Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:3296

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
4640884 CV EXPL 15-52131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassen beslagvrije voet op huurtoeslag. Ontbinding en ontruiming afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2016/147

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4640884 CV EXPL 15-52131

uitspraak: 25 maart 2016

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Vestia,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: gerechtsdeurwaarder mr. E.L.B. Hundscheidt te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “Vestia” en “[gedaagde]”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 25 november 2015, met producties;

  • -

    de aantekeningen van het mondelinge antwoord van [gedaagde], met een productie;

  • -

    het tussenvonnis van 21 december 2015, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de voorafgaande aan de comparitie van partijen aan de zijde van Vestia overgelegde brief van 11 januari 2016, met producties;

  • -

    de voorafgaande aan de comparitie van partijen aan de zijde van [gedaagde] overgelegde brief van 13 januari 2016, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de op 22 januari 2016 gehouden comparitie van partijen.

1.2

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1

Tussen Vestia als verhuurder en [gedaagde] als huurder bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woonruimte staande en gelegen aan de [adres en plaatsnaam] (hierna: het gehuurde).

2.2

[gedaagde] is Vestia op basis van deze huurovereenkomst maandelijks bij vooruitbetaling een huurprijs van laatstelijk € 484,01 verschuldigd.

2.3

Vestia heeft op 9 september 2015 executoriaal beslag gelegd op de aan [gedaagde] toekomende huurtoeslag.

3. De vordering

3.1

Vestia heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen Vestia en [gedaagde] met betrekking tot het gehuurde te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling aan Vestia van de door Vestia genoemde bedragen, waarin begrepen een bedrag van € 945,60 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand november 2015 en de huur/gebruiksvergoeding tot en met de maand waarin de ontruiming van het gehuurde plaatsvindt, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Aan haar vordering heeft Vestia het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd. [gedaagde] is ondanks aanmaningen en sommaties in gebreke gebleven met de tijdige betaling van de verschuldigde huurpenningen. Berekend tot en met november 2015 bedraagt de huurachterstand € 945,60. [gedaagde] is reeds een tweetal keren eerder veroordeeld tot betaling van huurachterstanden aan Vestia. De omstandigheid dat sprake is van herhaalde achterstanden rechtvaardigt ontbinding van de huur-overeenkomst en een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde. Omdat betaling uitbleef, heeft Vestia haar vordering ter incasso uit handen moeten geven en is zij incassokosten aan haar gemachtigde verschuldigd. De daaraan verbonden kosten van
€ 171,63 komen op grond van de wet voor rekening van [gedaagde]. Vestia maakt tevens aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente. Berekend tot de dag der dagvaarding bedraagt deze rente € 10,57.

4 Het verweer

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe ter comparitie van partijen het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd. In het op 27 maart 2015 tussen partijen gewezen vonnis is de huurachterstand over de maand maart 2015 reeds toegewezen. De oorzaak van de huurachterstand over de maand november 2015 is gelegen in de omstandigheid dat Vestia beslag heeft gelegd op de huurtoeslag van [gedaagde], waardoor [gedaagde] niet meer in staat was om de huur te betalen. Ondanks dat [gedaagde] de huur verder telkens tijdig voldoet, blijft de gemachtigde van Vestia maar aanmaningen sturen. [gedaagde] kon als gevolg van het verlies van zijn baan de tussen partijen getroffen betalingsregeling niet meer nakomen. Tevergeefs heeft [gedaagde] verzocht om een nieuwe regeling.

5 De beoordeling van de vordering

5.1

[gedaagde] heeft onvoldoende betwist dat hij de huur over de maanden april en november 2015 onbetaald heeft gelaten, zodat de hierop gerichte vordering van € 945,60, berekend tot en met de maand januari 2016, zal worden toegewezen. In het op 27 maart 2015 door de kantonrechter te Rotterdam gewezen vonnis tussen partijen is [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan Vestia van de over maart 2015 bestaande huurachterstand, zodat Vestia nog niet beschikt over een executoriale titel om de huidige achterstand te incasseren. De door [gedaagde] aangevoerde financiële problemen als gevolg van het verlies van zijn baan, hoe vervelend die omstandigheden voor hem ook zijn, liggen niet in de risicosfeer van Vestia en vormen dus geen grond voor afwijzing van deze vordering.

5.2

Voor wat betreft de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt.

Ingevolge artikel 45 lid 1 aanhef en onder a Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is het een verhuurder van een woning, met het oog waarop de huurtoeslag aan de betreffende huurder wordt verstrekt, in beginsel toegestaan beslag te leggen op de aan die huurder toekomende huurtoeslag wegens niet-nakoming van diens betalingsverplichting uit hoofde van de huurovereenkomst ter zake van die woning. Dat neemt echter niet weg dat huurtoeslag een vordering van de schuldenaar tot weerkerende betalingen is, als bedoeld in artikel 475f Rv, waarover de beslagvrije voet moet worden toegepast (zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8231). Tussen partijen is niet in geschil dat Vestia algeheel beslag heeft gelegd op de aan [gedaagde] toekomende huurtoeslag. Voor zover dat beslag in algemene zin al op goede gronden heeft plaatsgevonden, heeft Vestia in ieder geval in strijd met artikel 475c Rv gehandeld door de beslagvrije voet op de huurtoeslag niet te respecteren. Dat klemt temeer nu Vestia, ondanks dat [gedaagde] in de door hem overgelegde brief van 6 november 2015 aan de gemachtigde van Vestia heeft verzocht om de beslagvrije voet toe te passen bij het op de huurtoeslag gelegde beslag en in die brief tevens is vermeld dat daarmee rekening houdend de toeslag niet vatbaar is voor beslag, het beslag pas in december 2015 weer heeft opgeheven. Ook heeft Vestia de met de beslaglegging onterecht verkregen gelden niet alsnog aan [gedaagde] doen toekomen, zodat hij daardoor alsnog in staat zou worden gesteld aan zijn huurbetalings-verplichtingen jegens Vestia te kunnen voldoen. [gedaagde] heeft ook onbetwist aangevoerd dat de oorzaak van de onbetaald gelaten huur over november 2015 is gelegen in het feit dat Vestia beslag heeft gelegd op zijn huurtoeslag. De tekortkoming in de huurbetalings-verplichting van [gedaagde] met betrekking tot de huur over die maand kan derhalve niet los gezien worden van dit handelen van Vestia met betrekking tot het door haar gelegde beslag op de huurtoeslag. De kantonrechter is van oordeel dat onder deze omstandigheden de onderhavige tekortkoming ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde niet rechtvaardigt. De hiertoe strekkende vorderingen zullen daarom worden afgewezen. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] eerder, bij door de kantonrechter te Rotterdam gewezen vonnissen van respectievelijk 22 februari 2013 en
27 maart 2015 is veroordeeld tot betaling aan Vestia van een huurachterstand, kan niet tot een ander oordeel leiden. Beide veroordelingen hebben slechts betrekking op een (relatief) geringe huurachterstand, waarbij nog komt dat eerstgenoemde veroordeling ook gelet op de aanzienlijke tijdsduur die zich heeft voltrokken tussen die huurachterstand en het ontstaan van de latere achterstand niet zonder meer kan worden betrokken bij de beoordeling van de thans gevorderde ontbinding en ontruiming. Het oordeel dat geen grond bestaat voor ontbinding en ontruiming vindt bovendien nog steun in het feit dat [gedaagde] de huur al vanaf mei 2015 telkens, slechts met uitzondering van die over november 2015, tijdig voldoet.

5.3

Gelet op hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.2 is overwogen zal de gevorderde

rente worden toegewezen over een bedrag van € 474,38 met betrekking tot de huurachterstand over april 2015 en vanaf de datum dat [gedaagde] in verzuim is geraakt. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen over deze achterstand, zodat op dit onderdeel toewijsbaar is een bedrag van
€ 71,16. De rente en buitengerechtelijke kosten over de huurachterstand met betrekking tot november 2015 wordt afgewezen.

5.4

Vestia is op zich volgens de wet niet gehouden in te stemmen met een (nieuwe) betalingsregeling en de kantonrechter is ingevolge artikel 6:29 BW niet gerechtigd om een betalingsregeling vast te stellen zonder toestemming van Vestia. Die toestemming is in deze procedure niet gegeven. Voor het eventueel alsnog treffen van een (nieuwe) betalingsregeling (van € 50,00 per maand, naast de betaling van de lopende huur) met Vestia, wordt [gedaagde] verwezen naar de gemachtigde van Vestia, zoals door laatstgenoemde ook ter zitting is meegedeeld.

5.5

Nu [gedaagde] door Vestia op zich op goede gronden in rechte is betrokken en de vordering ook gedeeltelijk toewijsbaar is, zal [gedaagde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Vestia tegen kwijting te betalen het bedrag van € 945,60 aan huurachterstand berekend tot en met de maand januari 2016 en € 71,16 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 474,38 vanaf de verzuimdatum tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vestia vastgesteld op € 562,16 aan verschotten en € 200,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Verkerk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

764