Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:3268

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-04-2016
Datum publicatie
17-05-2016
Zaaknummer
3854359
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet naleving CAO; vorderingen tot betaling fofaitaire en aanvullende schadevergoeding toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1327
AR-Updates.nl 2016-0528
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3854359 \ CV EXPL 15-6652

uitspraak: 29 april 2016

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten,

woonplaats: Barendrecht,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 3 februari 2015,

gemachtigde: mr. J. van der Voet te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats: Maassluis,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.C. Hansen te Rotterdam.

Partijen worden hierna “de SNCU” en “[gedaagde]” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 3 februari 2015 met producties;

  • -

    de incidentele conclusie, met productie;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident;

  • -

    het vonnis in incident van 26 juni 2015;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis waarbij een comparitie van partijen is bepaald op 9 oktober 2015;

  • -

    de brief van SNCU van 16 oktober 2015.

1.2.

Bij conclusie van antwoord in de hoofdzaak heeft [gedaagde] verklaard af te zien van de hem bij vonnis in incident geboden mogelijkheid tot oproeping in vrijwaring.

1.3.

Partijen hebben ter comparitie van partijen verzocht de zaak aan te houden om zich te bezinnen op / te overleggen over eventuele aanhouding van de zaak om zo [gedaagde] in de gelegenheid te stellen nader (boekhoudkundig) onderzoek te laten verrichten en gegevens aan SNCU te verschaffen. Bij voormeld schrijven van 16 oktober 2015 heeft SNCU laten weten niet meer van [gedaagde] te hebben vernomen en verzocht de procedure te continueren.

1.4.

Het vonnis is (nader) bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De SNCU is in februari 2004 opgericht door werknemersorganisaties (FNV Bondgenoten, CNV Dienstenbond en De Unie) en de werkgeversorganisatie in de uitzendbranche ABU.

2.2.

De SNCU heeft krachtens haar statuten, die zijn opgenomen in de CAO SFU, mede als taak het toezien op een correcte naleving van de ABU CAO voor Uitzendkrachten, de NBBU CAO voor uitzendkrachten en de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche (hierna gezamenlijk ook: de CAO’s) en verricht daartoe onder meer onderzoek en controles in de uitzendbranche. De SNCU heeft een deel van haar bevoegdheden overgedragen aan de Commissie Naleving voor uitzendkrachten (hierna: de CNCU).

De CAO SFU was over de periode 28 juni 2009 tot en met 27 maart 2011 algemeen verbindend verklaard.

2.3.

In artikel 4 van de statuten van de SNCU staan de middelen beschreven die de SNCU ter beschikking staan om haar doel te bereiken. In dat kader verzamelt de SNCU gegevens over arbeidsvoorwaarden en treedt zij namens de werknemers- en werkgeversorganisaties op in en buiten rechte tegen hen die de bepalingen van de CAO’s voor uitzendkrachten niet getrouwelijk naleven. Met betrekking tot de voorwaarden en werkwijzen van de SNCU zijn nadere reglementen opgesteld.

2.4.

In artikel 6 van Reglement II zijn thans opgenomen de bepalingen omtrent te betalen schadevergoedingen (voorheen d.w.z. tot 2007 opgenomen in artikel 46 van de toenmalige CAO). Dit artikel luidt als volgt:

“Artikel 6

1. Indien een werkgever na ingebrekestelling door of namens de SNCU gedurende ten minste tien werkdagen nalatig blijft de vanwege de SNCU verzochte gegevens met betrekking tot de wijze waarop hij de CAO’s naleeft, te verstrekken, dan wel onjuiste gegevens verstrekt, is hij verplicht door dat enkele feit aan de SNCU een forfaitaire schadevergoeding te betalen. De SNCU kan besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van het innen van deze schadevergoeding indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

2. Indien een werkgever na ingebrekestelling door of namens de SNCU gedurende tien werkdagen volhardt bij het niet naleven van de CAO’s op de in de ingebrekestelling vermelde punten, is hij – onverminderd het gestelde onder a. – verplicht aan de SNCU een door het bestuur te bepalen schadevergoeding te betalen. Bij het bepalen van de schadevergoeding wordt in ieder geval rekening gehouden met de aard, de omvang en de duur van de niet-naleving, alsmede met de loonsom van de onderneming van de betrokken werkgever. Daarnaast kan rekening worden gehouden met de mate waarin die werkgever alsnog achterstallige verplichtingen jegens zijn personeel nakomt dan wel zekerheid stelt voor een correcte naleving van de CAO’s. DE SNCU kan besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van het innen van deze schadevergoeding indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

3. De schadevergoeding dient ter dekking van de kosten die SNCU maakt en de ter deze zake verkregen middelen worden toegevoegd aan de geldmiddelen van de SNCU tot dekking van de kosten die de SNCU moet maken als gevolg van haar toezichthoudende taak ten aanzien van de wijze waarop de CAO’s worden nageleefd.

4. De SNCU hoeft niet aan te tonen dat zij schade in de omvang als door haar gevorderd ook daadwerkelijk heeft geleden.”

De hoogte van de in lid 1 en lid 2 bedoelde schadevergoedingen worden vastgesteld conform een door het bestuur van de SNCU vastgestelde beleidsnotitie.
In deze beleidsnotitie zijn met betrekking tot de in artikel 6 lid 2 bedoelde schadevergoeding onder meer de navolgende passages opgenomen.

bladzijde 5:

“(…)

De minimumschadeverplichting is EUR 5000,--. Het maximum is EUR 100.000,--.

(…)”

bladzijde 7:

“(…)

Indien de SNCU tot de conclusie moet komen dat (een deel van) de materiële benadeling niet aan de betrokken werknemers is uitgekeerd, zal een bedrag ter gelijke hoogte aan het (resterende) bedrag opgelegd worden als een aanvullende forfaitaire schadevergoeding, welke schadevergoeding niet in mindering strekt op een eventueel reeds eerder opgelegde (forfaitaire) schadevergoeding, noch de werkgever ontslaat van haar voortdurende verplichting de materiële benadeling ongedaan te maken.
(…)”

2.5.

[gedaagde] drijft een onderneming in de aardappelen-, groente en fruitbranche, alwaar hij diensten verleent op het gebied van in- en ompakken van dergelijke producten.

2.6.

[gedaagde] heeft zich h.o.d.n ‘[handelsnaam gedaagde]’ in het verleden tevens bezig gehouden met ‘payrolling’ activiteiten. Als zodanig heeft hij met de eigenaar van Grillroom “Piramide”B.V. afgesproken dat het personeel van deze vennootschap door [gedaagde] zou worden verloond en dat [gedaagde] aan Grillroom Piramide B.V. zou factureren.

2.7.

De arbeidsverhouding met de aldus verloonde werknemers valt onder de werkingssfeer van de CAO’s voor uitzendkrachten.

2.8.

Op 16 juli 2012 heeft SNCU [gedaagde] schriftelijk geïnformeerd over haar onderzoek naar de juiste toepassing van de CAO’s voor uitzendkrachten binnen de onderneming van [gedaagde] en hem verzocht om toezending van een aantal gegevens zoals de schriftelijke arbeidsovereenkomsten, afschriften van loonspecificaties e.d. en opgave en bewijs van afdracht aan de Stichting Fonds Uitzendkrachten (SFU) over de jaren 2009, 2010 en 2011.

2.9.

Op 20 augustus 2012 heeft [gedaagde] aan voormeld verzoek voldaan en aan de CNCU de benodigde gegevens verstrekt.

2.10.

Op 18 december 2012 heeft de CNCU een gegrond vermoeden van niet-naleven van de CAO’s voor uitzendkrachten vastgesteld en besloten dat er een onafhankelijk onderzoek ter plaatste diende te worden uitgevoerd door een onafhankelijke controle instelling.

2.11.

Op 14 februari 2013 heeft een onderzoek plaatsgevonden uitgevoerd door VRO Services B.V. (hierna: VRO), waarbij diverse materiële en immateriële afwijkingen zijn geconstateerd en een indicatieve materiële schadelast aan te weinig betaald loon is bepaald op € 60.345,00. Na vastlegging en toezending van een concept rapportage aan [gedaagde], die daarop niet heeft gereageerd, zijn deze bevindingen vastgelegd in een definitief rapport d.d. 19 april 2013, welk rapport aan de CNCU en aan [gedaagde] is toegestuurd.

2.12.

Op 16 september heeft de SNCU [gedaagde] gesommeerd te verklaren dat met terugwerkende kracht de CAO’s voor uitzendkrachten zullen worden nageleefd en onder aanzegging dat bij gebreke daarvan [gedaagde] op grond van artikel 6 lid 2 van het reglement II een schadevergoeding van € 5.000,00 verschuldigd zal zijn. Bij schrijven van 1 oktober 2013 is een aanvullende termijn van veertien dagen gesteld.

2.13.

Bij brief van 14 oktober 2013 heeft [gedaagde] voormelde verklaring afgegeven en toegezegd mee te werken aan een hercontrole.

2.14.

Bij brief van 11 november 2013 heeft de SNCU [gedaagde] aangezegd dat hij gehouden is de bij hercontrole vastgestelde materiële schadelast jegens de uitzendkrachten te compenseren, bij gebreke waarvan [gedaagde] een bedrag ter gelijke hoogte van het niet gecompenseerde gedeelte aan materiële benadeling aan de SNCU als aanvullende schadevergoeding dient te betalen.

2.15.

Op 12 maart 2014 heeft de hercontrole plaatsgevonden, uitgevoerd door de controle-instelling Providius. Deze heeft geconstateerd dat de verschuldigde nabetaling aan de uitzendkrachten ten bedrage van € 60.345,00 niet is nagekomen en dat gedurende de controle in 2013 niet de juiste loongegevens zijn verstrekt. Een en ander is neergelegd in een rapportage van 2 juni 2014.

2.16.

Bij brief van 28 oktober 2014 heeft SNCU [gedaagde] gesommeerd binnen vier weken tot nabetaling van de vastgestelde materiële benadeling van € 60.345,00 over te gaan, onder overlegging van betalingsbewijzen en loonspecificaties, onder aanzegging dat bij gebreke daarvan een forfaitaire schadevergoeding van € 5.000,00 is verschuldigd. Daarop heeft [gedaagde] niet gereageerd.

3 De vordering

3.1.

SNCU heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen tot naleving van de algemeen verbindend verklaard cao-bepalingen van de CAO’s voor Uitzendkrachten, één en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dan wel gedeelte van een dag waarop [gedaagde], na ommekomst van veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen tijdstip, nalatig zal blijken aan een dergelijke veroordeling te voldoen;

II. [gedaagde] te veroordelen om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, tot nabetaling over te gaan van de materiële schadelast ad € 60.345,- aan de betrokken uitzendkrachten, althans een bedrag door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, na ommekomst van vier weken na betekening van het te wijzen vonnis, althans een tijdstip door de kantonrechter in goede justitie te bepalen;

III. [gedaagde] te veroordelen om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de SNCU te voldoen een bedrag van € 5.000,- als forfaitaire schadevergoeding, althans een bedrag door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 17 december 2014, althans een tijdstip door de kantonrechter in goede justitie te bepalen;

IV. [gedaagde] te veroordelen om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de SNCU te voldoen het niet binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis, althans een tijdstip door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, nabetaalde gedeelte van het onder II genoemde bedrag van € 60.345,-, althans een bedrag door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, als aanvullende schadevergoeding;

V. [gedaagde] te veroordelen om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de SNCU te voldoen een bedrag van € 1.815,- als een vergoeding voor de gemaakte buitengerechtelijke kosten, dan wel een bedrag door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, alsmede de buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 19 januari 2015, althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

VI. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding, alsmede in de nakosten ad € 131,- zonder betekening, dan wel € 199,- ingeval van betekening, althans een bedrag door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, en -voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn van voldoening.

3.2.

Aan die vorderingen heeft de SNCU – verkort en zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat [gedaagde] ondanks herhaalde aanmaning in gebreke is gebleven met naleving van de algemeen verbindend verklaarde CAO’s voor Uitzendkrachten. Dientengevolge is hij niet alleen verplicht de betrokken uitzendkrachten een bedrag ad (in totaal) € 60.345,- na te betalen, maar is hij op grond van de toepasselijke wet- en regelgeving tevens gehouden de SNCU de door haar gevorderde forfaitaire en aanvullende schadevergoeding te betalen, één en ander vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten.

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen sub I, IV en V, tot toewijsbaarheid van de vordering sub II maar slechts ten titel van achterstallige loonverplichting en tot referte ter zake de vordering onder sub III, onder compensatie van de proceskosten.

3.4.

Op de nadere stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling ingegaan.

4 De beoordeling

vorderingen tot naleving CAO

4.1.

De vorderingen als hiervoor weergegeven onder 3.1. sub I en II zien op naleving van de CAO. De onder sub I ingestelde vordering strekt tot naleving van de CAO voor uitzendkrachten in algemene zin, terwijl de vordering onder sub II er toe strekt dat [gedaagde] alsnog aan zijn verplichting tot betaling van het volledige CAO loon voldoet jegens de destijds verloonde werknemers.

4.2.

Nu [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat hij zich uitsluitend in 2010 heeft bezig gehouden met payrolling/detachering en thans niet meer, heeft SNCU geen belang bij haar onder sub I ingestelde vordering naast de vordering onder sub II. In zoverre slaagt het door [gedaagde] gevoerde verweer. Die vordering wordt dan ook afgewezen.

4.3.

De vordering onder sub II ziet op betaling van achterstallige loonverplichtingen en daarmee samenhangende verplichtingen en daartoe heeft [gedaagde] zich bereid verklaard. In de vordering is dat verwoord met de woorden “nabetaling van de materiële schadelast aan de betrokken uitzendkrachten”. Anders dan [gedaagde] kennelijke meent of vreest, is met “materiële schadelast” niet anders of meer bedoeld dan achterstallig loon. Deze aanduiding is als zodanig ook niet onjuist, aangezien het nog niet betaald zijn daarvan is te beschouwen als schadepost voor de betreffende uitzendkrachten. Voor zover deze door [gedaagde] opgeworpen punten al als inhoudelijk verweer kwalificeren, wordt dit verweer dan ook verworpen. De vordering tot betaling van € 60.345,- aan de betrokken uitzendkrachten ligt daarmee voor toewijzing gereed.

vorderingen tot betaling schadevergoeding

4.4.

Aangaande de vordering tot betaling van de onder sub III gevorderde forfaitaire schadevergoeding van € 5.000,- heeft [gedaagde] zich gerefereerd aan het oordeel van de rechter . Het betreft hier het krachtens de beleidsregels van SNCU geldende minimale bedrag dat de SNCU aan schadevergoeding oplegt bij niet naleving van de CAO op grond van artikel 6 lid 1 Reglement II. Deze als boete te kwalificeren schadevergoeding is door SNCU aangezegd bij brieven van 16 september 2013 en 28 oktober 2014. De SNCU is niet verplicht aan te tonen dat de schade in de omvang als door haar gevorderd ook daadwerkelijk is geleden. De vordering tot betaling daarvan is niet onrechtmatig of ongegrond en zal worden toegewezen.

4.5.

SNCU heeft daarnaast (onder sub IV) een aanvullende schadevergoeding gevorderd van € 60.345, - een bedrag gelijk aan het bedrag aan achterstallige loonbetalingen. Zij beroept zich daarbij op artikel 6 lid 2 Reglement II en de beleidsnotitie SNCU.

[gedaagde] heeft deze vordering betwist daartoe stellende dat niet valt in te zien hoe SNCU naast de vordering onder sub II aanvullende schade kan vorderen tot het niet betaalde deel van dat bedrag. Daarnaast stelt hij dat een vordering tot schadevergoeding anders dan de forfaitaire schade als reeds gevorderd onder sub III een rechtsgrondslag ontbeert.

4.6.

De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] kennelijk uitgaat van een verkeerde lezing van de inhoud van vordering sub IV in relatie tot vordering sub II. Deze vergoeding vordert zij immers niet naast de vergoeding als gevorderd onder sub II, maar slechts voorwaardelijk, namelijk indien en voor zover [gedaagde] niet voldoet aan de veroordeling tot nabetaling van het achterstallige loon als gevorderd onder sub II, zoals blijkt uit de bewoordingen van de vordering “(..) het niet (…) nabetaalde gedeelte van het onder II genoemde bedrag(…)” Deze schadevergoeding moet naar het oordeel van de kantonrechter eveneens als een boete en wel op het niet tijdig voldoen en derhalve op vertraging in de nakoming van de loonbetalingsverplichting op grond van de CAO. SNCU is daartoe gerechtigd op grond van artikel 6 lid 2 Reglement II en handelt daarbij bovendien conform haar beleidsnotitie ter zake (beleidsregels blz. 5, zie onder 2.4). Artikel 6:92 lid 1 BW staat aan een en ander niet in de weg (Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 322; zo ook: Hof Den Haag, 17 maart 2015, ECLI:NL:GHDH:2015:614, rov. 2.34). Dit bedrag strekt ook niet in mindering op de eerdere opgelegde forfaitaire schadevergoeding als thans gevorderd onder sub III (beleidsregels blz. 7, zie onder 2.4). De conclusie is dat het onder sub IV gevorderde eveneens voor toewijzing gereed ligt.

buitengerechtelijke kosten

4.7.

[gedaagde] betwist de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten. Niet gebleken is dat daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en voor zover wel, is vergoeding hiervan inbegrepen in de forfaitaire schadevergoeding. Het onder sub IV gevorderde bedrag wordt derhalve afgewezen.

proceskosten

4.8.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten als hierna bepaald.

4.9.

De door SNCU apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, tot nabetaling over te gaan van de materiële schadelast ad € 60.345,- aan de betrokken uitzendkrachten binnen vier weken na betekening van dit vonnis;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de SNCU te voldoen een bedrag van € 5.000,- als forfaitaire schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 17 december 2014;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de SNCU te voldoen het niet binnen vier weken na betekening van dit vonnis nabetaalde gedeelte van het onder 5.1 genoemde bedrag van € 60.345,- als aanvullende schadevergoeding;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van SNCU vastgesteld op € 94,19 aan dagvaardingskosten, € 932,40,- aan griffierecht en € 1.800,- aan salaris voor haar gemachtigde, én, indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, begroot op € 131,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,- aan kosten voor betekening onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, één en ander voor zover van toepassing inclusief BTW, al deze kosten vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

464