Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:3163

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
KTN-4712534_08042016
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWZ; art. 7:671b BW jo. art. 7:669 lid 3 sub e BW. Ontbinding arbeidsovereenkomst op basis van de e-grond, geen ernstige verwijtbaarheid werknemer gelet op lichamelijke en geestelijke beperkingen, WSW-indicatie, transitievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1250
AR-Updates.nl 2016-0472
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4712534 VZ VERZ 15-23591

uitspraak: 8 april 2016

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

het Openbaar Lichaam,

Stroomopwaarts MVS,

gevestigd te Schiedam,

verzoekster,

verweerster in het zelfstandig tegenverzoek,

gemachtigde: mr. H.L.A. Ko, advocaat te Rotterdam,

tegen

Dyon [verweerder],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

verzoeker in het zelfstandige tegenverzoek,

gemachtigde: mr. R. Lageweg, advocaat te Oud-Beijerland.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als “Stroomopwaarts” resp. “ [verweerder] ”.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

 het verzoekschrift ex artikel 7:671b lid 1 sub a BW met producties, ter griffie ontvangen op 28 december 2015;

 het verweerschrift ex artikel 7:671b BW tevens zelfstandig tegenverzoek, ter griffie ontvangen op 9 februari 2016;

 de op 18 februari 2016 aan de zijde van Stroomopwaarts overgelegde aanvullende productie.

1.2.

Het verzoek is op 19 februari 2016 mondeling behandeld. Namens Stroomopwaarts zijn verschenen de heer [B.] en mevrouw [T.] (P&O adviseur), bijgestaan door mrs. H.L.A. Ko en I. Kriens. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R. Lageweg. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, de gemachtigden van Stroomopwaarts onder overlegging van een pleitnota.

1.3.

Na de mondelinge behandeling is de procedure op verzoek van partijen tot uiteindelijk 25 maart 2016 aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Op 25 maart 2016 heeft de gemachtigde van Stroomopwaarts bericht dat partijen er onderling niet uit zijn gekomen en is verzocht om een beschikking af te geven.

1.4.

De uitspraak van de beschikking is vervolgens bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten.

2.1.

Stroomopwaarts geeft uitvoering aan de Participatiewet die per 1 januari 2015 onder meer de Wet Sociale Werkvoorziening (hierna: WSW) vervangt. De Participatiewet is er om zoveel mogelijk mensen met een arbeidsbeperking werk te laten vinden.

2.2.

Sinds 31 januari 2007 heeft [verweerder] door lichamelijke en psychische beperkingen een WSW-indicatie.

2.3.

[verweerder] is op 31 december 2009 bij (een rechtsvoorgangster van) Stroomopwaarts in dienst getreden en was laatstelijk werkzaam in de functie van medewerker Groen en Milieu. Het salaris bedraagt € 1.528,- bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst is de cao sociale werkvoorziening van toepassing.

2.4.

Op 1 februari 2014 is de groep van [verweerder] overgeplaatst naar Irado N.V. (hierna: Irado). Op 19 mei 2014 ontstond er een conflict tussen [verweerder] en zijn werkleider de heer [D.] . Daarna heeft [verweerder] zich ziek gemeld.

2.5.

De bedrijfsarts heeft [verweerder] vanaf 18 mei 2014 hersteld gemeld, omdat weliswaar sprake was van een arbeidsconflict maar geen ziekte van [verweerder] . [verweerder] is daarna niet op het werk verschenen.

2.6.

De op 18 en 25 juni 2014 geplande gesprekken met [verweerder] , de heer [D.] , de jobcoach van [verweerder] en de bedrijfsarts zijn niet doorgegaan.

2.7.

Op 4 juli 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Stroomopwaarts en [verweerder] . In dat kader is bij brief van 25 juli 2014 onder meer het volgende aan [verweerder] bericht:

“(…)

Hierbij bevestig ik het gesprek dat met u heeft plaats gehad op 4 juli jl. in aanwezigheid van mevrouw [H.] en mevrouw [T.] .

Uit de overdracht met de bedrijfsarts is gebleken dat u niet langer arbeidsongeschikt bent vanwege een arbeidsconflict. De bedrijfsarts heeft meerdere malen voorgesteld om in gesprek te gaan met uw leidinggevende bij Irado, de heer [D.] , in aanwezigheid van de bedrijfsarts zelf (…). U heeft dit gesprek tot tweemaal toe geweigerd. Daarbij heeft u ook uw werkzaamheden niet hervat. U gaf tijdens het gesprek aan dat u niet in gesprek wenst te gaan met iemand die u onmenselijk behandelt.

Hiertoe bent u tijdens het gesprek van 4 juli gewezen op het feit dat het niet meewerken aan het oplossen van een arbeidsconflict en het niet hervatten van de werkzaamheden, consequenties heeft.

Om tot een andere oplossing te komen om toch aan het werk te gaan is u het voorstel gedaan om in de groengroep bij TBV aan de slag te gaan. U gaf aan graag mee te willen werken aan een mogelijke oplossing. (…) Zowel de bedrijfsarts als TBV vonden dit geen geschikte oplossing (…)

Hiertoe heeft de bedrijfsarts geadviseerd een vervroegde WIA op te starten en tegelijkertijd een traject ondergrens bij 13 weken ziekteverzuim op te starten. Dit advies zullen wij overnemen. (…)”

2.8.

Op verzoek van de gemachtigde van [verweerder] is bij brief van 17 september 2014 aan Irado verzocht na te denken over een mogelijke terugkeer van [verweerder] in het team van gedetacheerden. Irado heeft bij brief van 17 september 2014 laten weten dat een terugkeer van [verweerder] niet meer mogelijk is, gezien de agressieve houding van [verweerder] ten opzichte van leidinggevenden en de onwelwillendheid van [verweerder] om het ontstane conflict als volwassen mensen te willen oplossen.

2.9.

Op verzoek van Stroomopwaarts heeft de bedrijfsarts op 1 oktober 2014 een Functie Mogelijkheden Lijst (hierna: de FML) opgesteld. Uit de FML is – kort gezegd – gebleken dat [verweerder] om te functioneren een hele rustige en stabiele werkplek nodig heeft met veel structuur, eenduidig werk, weinig collega’s om hem heen en weinig onverwachte prikkels of andere zaken die tot stress kunnen leiden.

2.10.

Medio oktober 2014 is een arbeidsdeskundig onderzoek gestart naar de arbeidsmogelijkheden van [verweerder] in het algemeen en de passendheid van de functie van medewerker Groen voor [verweerder] in het bijzonder. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige van 15 januari 2015 volgt – kort gezegd – dat de huidige functie van [verweerder] , medewerker Groen, niet passend is.

2.11.

Op 22 juni 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen onder meer de bedrijfsarts, mevrouw [T.] en [verweerder] over een passende functie voor [verweerder] naar aanleiding van het arbeidsdeskundigenrapport.

2.12.

Bij brief van 23 juni 2015 heeft Stroomopwaarts onder meer het volgende – voor zover van belang – aan [verweerder] bericht:

“(…)

Reeds lange tijd zijn we bezig om voor u passende werkzaamheden te vinden. Dat viel niet mee, gezien het feit dat uw plaatsing bij Irado is mislukt en uw mogelijkheden beperkt zijn. Ook een gesprek bij de afdeling groen in Vlaardingen leidde niet tot een plaatsing.

(…)

(…) heeft samen met de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige toch nog gezocht naar een mogelijkheid voor u. We hebben deze gevonden in de functie van algemeen medewerker op de afdeling Machinaal/Verpakken bij TBV in Vlaardingen.

Op 22 juni 2015 hebben wij dit met u besproken. U hebt aangegeven de functie niet te willen vervullen omdat u geen vervoer hebt en op tijd thuis wilt zijn voor uw vrouw. Wij hebben u aangegeven dat uw WSW indicatie geen vervoersindicatie bevat en u dus geen recht hebt op vervoer in de vorm van een 45 km auto of anders. Wij hebben u aangegeven dat u uw vervoer van [woonplaats] naar Vlaardingen (minder dan 10 km!) zelf moet regelen. U hebt aangegeven uw vervoer niet te kunnen regelen en de functie dus niet te willen vervullen.

Wij wijzen u er op dat u in dienst bent van (…) en dat u verplicht bent een passende functie die wij u aanbieden te vervullen. We roepen u daarom nogmaals op de functie te gaan vervullen. Blijft u weigeren dan zal (…) dat opvatten als werkweigering, waardoor wij in dit geval genoodzaakt zijn ontslag aan te vragen. (…)”

2.13.

Na overleg tussen de gemachtigden van partijen is [verweerder] met de functie van algemeen medewerker op de afdeling Machinaal/Verpakken bij TBV in Vlaardingen akkoord gegaan op voorwaarde dat Stroomopwaarts een fiets voor hem ter beschikking stelt. Daarop heeft Stroomopwaarts [verweerder] een fiets, zonder het eigen risico van € 100,- ter beschikking gesteld. [verweerder] zou op 3 augustus 2015 bij TBV beginnen.

2.14.

Bij e-mail van 25 augustus 2015 heeft de leidinggevende van [verweerder] bij TBV aan onder meer mevrouw [T.] een verslag van de re-integratie van [verweerder] toegezonden.

2.15.

[verweerder] is op 26 augustus 2015 niet op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen.

2.16.

Bij e-mail van 1 september 2015 heeft [verweerder] het volgende aan Stroomopwaarts bericht:

“(…)

Zou jij op korte termijn een gesprek met de bedrijfsarts (…) jij zelf en ik in kunnen plannen [voornaam 1] en [voornaam 2] hoeven hun gezichten niet te vertonen bij dit gesprek, want dat wens ik niet.

Als ze zo graag willen, dat ik in de binnendienst blij werken, dan moeten ze maar kijken om mij bij de (…) terug te plaatsen en dan in goed overleg (…)

Terug naar de TBV is geen optie en ik weiger dit te doen.

Ze zullen het wel gooien op werkweigering, maar ik weiger het werk niet, maar de locatie. (…)”

2.17.

Op 3 september 2015 heeft Stroomopwaarts de loondoorbetaling aan [verweerder] stopgezet en is aan [verweerder] per brief van diezelfde datum meegedeeld dat Stroomopwaarts voornemens is zijn dienstverband te beëindigen. Deze brief luidt – voor zover van belang – als volgt.

“(…)

Wij vonden deze werkplek bij Stroomopwaarts (…) te Vlaardingen per 1 juli 2015.

In eerste instantie weigerde u de functie omdat u geen vervoer had. De afstand van huis naar werk was 7 kilometer en u had geen fiets en ok geen geld om een fiets te kopen. Openbaar vervoer was geen optie voor omdat uw vrouw diabetes heeft en u snel bij haar wilde kunnen zijn als er iets aan de hand was. Na overleg tussen onze advocaten vonden we de oplossing in het aanschaffen van een tweedehands fiets.

Op donderdag 6 augustus 2015 bent u uiteindelijk uw werkzaamheden bij Stroomopwaarts, locatie Vlaardingen, gestart. Uw werkhervatting verliep echter niet voorspoedig. Op uw eerste werkdag kwam u een kwartier te laat. Op deze dag heeft u tot 12.00 uur gewerkt.

Vrijdag 7 augustus 2015 heeft u de heer [W.] gebeld om een verlofdag op te nemen, omdat uw vrouw die dag uit het ziekenhuis werd ontslagen.

Op zondag 9 augustus 2015 hebt u de voicemail van uw jobcoach (…) ingesproken met de mededeling “dat het helemaal niet goed gaat met u en dat u 2 weken ertussen uit moest en in die tijd lastig bereikbaar zou zijn”. Formeel heeft u geen verlof aangevraagd en bent u zonder toestemming 2 weken afwezig geweest. (…) Uw jobcoach heeft uw voicemail ingesproken met het verzoek terug te bellen. Echter hebt u aan deze oproepen geen gehoor gegeven.

Op maandag 24 augustus 2015 kwam u 10 minuten te laat op het werk wegens privéomstandigheden. (…) Na de pauze van 9.30 uur bent u, zonder enige kennisgeving, niet meer verschenen op het werk. Wel bent u rond de klok van 13.00 uur bij de bedrijfsarts (…) te Schiedam langs gegaan om aan te geven dat u later in de middag niet op het spreekuur kon verschijnen. (…)

Dinsdag 25 augustus 2015 verscheen u niet op tijd op uw werk. (…) Na aankomst op het werk rond de klok van 9.30 uur eiste u een gesprek met de heer [W.] . Hierop gaf de heer [W.] aan dat u niets te eisen had en dat u na de pauze bij hem terecht kon. U gaf aan zich niet zo te laten behandelen, (…) en bent al bellend (… vertrokken van het werk op uw fiets.

Woensdag 26 augustus 2015 bent u, zonder enige kennisgeving, niet verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts.

Donderdag 27 augustus 2015 hebt u contact gehad met mevrouw [M.] (…) over het niet verschijnen op het spreekuur bij de bedrijfsarts.(…)

Bij uw jobcoach hebt u aangegeven dat u het hebt geprobeerd bij Stroomopwaarts, locatie Vlaardingen. De eerder genoemde gedragingen wijzen anders uit. Door uw gedragingen hebt u uw positie op de werkvloer bij Stroomopwaarts locatie Vlaardingen onhoudbaar gemaakt.

Wij concluderen dat u noch in de uitvoering van uw werkzaamheden noch in het kader van uw re-integratie de instructies en voorschriften van Stroomopwaarts opvolgt. (…)Uw salarisbetaling is per 25 augustus 2015 stop gezet. Tevens zijn wij voornemens uw dienstverband te beëindigen.”

2.18.

Op 24 september 2015 heeft nog een gesprek plaatsgevonden tussen Stroomopwaarts en [verweerder] , in aanwezigheid van de gemachtigden, over het voornemen van Stroomopwaarts om het dienstverband te beëindigen.

3 Het verzoek

3.1.

Het verzoek van Stroomopwaarts strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst primair op grond van artikel 7:671b BW jo. artikel 7:669 lid 1 en lid 3 sub e BW (verwijtbaar handelen), subsidiair op grond van artikel 7:671b BW jo. artikel 7:669 lid 1 en lid 3 sub g BW (verstoorde arbeidsverhouding) en meer subsidiair op grond van andere dan de in artikel 7:669 lid 3 sub a t/m g BW genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren als bedoeld in artikel 7:669 lid 1 en lid 3 sub h BW, zonder rekening te houden met de opzegtermijn en zonder toekenning van een transitievergoeding of enige andere vergoeding aan [verweerder] wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan het verzoek heeft Stroomopwaarts – zakelijk weergegeven en voor zover thans van
belang – het volgende ten grondslag gelegd.

a. a) Primair heeft [verweerder] ernstig verwijtbaar gehandeld door op oneigenlijke gronden te weigeren zijn werk te doen, totaal geen inzet te tonen en zich als een slecht werknemer te gedragen. [verweerder] kwam niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening en dient net als veel andere WSW-ers zelf voor vervoer van en naar werk te zorgen. Toch is Stroomopwaarts hem tegemoet gekomen door hem een fiets ter beschikking te stellen voor de afstand tussen Vlaardingen en [woonplaats] van 6,7 km, van welke fiets hij nauwelijks gebruik heeft gemaakt. Nu [verweerder] wist hoe beperkt zijn mogelijkheden bij Stroomopwaarts waren, mocht van hem meer inzet worden verwacht. Door na 1,5 jaar thuis te zitten een passende functie te weigeren, heeft hij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst gefrustreerd. Dat is ernstig verwijtbaar.

b) Subsidiair is volgens Stroomopwaarts sprake van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voort te zetten. Er is in de afgelopen jaren vanuit Stroomopwaarts veel inzet getoond en is er zoveel mogelijk rekening gehouden met de beperkingen van [verweerder] . [verweerder] houdt zich echter aan geen enkele afspraak, komt te laat op het werk, blijft van het werk weg en weigert hardnekkig een passende functie uit te oefenen. Stroomopwaarts heeft er geen vertrouwen in dat [verweerder] hierin van houding verandert en kan zo niet meer met hem werken.

c) Meer subsidiair heeft Stroomopwaarts gesteld dat haar mogelijkheden ten aanzien van het plaatsen van [verweerder] op een voor hem geschikte, passende werkplek zijn uitgeput. De enige functie die aansloot op de vereiste voorwaarden conform de FML heeft [verweerder] geweigerd en een andere geschikte werkplek is niet voorhanden.

3.3.

Nu er geen passende werkplek meer voorhanden is, is herplaatsing van [verweerder] feitelijk niet mogelijk, ook vanwege het verwijtbaar handelen en de verstoorde arbeidsverhouding.

3.4.

[verweerder] komt niet in aanmerking voor een transitievergoeding of voor een billijke vergoeding in aanmerking, omdat het aan hem zelf te wijten is dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt verzocht en er zelfs sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerder] , waardoor ook inachtneming van de wettelijke opzegtermijn niet noodzakelijk is.

4 Het verweer en het zelfstandig tegenverzoek

4.1.

Het verweer van [verweerder] strekt primair tot afwijzing van het verzoek, subsidiair tot inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden en toekenning van een transitievergoeding van € 3.300,- bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede een billijke vergoeding (conform de kantonrechtersformule) van € 9.900,- bij C=1, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, en primair en subsidiair tot veroordeling van Stroomopwaarts tot betaling van het achterstallige loon, vermeerderd met de vakantiebijslag en overige emolumenten, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Stroomopwaarts in de kosten van deze procedure. Daartoe heeft [verweerder] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd.

4.2.

Het aangeboden werk wordt niet geweigerd, maar de locatie waar de werkzaamheden verricht moeten worden is in verband met privéomstandigheden te ver gelegen vanaf de woning van [verweerder] te [woonplaats] . De afstand tussen TBV te Vlaardingen en de woning te [woonplaats] is gelet op de privéomstandigheden van [verweerder] (lichamelijke beperkingen van [verweerder] en de gezondheidsproblemen van wijlen de echtgenote van [verweerder] ) onoverkomelijk en Stroomopwaarts was van deze omstandigheden op de hoogte. [verweerder] heeft zich ingezet en welwillend opgesteld om tot een oplossing te komen, maar met de voorstellen om [verweerder] te werk te stellen op de sociale werkplaats te [woonplaats] en om een snorfiets dan wel soortgelijk vervoermiddel ter beschikking te stellen, is Stroomopwaarts niet akkoord gegaan. Het is dan ook aan Stroomopwaarts te wijten dat [verweerder] na ruim twee jaar nog steeds geen vervangende werkplek aangeboden heeft gekregen.

4.3.

Er is evenmin sprake van een dusdanig verstoorde arbeidsverhouding dat deze niet meer zou kunnen worden hersteld. Het is aan Stroomopwaarts te wijten dat [verweerder] gedurende een zeer lange periode thuis heeft gezeten, omdat Stroomopwaarts kennelijk in de veronderstelling was dat [verweerder] ziek was gemeld bij het UWV, hetgeen niet het geval was.

4.4.

Stroomopwaarts is gedurende twee jaar passief geweest doordat zij in de veronderstelling verkeerde dat [verweerder] ziek was. Hierdoor heeft het lang geduurd voordat Stroomopwaarts met aangepaste werkzaamheden kwam. De beperkingen van [verweerder] zijn niet dusdanig toegenomen dat Stroomopwaarts geen werk meet voor hem zou kunnen.

4.5.

Stroomopwaarts dient zich in te spannen om [verweerder] te herplaatsen, waarbij wordt gewezen op de locatie te [woonplaats] waar [verweerder] werkzaamheden zou kunnen uitvoeren.

4.6.

Tot slot maakt [verweerder] , in het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, aanspraak op een transitievergoeding en een billijke vergoeding vanwege ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Stroomopwaarts door hem gedurende lange tijd thuis te laten zitten terwijl hij arbeidsgeschikt was.

Het zelfstandig tegenverzoek (betaling achterstallig salaris)

4.7.

Aan zijn vordering tot betaling van achterstallig salaris vanaf 3 september 2015 heeft [verweerder] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat Stroomopwaarts de salarisbetaling ten onrechte heeft stopgezet, dat hij daardoor in grote financiële problemen gekomen en dat de hierdoor veroorzaakte stress niet bevorderlijk is voor de arbeidsverhouding tussen [verweerder] en Stroomopwaarts.

4.8.

Stroomopwaarts heeft tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek van [verweerder] . Op dit verweer zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan.

5 De beoordeling

Opzegverboden

5.1.

Van opzegverboden zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW is ten aanzien van het onderhavige verzoek niet gebleken.

Juridisch kader

5.2.

Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden, indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Die eisen gelden volgens artikel 7:671b lid 2, eerste volzin, BW ook voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. In artikel 7:669 lid 3 BW is (limitatief) omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

Verwijtbaar handelen of nalaten

5.3.

Uit artikel 7:699 aanhef en lid 3 sub e BW volgt dat de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Hierbij is de mate van het verwijtbaar handelen of nalaten bepalend voor de vraag of sprake is van een redelijke grond voor ontslag. In het onderhavige geval is de kantonrechter van oordeel dat [verweerder] met betrekking tot zijn tewerkstelling in een voor hem passende functie zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van Stroomopwaarts in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij dit oordeel zijn de navolgende omstandigheden betrokken.

5.4.

Directe aanleiding voor het zoeken naar een andere, passende, werkplek voor [verweerder] is het incident tussen [verweerder] en zijn werkleider de heer [D.] in mei 2014. Desgevraagd heeft [verweerder] ter zitting verklaard dat hij met de heer [D.] een conflict kreeg door de manier waarop hij door de heer [D.] werd behandeld, dat dit conflict is gaan escaleren en dat Stroomopwaarts hem ondanks meerdere verzoeken niet heeft overgeplaatst. [verweerder] verliest hierbij uit het oog dat hij hierin ook een eigen verantwoordelijkheid heeft. Het had immers op zijn weg gelegen om, al dan niet met behulp van zijn jobcoach, ter beëindiging van het arbeidsconflict het conflict met de heer [D.] uit te praten. [verweerder] heeft echter elk gesprek met de heer [D.] geweigerd en verzocht om overplaatsing, hetgeen er uiteindelijk in heeft geresulteerd dat een terugkeer van [verweerder] bij Irado niet meer door Irado werd geaccepteerd.

5.5.

Vervolgens is Stroomopwaarts binnen haar organisatie gaan zoeken naar een andere, voor [verweerder] geschikte en passende, werkplek, waarbij de FML en de rapportage van de arbeidsdeskundige terecht als uitgangspunt zijn genomen. Door middel van deze documenten, waarvan de inhoud niet door [verweerder] is weersproken, is immers in kaart gebracht welke mogelijkheden [verweerder] heeft en wat voor soort werkplek voor [verweerder] geschikt zou zijn, rekening houdend met zijn lichamelijke en psychische beperkingen. Dat er, gelet op de beperkingen van [verweerder] , geen geschikte werkplek was in [woonplaats] , waar de voorkeur van [verweerder] naar uitging, kan Stroomopwaarts niet worden verweten. Zij had zich immers in het belang van [verweerder] te houden aan de resultaten van het arbeidsdeskundig onderzoek.

5.6.

[verweerder] heeft de voor hem geschikte werkplek bij TBV in Vlaardingen uiteindelijk geen (serieuze) kans gegeven. Immers, ook nadat Stroomopwaarts hem geheel onverplicht een tweedehands fiets ter beschikking had gesteld om de afstand tussen Vlaardingen en zijn woning in [woonplaats] te overbruggen, is [verweerder] nauwelijks bij TBV aan het werk geweest.

In dat kader volgt uit het verweer en de verklaring van [verweerder] ter zitting dat de afstand tussen [woonplaats] en Vlaardingen (een afstand van minder dan 10 kilometer) niet zozeer het probleem was als wel de zorg voor wijlen zijn echtgenote, waardoor [verweerder] indien nodig snel thuis moest kunnen zijn. Ten aanzien van de zorg voor wijlen zijn echtgenote, was er echter de mogelijkheid dat een van de andere medewerkers bij TBV [verweerder] met de auto naar huis had kunnen brengen, zo heeft Stroomopwaarts ter zitting verklaard. Ook al zou deze oplossing niet duidelijk genoeg naar [verweerder] zijn gecommuniceerd, zoals ter zitting namens [verweerder] is aangevoerd, dan spreekt het voor zich dat andere werknemers van Stroomopwaarts bereid zouden zijn geweest om [verweerder] met de auto thuis te brengen om wijlen zijn echtgenote te verzorgen. In dat kader wordt er nog op gewezen dat [verweerder] geen vervoersindicatie had, zodat Stroomopwaarts, voor zover zij die mogelijkheid al zou hebben gehad, ook niet verplicht was om [verweerder] een auto of een ander gemotoriseerd voertuig ter beschikking te stellen.

5.7.

Hoewel van Stroomopwaarts als bijzondere werkgever mag worden verwacht dat zij zich meer dan andere werkgevers inzet voor het op de juiste werkplek plaatsen van haar werknemers, zijn de grenzen van hetgeen van Stroomopwaarts in redelijkheid mag worden verwacht ten aanzien van [verweerder] thans bereikt. Ditzelfde geldt voor de mate waarin een werkgever een werknemer redelijkerwijs tegemoet kan komen ten aanzien van de privéomstandigheden van de werknemer. Ondanks de door Stroomopwaarts aangedragen oplossingen, zoals de fiets en het aanbod om hem met de auto naar huis te laten brengen, heeft [verweerder] het door zijn tegenwerkende houding onnodig moeilijk voor Stroomopwaarts gemaakt om een geschikte werkplek voor hem te vinden met inachtneming van de FML en de rapportage van de arbeidsdeskundige. Door steeds maar nieuwe blokkades op te werpen en eisen te stellen, heeft [verweerder] uiteindelijk al vanaf 18 mei 2014 geen, althans nauwelijks, werkzaamheden in dienst van Stroomopwaarts verricht. Deze gang van zaken is gelet op alle feiten en omstandigheden aan [verweerder] te verwijten en levert een redelijke grond op voor ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst.

5.8.

De vraag die rest is of sprake is van ‘ernstige’ verwijtbaarheid, zoals Stroomopwaarts heeft gesteld. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat bij ‘ernstige’ verwijtbaarheid bijvoorbeeld gedacht kan worden aan de situaties waarin de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal of andere misdrijven of veelvuldig en zonder gegronde reden te laat op zijn werk verschijnt waardoor de bedrijfsvoering wordt belemmerd (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 77). Hoewel het veelvuldig en zonder gegronde reden te laat op werk verschijnen ook in het geval van [verweerder] aan de orde lijkt te zijn, kan de situatie van [verweerder] gelet op zijn beperkingen en privéomstandigheden niet op één lijn worden gesteld met dit in de wetsgeschiedenis genoemde voorbeeld. Weliswaar heeft [verweerder] zich jegens Stroomopwaarts onvoldoende welwillend opgesteld ten aanzien van de hem geboden, passende, functie in Vlaardingen en valt hem dit gedrag te verwijten, maar [verweerder] heeft aanvankelijk wel over tewerkstelling bij TBV te Vlaardingen willen praten en hij heeft ook enige werkzaamheden bij TBV verricht. Er is in dit geval dan ook geen aanleiding om het gedrag van [verweerder] te kwalificeren als ernstig verwijtbaar.

5.9.

Nu de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van verwijtbaar handelen van [verweerder] kunnen de twee overige door Stroomopwaarts gestelde gronden onbesproken blijven.

5.10.

Het bovenstaande leidt ten aanzien van het verzoek van Stroomopwaarts tot de volgende conclusies.

Herplaatsing

5.11.

Nu sprake is van verwijtbaar handelen van [verweerder] ligt herplaatsing van [verweerder] binnen de organisatie van Stroomopwaarts niet in de rede.

Datum einde arbeidsovereenkomst

5.12.

Nu de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens verwijtbaar handelen van [verweerder] wordt het einde van de arbeidsovereenkomst, gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 sub a BW, bepaald op 1 juni 2016. Er is geen aanleiding om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op een eerder tijdstip te bepalen, zoals door Stroomopwaarts is verzocht, aangezien er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] .

Transitievergoeding

5.13.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd, de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden en geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Stroomopwaarts heeft de hoogte van de door [verweerder] verzochte transitievergoeding niet weersproken, zodat aan [verweerder] een transitievergoeding wordt toegekend van € 3.300,- bruto.

Billijke vergoeding

5.14.

Gelet op artikel 7:671b lid 8 sub c BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Uit voornoemde feiten en omstandigheden volgt immers dat Stroomopwaarts binnen haar mogelijkheden van alles heeft geprobeerd om [verweerder] tegemoet te komen ten aanzien van zijn privéomstandigheden, maar dat zij daar uiteindelijk door toedoen van [verweerder] niet in is geslaagd. Er is derhalve geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen.

Proceskosten

5.15.

[verweerder] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

Het tegenverzoek (betaling achterstallig salaris)

5.16.

Gelet op hetgeen hiervoor in 5.7 en 5.8 is geoordeeld, had Stroomopwaarts voldoende reden om de salarisbetaling aan [verweerder] per 25 augustus 2015 stop te zetten. Indien een arbeidsgeschikte werknemer door zijn eigen houding en ondanks de inspanningen van de werkgever immers geen werkzaamheden voor de werkgever verricht, is de werkgever niet gehouden om het salaris aan de werknemer te betalen. De oorzaak hiervan ligt geheel in de risicosfeer van [verweerder] , nu hij elke poging van Stroomopwaarts om hem weer aan het werk te krijgen heeft geblokkeerd en hij onvoldoende medewerking en inzet heeft getoond om zijn re-integratie bij TBV te Vlaardingen succesvol te laten verlopen. Bovendien is niet gebleken dat [verweerder] na 25 augustus 2015 actie heeft ondernomen om de stopzetting van zijn salaris ongedaan te maken, terwijl een loonsanctie nu juist is bedoeld als prikkel om [verweerder] weer aan het werk te krijgen, althans om het overleg tussen [verweerder] en Stroomopwaarts weer op gang te brengen. In plaats van in actie te komen, heeft [verweerder] echter een afwachtende houding aangenomen en heeft hij de verantwoordelijkheid voor de ontstane situatie destijds en ook tijdens de zitting onterecht geheel bij Stroomopwaarts gelegd. Het voorgaande betekent dat het tegenverzoek van [verweerder] wordt afgewezen.

5.17.

[verweerder] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

6 De beslissing

De kantonrechter,

ten aanzien van het verzoek van Stroomopwaarts:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2016;

kent aan [verweerder] een transitievergoeding van € 3.300,- bruto en veroordeelt Stroomopwaarts deze transitievergoeding aan [verweerder] te betalen;

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak worden vastgesteld op

€ 116,- aan griffierecht en € 400,- aan salaris voor de gemachtigde van Stroomopwaarts;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte;

ten aanzien van het tegenverzoek van [verweerder] :

wijst het verzoek af;

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak worden vastgesteld op

€ 200,- aan salaris voor de gemachtigde van Stroomopwaarts.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

879