige kinderen in uw gezin een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming doen. U ontvangt hierbij onze melding. Tot 5 werkdagen na ontvangst van deze brief kunt u reageren op de inhoud van de melding. Uw reactie zal worden toegevoegd aan de melding. Vervolgens zal de definitieve melding worden opgestuurd naar de Raad voor de Kinderbescherming.

(…)

2.8.

De Gemeente heeft ten aanzien van de ouders drie meldingen bij de Raad gedaan. De melding ten aanzien van (de kinderen van) [eisers1] is in behandeling genomen. Naar hun gezin loopt thans een onderzoek.

De melding ten aanzien van (de kinderen van) [eisers3] is in behandeling genomen. De Raad heeft aan de Gemeente bericht geen aanleiding te zien tot het doen van nader onderzoek zolang het gezin in Ierland woont, gelet op in Ierland geldende wetgeving.

De melding ten aanzien van (de kinderen van) [eisers2] is door de Raad ontvangen. De behandeling is op verzoek van de Gemeente aangehouden totdat duidelijk zou zijn of [eisers2] in maart 2016 alsnog op gesprek zouden komen bij de Gemeente. Ter zitting heeft de Gemeente mondeling aan de Raad bericht dat geen gesprek heeft plaatsgevonden.

3 Het geschil

3.1.

De ouders vorderen – verkort weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A)

primair

de Gemeente verbiedt het gevoerde beleid ter zake van een beroep op artikel 5b Leerplichtwet voort te zetten, althans voor zover dit behelst dat het weigeren in gesprek te gaan over de borging van het recht op onderwijs leidt tot een verzoek om onderzoek dan wel melding bij de Raad voor de Kinderbescherming

subsidiair

de Gemeente gebiedt het gevoerde beleid ter zake van een beroep op artikel 5b Leerplichtwet te schorsen tot in de bodemprocedure ter zake nader is beslist;

B)

de Gemeente veroordeelt reeds in het kader van dit beleid gedane meldingen/verzoeken om onderzoek in te trekken onder mededeling aan de Raad voor de Kinderbescherming dat van voor een verzoek om onderzoek / een melding noodzakelijke zorgen geen sprake was en is

C)

primair

de Raad verbiedt een onderzoek te starten naar aanleiding van de op basis van het door de Gemeente Rotterdam gevoerde beleid ter zake van een beroep op artikel 5b Leerplichtwet gedane verzoeken om onderzoek, voor zover concrete zorgsignalen als bedoeld in de Jeugdwet ontbreken, dan wel de Raad veroordeelt reeds op grond van dergelijke verzoeken gestarte onderzoeken, voor zover daaraan geen concreet zorgsignaal als bedoeld in de Jeugdwet ten grondslag ligt, te staken en jegens [eisers3] , indien zij terugkeren naar

Nederland, geen onderzoek te starten,

subsidiair

de Raad gebiedt het raadsonderzoek te schorsen tot in de bodemprocedure ter zake nader is beslist;

Een en ander onder het opleggen van een dwangsom en met veroordeling van

gedaagden in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten daaronder begrepen.

3.2.

De Gemeente heeft verweer gevoerd. Daarop wordt hierna ingegaan.

3.3.

De Raad heeft verweer gevoerd en daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat zij wettelijk is gehouden te onderzoeken of de noodzaak tot het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel bestaat wanneer zij van de Gemeente een melding ontvangt.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter bevoegd om in alle spoedeisende zaken gelet op de belangen van partijen (voor zover vereist) een onmiddellijke voorziening bij voorraad te geven.

4.2.

Ten aanzien van de vorderingen van [eisers1] en [eisers2] acht de voorzieningenrechter het vereiste spoedeisend belang – waarvan de aanwezigheid door de Raad en de Gemeente overigens niet is betwist – voldoende aanwezig. Het onderzoek door de Raad, waarop het gevorderde ziet, is ten aanzien van [eisers1] aangevangen en loopt nog steeds. Ten aanzien van [eisers2] is een melding bij de Raad gedaan waarvan de behandeling is aangehouden, maar, gelet op het standpunten van de Gemeente en de Raad zoals verwoord ter zitting, zal naar verwachting ook jegens hen op korte termijn een onderzoek starten.

4.3.

Ten aanzien van [eisers3] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een andere situatie. Vaststaat dat het onderzoek naar hun gezin door de Raad niet zal worden hervat zolang het gezin in Ierland woont, gelet op daar geldende wetgeving. Nu gelet op de mededelingen ter terechtzitting kennelijk geen concreet zicht bestaat op terugkomst van het gezin van [eisers3] naar Nederland, is onvoldoende aannemelijk dat zij over het voor het vorderen van een voorziening vereiste spoedeisend belang beschikken. De enkele wens om op enig moment terug te keren naar Rotterdam is in dat kader niet voldoende, ook niet wanneer uit wordt gegaan van de juistheid van de stelling dat het geschil met de Gemeente (mede) aanleiding was voor het vertrek naar Ierland. Dat zegt immers niets over het thans aanwezig zijn van een spoedeisend belang als in kort geding is vereist. De vorderingen van [eisers3] stranden reeds op grond van het voorgaande.

4.4.

Wat betreft de vorderingen van de overige eisers geldt het volgende.

4.5.

Aanleiding van het geschil tussen [eisers1-2] en de Gemeente is gewijzigd beleid van de Gemeente Rotterdam.

4.6.

Voor de beoordeling van het geschil is artikel 5 Leerplichtwet 1969 van belang.

Dit artikel luidt, voor zover hier van belang:

“De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling staat ingeschreven, zolang

a. (…)

b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben

c. (…)”.

4.7.

Niet in geschil is dat de Gemeente tot medio 2015 ouders die een beroep deden op voornoemd artikel niet vroeg om een toelichting of uitnodigde voor een gesprek. Het aankruisen van het desbetreffende vakje op een formulier tot het aanvragen van een dergelijke vrijstelling volstond. Nu echter is gebleken dat het aantal ouders dat een beroep doet op artikel 5 onderdeel b van de Leerplichtwet de afgelopen jaren is gestegen (van minder dan 5 tot circa 35), heeft de Gemeente daarin, blijkens haar stellingen, aanleiding gezien haar beleid ten aanzien van ouders die een beroep doen op richtingsbezwaren als bedoeld in voornoemd artikel te wijzigen. Zij vindt de stijging zorgelijk en wenst het geven van thuisonderwijs te ontmoedigen. Het gewijzigde beleid maakt het voor de Gemeente mogelijk meer toezicht te hebben op het thuisonderwijs.

4.8.

De vorderingen van [eisers1-2] zijn gegrond op de stelling dat dit nieuwe beleid terzake de wijze waarop handhaving van de leerplichtwet plaatsvindt niet op de wet, en meer specifiek niet op artikel 5 van de Leerplichtwet, is gegrond en dat de Gemeente met de tenuitvoerlegging van het beleid een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op de privacy en het gezinsleven van eisers.

4.9.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Gemeente een ruime mate van beleidsvrijheid heeft. In dat verband dient de Gemeente rekening te houden met alle relevante wetgeving. Die vrijheid vindt haar begrenzing voorts in de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.10.

Voor toewijzing van de vorderingen van [eisers1-2] jegens de Gemeente is vereist dat aannemelijk is dat de bodemrechter, later oordelend, zal beslissen dat de Gemeente buiten de beleidsvrijheid treedt/is getreden die een redelijk handelend gemeente heeft en dat sprake is van (nieuw) beleid waartoe de Gemeente in redelijkheid, bij afweging van alle betrokken belangen, niet kon komen.

4.11.

In dit kort geding is niet aannemelijk geworden dat aan voornoemd vereiste voor toewijzing van de vorderingen jegens de Gemeente is voldaan. Niet kan worden aangenomen dat de Gemeente buiten de haar toekomende beleidsvrijheid treedt/is getreden en naar voorlopig oordeel is in de gegeven omstandigheden geen sprake van misbruik van bevoegdheden of van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Het gevorderde onder A. zal daarom worden afgewezen.

Dit oordeel is gegrond op het volgende.

4.12.

Het beleid van de Gemeente richt zich op (de gezinnen van) degenen die een beroep op richtingsbezwaren doen, maar beperkt zich niet tot de (beperkte) toetsing van dat bezwaar. De ontvangen beroepen van ouders zijn voor de Gemeente aanleiding voor een meer omvattend traject waarvoor in 2015 beleid is ontwikkeld. Aanleiding hiertoe was (onder meer) de invoering van de Jeugdwet per januari 2015 en daarnaast de toename van het aantal richtingsbezwaren dat de Gemeente in de afgelopen jaren ontving.

4.13.

De voorzieningenrechter acht begrijpelijk dat [eisers1-2] na ontvangst van de brieven van 19 februari 2015 en 12 juni 2015 onaangenaam verrast was door de aankondiging dat de Gemeente het beleid zou gaan veranderen, omdat daarin uitdrukkelijk werd aangegeven dat de Gemeente het onwenselijk vond dat ouders een beroep op richtingsbezwaren deden, terwijl aannemelijk is dat het voor [eisers1-2] belangrijk was en is dat die mogelijkheid – waarin de wet in formele zin expliciet voorziet – niet alleen bestaat en blijft bestaan, maar ook feitelijk gebruikt kan worden.

De rechtlijnige formulering van de (uitnodiging tot gesprek in die) brieven, heeft er mogelijk aan bijgedragen dat [eisers1-2] nog immer een andere uitleg geeft aan de strekking van de brieven, dan de Gemeente blijkens haar stellingen in dit kort geding steeds heeft bedoeld. Het is goed voor te stellen dat [eisers1-2] vreesde voor nadelige gevolgen, zoals de mogelijkheid dat zij niet langer op dezelfde voorwaarden thuisonderwijs kon bieden, en voor inmenging in haar privéleven en bemoeienis met haar overtuigingen.

Hoe voorstelbaar die vrees ook is, die is onvoldoende om te concluderen dat de Gemeente met het aanpassen van het beleid onrechtmatig handelde of niet langer handelde zoals van een redelijk handelend gemeente mocht worden verwacht. De Gemeente is immers in beginsel gerechtigd haar beleid aan te passen en daarnaast is in een veranderende maatschappij nimmer gegarandeerd dat beleid over een periode van vele jaren ongewijzigd in stand zal blijven. Die beleidswijziging is dan ook als zodanig niet onrechtmatig en ook onvoldoende grond voor een vermoeden van misbruik van bevoegdheid.

4.14.

In dat kader acht de voorzieningenrechter van belang dat uit de correspondentie blijkt dat de Gemeente zelf tot het inzicht is gekomen dat zij zich diende te bezinnen op de haar ten dienste staande bevoegdheden, mogelijkheden en verantwoordelijkheden. Waar in eerste instantie in de brieven van de Gemeente werd gesproken over één gesprek naar aanleiding van een beroep op richtingsbezwaren, heeft de Gemeente inmiddels haar beleid nader uitgewerkt in twee trajecten, zoals ook volgt uit de brief van de Gemeente van 28 juli 2015.

Allereerst is er het traject van de toetsing van het richtingsbezwaar dat is gegrond op de Leerplichtwet. Ten aanzien van dit (deel)traject staat de strafrechtelijke weg open voor het geval dat de Gemeente en ouders het met elkaar oneens zijn over de vraag of terecht een beroep op richtingsbezwaren is gedaan. Centraal in (de beoordeling in) dit traject staat het belang van de ouders om zich op richtingsbezwaren te kunnen beroepen. In dat verband zijn de grondrechten van de ouders (vrijheid van godsdienst/overtuiging, bescherming van het gezinsleven) essentieel. De wetgever heeft daarbij al een afweging gemaakt, die de Gemeente (en de rechter) tot uitgangspunt dient.

Het (tweede) traject is gegrond op de Jeugdwet. In dat traject gebruikt de Gemeente de informatie die zij uit diverse bronnen verkrijgt en in dit geval als een beroep op artikel 5 sub b van de Leerplichtwet wordt gedaan, als indicatie voor de vraag of zij op grond van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden die zij verkreeg met de invoering van de Jeugdwet op 1 januari 2015 een melding zou moeten doen aan de Raad met het verzoek tot onderzoek naar de situatie van de kinderen uit het betreffende gezin. Het belang van het kind of de kinderen, en niet dat van de ouders, staat dan centraal. Hoewel ook in dat verband grondrechten in het geding komen is de afweging daar een andere.

4.15.

De Leerplichtwet waarop [eisers1-2] zich beroept voorziet niet in een (tweede) gesprek met de ouders als onderdeel van het toezichthoudend optreden door de Gemeente ter zake artikel 5 sub b van de Leerplichtwet. Aangenomen moet worden dat wanneer de Gemeente meent dat ten onrechte een beroep wordt gedaan op richtingsbezwaren, de rechtsgang via de strafrechter aan de betrokken ouders voldoende rechtsbescherming biedt. Dit is ook niet in geschil.

De Gemeente beroept zich echter in het kader van het tweede traject niet langer (slechts) op de Leerplichtwet, maar (ook, en) met name op de Jeugdwet. Het gevorderde moet daarom, zoals ook door [eisers1-2] ter zitting is toegelicht, worden begrepen als gericht op het deel van het beleid, dat inhoudt dat wanneer ouders niet bereid zijn het (tweede) gesprek te voeren, dit leidt tot het onderzoek van de Raad.

4.16.

De Jeugdwet biedt naar voorlopig oordeel wél de beleidsvrijheid voor de Gemeente waarvan [eisers1-2] meent dat zij die niet heeft, en daarmee ruimte voor het beleid waarvan [eisers1-2] bestrijdt dat de Gemeente dit mag toepassen.

4.17.

Het doel van de nieuwe Jeugdwet is het jeugdstelsel te vereenvoudigen en het efficiënter en effectiever te maken, met het uiteindelijke doel het versterken van de eigen kracht van de jongeren en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van hun gezin en sociale omgeving.
Aan de totstandkomingsgeschiedenis van de Jeugdwet wordt het navolgende ontleend: “Gemeenten zijn door de decentralisatie beter in staat om integraal beleid te ontwikkelen en maatwerk te bieden, afgestemd op de lokale situatie en uitgaande van de mogelijkheden (eigen kracht) en de behoeften van individuele jeugdigen en hun ouders.

In handen van de gemeente kan de jeugdhulp beter aansluiten op de problematiek zoals die zich concreet voordoet. De verschillende vormen en instrumenten van ondersteuning, hulp en zorg kunnen naar bevind van zaken worden ingezet, wat de kwaliteit en de doeltreffendheid van zorg ten goede komt. Hulp en ondersteuning kunnen laagdrempelig, vroegtijdig en integraal aangeboden worden, met veel ruimte voor de professional om casusgericht te werken: één gezin, één plan, één regisseur. (…)

Het beoogde resultaat zal pas gerealiseerd worden als alle actoren in het jeugdstelsel hun werkwijzen vernieuwen in het licht van de hiervoor genoemde transformatiedoelen van de stelselwijziging. Hier ligt een eerste verantwoordelijkheid van gemeenten en het veld om aan de transformatie inhoud te geven.” (TK 2012-13, 33684, nr 3, p.2).

De Gemeente is met invoering van de wet onder meer verantwoordelijk geworden voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en voor het monitoren van zorgen over de jeugd, waarbij bewust ruimte is gecreëerd voor nieuw beleid bij de uitvoering van de Jeugdwet.

4.18.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat het onthouden van onderwijs aan een kind onder omstandigheden te kwalificeren is als een bedreiging van de ontwikkeling van een kind of kindermishandeling, is niet aannemelijk dat de Gemeente misbruik maakt van bevoegdheden die zij heeft op grond van de Jeugdwet wanneer zij die bevoegdheden aanwendt in gevallen als in dit geding aan de orde, waarin de Gemeente niet of nauwelijks bekend is met gegevens over of en op welke wijze onderwijs wordt geboden. Voor zover [eisers1-2] stelt dat de Gemeente genoegen dient te nemen met hun enkele verzekering dat zij het belang van onderwijs inzien en daarvoor zorg zullen dragen, miskent die stelling de verantwoordelijkheid van de Gemeente. De Gemeente mag verlangen dat de ouders nadere toelichting verstrekken en hoeft daarbij geen genoegen te nemen met de door [eisers1-2] gekozen vorm (waarbij louter schriftelijk informatie wordt verstrekt).

Het standpunt van [eisers1-2] dat de Jeugdwet juist in de weg staat aan het beleid van de Gemeente, omdat het nieuwe beleid inhoudt dat de Gemeente niet langer uit gaat van de eigen kracht van de ouders en het vrijwillige kader uit de Jeugdwet overslaat, is dus onjuist.

De Gemeente heeft gemotiveerd betoogd dat zij de vrijwilligheid als bedoeld in de Jeugdwet nastreeft, maar dat het haar in de onderhavige gevallen ontbreekt aan voldoende informatie over de gezinnen van [eisers1-2] om terzake [eisers1-2] in redelijkheid te kunnen beslissen af te zien van het doen van een melding aan de Raad.

Dat acht de voorzieningenrechter aannemelijk, gelet op het feit dat [eisers1-2] tot op heden – al dan niet omdat zij daartoe een tot op zekere hoogte begrijpelijke reden had – elk gesprek uit de weg is gegaan. Daarnaast is niet gebleken dat op andere wijze informatie is verstrekt. Dat informatie volgens [eisers1-2] vrij beschikbaar zou zijn op internet, omdat zij er geen geheim van maakt dat zij thuisonderwijs geeft, maakt dit niet anders. De Gemeente mag van ouders verwachten dat zij desgevraagd de binnen het kader van de Jeugdwet relevante informatie aan de Gemeente ter beschikking zullen stellen, zodat - zoals hier relevant is - beoordeeld kan worden of het recht op onderwijs voor hun kind(eren) is geborgd. Daartoe mag de Gemeente het proportionele middel van een gesprek met door haar daartoe aangewezen personen gebruiken. Dat [eisers1-2] in die personen geen vertrouwen heeft doet daaraan niet af.

4.19.

In het algemeen zal niet kunnen worden gezegd dat het enkele feit dat een beroep op richtingsbezwaren wordt gedaan, steeds tot gevolg zal moeten hebben dat een melding bij de Raad zal worden gedaan respectievelijk dat de beslissing om zo’n melding te doen rechtmatig is. Denkbaar is immers dat de Gemeente bekend is met andere gegevens over het betreffende gezin. Daarvan is in het onderhavige geval echter niet gebleken.

Als [eisers1-2] blijft weigeren met de Gemeente in gesprek te gaan mag de Gemeente de situatie laten onderzoeken. De Raad is de daartoe aangewezen instantie.

In dit kort geding moet dan ook aangenomen worden dat de verzoeken tot onderzoek die de Gemeente deed wegens zorgen om de gezonde ontwikkeling van de kinderen vallen binnen de beleidsvrijheid die de Gemeente heeft. Dit brengt met zich dat geen grond bestaat het gevorderde onder B. toe te wijzen.

4.20.

In deze oordelen is voorts meegewogen dat niet is gebleken van prangende en zwaarwegende belangen aan de zijde van [eisers1-2] die tot andere oordelen nopen of ertoe leiden dat naar voorlopig oordeel toch sprake is van onrechtmatig handelen aan de zijde van de Gemeente.

De voorzieningenrechter merkt in dat kader op dat op het eind van het traject zoals door de Gemeente uitgevoerd, weinig aan te merken lijkt te zijn. Voorshands is aannemelijk dat de Gemeente ter zake meldingen aan de Raad zeer zorgvuldig omgaat met de belangen van de betrokken ouders, nu concept-meldingen aan hen worden voorgelegd en de ouders de gelegenheid krijgen wijzigingen en/of aanvullingen voor te stellen.

Uit de toelichting ter zitting en de overgelegde producties kan vervolgens worden afgeleid dat de voorgestelde wijzigingen worden aangebracht c.q. daadwerkelijk aan de Raad worden doorgeleid.

Daarnaast is door [eisers1-2] niet weersproken de stelling van de Gemeente dat in de gevallen dat ouders alsnog op gesprek zijn gekomen bij de Gemeente, ten aanzien van die ouders vervolgens is besloten geen melding te doen bij de Raad. Dat betekent dat de Gemeente dit middel naar voorshands oordeel tot dusver niet misbruikt. Dat dit bij [eisers1-2] ander zal zijn is onvoldoende aannemelijk geworden.

De omstandigheid dat de Raad vergaande bevoegdheden heeft en dat het inschakelen daarvan ervaren wordt als een machtsmiddel en het aankondigen ervan als een dreigement, doet daaraan niet af. Het niet beschikbaar hebben van voldoende informatie over het onderwijs kan de Gemeente in redelijkheid aanleiding geven tot zorg over de ontwikkeling van de kinderen. Een melding is dan aangewezen. Détournement de pouvoir levert dat niet op.

4.21.

Of nu de vorderingen van [eisers1-2] jegens de Gemeente worden afgewezen, nog ruimte bestaat het gevorderde jegens de Raad toe te wijzen, zal thans worden beoordeeld.

De vordering van [eisers1-2] jegens de Raad is erop gericht dat de Raad de door de Gemeente bij haar gedane meldingen, aangeduid met ‘verzoek tot onderzoek’, niet in behandeling neemt.

4.22.

Vaststaat dat in de onderhavige gevallen door de Gemeente een melding als hiervoor genoemd is gedaan. Die melding is dus een gegeven.

Nu de Raad een publieke instelling is met specifieke (wettelijke) taken en bevoegdheden en een eigen rol als onderzoeks-, rapporterings- en adviesinstelling, zal hij op basis van die melding aan de hand van het voor zijn taak normale toetsingskader moeten beslissen of hij een onderzoek zal starten.

De Gemeente heeft aan de melding bij de Raad kort gezegd ten grondslag gelegd dat ter zake de kinderen van [eisers1-2] geen sprake is van inschrijving bij een school en dat verder geen gegevens beschikbaar zijn. Dit betekent dat wanneer dat gegeven volgens het normale toetsingskader dat de Raad hanteert, aanleiding is om tot onderzoek over te gaan, hij daartoe ook in de onderhavige situatie bevoegd en onder omstandigheden zelfs gehouden is, waarbij de Raad gebonden is aan de voor hem geldende regels.

Dat [eisers1-2] in dit geding heeft aangevoerd dat door de melding sprake is van een onrechtmatige inbreuk in de privacy van het gezin maakt dit niet anders. Vanaf het moment dat een melding is gedaan gaat het niet zozeer om de belangen van de ouders maar om die van het kind/de kinderen. Het is niet aan de Raad om te treden in de vraag of de melding jegens de ouders disproportioneel zou kunnen zijn of om andere redenen onrechtmatig. Hij dient die melding net als andere meldingen in behandeling te nemen (en, eventueel, verder te behandelen.)

4.23.

Dan liggen ter beoordeling nog de subsidiaire vorderingen van [eisers1-2] jegens de Gemeente en de Raad voor. Ook die vorderingen zullen worden afgewezen.

Op dit moment is nog geen bodemprocedure aanhangig en ter zitting is toegelicht dat deze ook niet is beoogd, zodat geen aanleiding bestaat reeds nu vooruit te lopen op de eventuele mogelijkheid van tegenstrijdige beslissingen. Een andere aanleiding voor toewijzing van het subsidiair gevorderde is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aanwezig.

4.24.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog dat het uiteraard mogelijk is dat de wetgeving ter zake het recht op onderwijs binnen afzienbare tijd zal veranderen, maar daar valt thans niet op vooruit te lopen. Die (enkele) mogelijkheid maakt de in dit vonnis genomen beslissingen niet anders.

4.25.

De ouders zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van zowel de Raad als de Gemeente worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris 816,00

Totaal € 1.435,00

De kosten aan de zijde van de Raad worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris 408,00 (helft liquidatietarief, gemachtigde)

Totaal € 1.027,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt de ouders in de proceskosten, aan de zijde van de Raad tot op heden begroot op € 1.027,00,

5.3.

veroordeelt de ouders in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 1.435,00,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2016.

1634/106