Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:3157

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
10/741342-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige aanhouding en onrechtmatige doorzoeking auto. Geen bewijsuitsluiting na afweging factoren art 359a, tweede lid, Sv. Veroordeling voor bezit grote hoeveelheid harddrugs en vuurwapens tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/741342-15

Datum uitspraak: 15 april 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 april 2016.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Tiebosch heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten, met dien verstande dat de verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit zal worden vrijgesproken voor het bedrag: € 370,00;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest;

  • -

    verbeurdverklaring van het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 334.925,00.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Standpunt verdediging

Onder verwijzing naar een uitspraak van het Hof Amsterdam (vgl. Hof Amsterdam 21 december 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5307) heeft de raadsman aangevoerd dat de politie haar bevoegdheden te buiten is gegaan. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 december 1995 (vgl. Hoge Raad 19 december 1995, NJ 1996/249 (Zwolsman)) overwogen dat de politie ingevolge artikel 3 van de Politiewet 2012 (oud artikel 2 Politiewet 1993) bevoegd is in de fase voorafgaand aan die van de opsporing) handelingen te verrichten die de in artikel 3 opgedragen taak meebrengt, zoals observeren en schaduwen. Ook indien zulke verrichtingen een beperkte inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer biedt artikel 3 daarvoor een toereikende wettelijke grondslag.
In de onderhavige zaak was er echter sprake van een dusdanig gestructureerd en gecoördineerd politieoptreden, uitgevoerd door een politieteam met een coördinator op het politiebureau op de achtergrond, waardoor sprake is van een verkapte vorm van opsporingsonderzoek. Door een dergelijk optreden te baseren op de Politiewet zonder gebruik te maken van de opsporingsbevoegdheden van het Wetboek van Strafvordering, is feitelijk sprake van détournement de pouvoir en strijd met het legaliteitsbeginsel. Dit rechtvaardigt de conclusie dat doelbewust, dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. De raadsman heeft om die reden verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte.

4.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging als een in artikel 359a, eerste lid onder c, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bedoeld rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats, zoals ook door de raadsman geïmpliceerd, indien het vormverzuim daarin bestaat dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Blijkens het proces-verbaal van 22 september 2015 (nummer 2015338829-27) vond er op 21 september 2015 een toezicht- en handhavingsactie plaats in [gebied X] te Rotterdam op basis van ervaringen van de politie dat in dergelijke gebieden bij onderzoeken of controles verdachten zijn aangehouden in het bezit van grote hoeveelheden harddrugs en/of grote contante geldbedragen. De appartementen werden daarbij vaak ingezet als safehouse, opslag van verdovende middelen, opslag van geld of als zogenaamd versnijdingspand. Uit het dossier blijkt dat er geen sprake is van specifieke aandachtvestigingen op personen en/of specifieke panden. Ter zitting is dit nogmaals door [getuige] bevestigd.

Bij de actie is door de politie niet veel meer gedaan dan observeren wat er in de openbare ruimte gebeurde. Nadat bepaalde personen de aandacht trokken is besloten om ten aanzien van één van hen te kijken welk pand hij betrad en is hem gevraagd waar hij vandaan kwam. De politie heeft daarbij geen gebruik gemaakt van een specifieke bevoegdheid, hetgeen ook niet was vereist. Ondertussen zijn kentekens nagegaan en is het bevolkingsregister geraadpleegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is op geen enkele wijze gebleken dat de agenten van het team parate eenheid - het team dat betrokken was bij de actie - buiten de grenzen van hun bevoegdheden hebben gehandeld, noch dat zij een bevoegdheid hebben aangewend voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheden zijn gegeven.

Hetgeen door de raadsman is aangevoerd kan gelet op het hiervoor overwogene niet leiden tot de conclusie dat sprake is van enig vormverzuim.

4.3.

Conclusie

De officier van justitie is ontvankelijk.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

5.1.1.

Aanhouding en inverzekeringstelling

Gedurende de hiervoor genoemde toezicht- en handhavingsactie zijn zowel de verdachte als de medeverdachte de opsporingsambtenaren opgevallen door hun gedrag. Zij lijken zich, voordat zij het [wooncomplex] betreden, op opvallende wijze te focussen op hetgeen zich in hun omgeving afspeelt. Na een uitgevoerde controle op de kentekengegevens van de auto’s waarin de verdachte en de medeverdachte rijden, blijkt dat beide auto’s een BVH registratie hebben en - kort gezegd - in verband te brengen zijn met drugs gerelateerde onderzoeken. Nadat is waargenomen dat beide verdachten afzonderlijk het [wooncomplex] hebben betreden en tevens wordt waargenomen dat de medeverdachte [pand 1] is binnengaan, gaat een geüniformeerde opsporingsambtenaar eveneens het [wooncomplex] binnen waarna hij de medeverdachte tegenkomt. Op de vraag waar de medeverdachte vandaan komt, verklaart deze dat hij uit [pand 2] komt. Navraag bij de bewoner van [pand 2] levert op dat de medeverdachte daar niet geweest is. Dit doet vermoeden dat de medeverdachte probeert om [pand 1] af te schermen. De geüniformeerde opsporingsambtenaar gaat de medeverdachte achterna, die er eerst per auto en vervolgens te voet vandoor gaat en probeert te ontkomen aan zijn aanhouding. Bij zijn vlucht gooit hij een telefoon weg. Nadat de medeverdachte is aangehouden wordt op aanwijzing van de geüniformeerde opsporingsambtenaar ook de verdachte aangehouden, als wordt gezien dat hij, korte tijd na de aanhouding van de medeverdachte, gehaast, met een vuilniszak, het appartementencomplex verlaat.

De rechter-commissaris heeft in casu geoordeeld dat zowel de aanhouding als de inverzekeringstelling van de verdachte onrechtmatig zijn omdat er ten tijde van de aanhouding van de verdachte nog onvoldoende verdenking bestond. De officier van justitie heeft tegen deze beslissing geen rechtsmiddel ingesteld.

De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de aanhouding van de verdachte rechtmatig is geweest. De verdediging heeft bepleit dat de beslissing van de rechter-commissaris moet worden gevolgd.

Tussenconclusie rechtbank

In de omstandigheden die de officier van justitie heeft aangevoerd, welke niet anders zijn dan destijds aan de rechter-commissaris zijn voorgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan de rechter-commissaris.

De aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte zijn dan ook onrechtmatig.

5.1.2.

Doorzoeking [auto]

De verdediging acht de doorzoeking van de [auto] , die volgde op de aanhouding van de verdachte, onrechtmatig.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat iedere opsporingsambtenaar op grond van artikel 96b Sv in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een voorlopig hechtenis feit bevoegd is om ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken en zich daartoe de toegang tot dit vervoermiddel te verschaffen.

Tussenconclusie rechtbank

Nu de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is wegens het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit en er om die reden dus niet is voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden van artikel 96b Sv, acht de rechtbank de doorzoeking van de [auto] eveneens onrechtmatig.

5.1.3.

Artikel 359a Sv

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat, gelet op de ernst van het verzuim, het geschonden voorschrift en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, al hetgeen als gevolg van dit vormverzuim is verkregen dient te worden uitgesloten van het bewijs. In casu betreft dat in ieder geval de sleutelbos die in de [auto] is gevonden.

Beoordeling

De toepassing van artikel 359a Sv is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. Het ‘voorbereidend onderzoek’ uit artikel 359a Sv heeft uitsluitend betrekking op onderzoek tegen de verdachte terzake het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechtbank dient te oordelen. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat er in het voorbereidend onderzoek een vormverzuim is begaan in de vorm van de onrechtmatige aanhouding van verdachte en vervolgens de doorzoeking van de [auto] . Dit betreft een vormverzuim dat valt onder de reikwijdte van artikel 359a Sv. De rechtbank constateert dan ook dat het bewijsmateriaal - onder andere de sleutelbos - is verkregen door een onherstelbaar vormverzuim en daardoor moet worden aangemerkt als een ‘verboden vrucht’.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden, is of hieraan een rechtsgevolg dient te worden verbonden of dat een constatering van het vormverzuim afdoende is. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet met de volgende drie factoren rekening worden gehouden:

  1. het belang dat het geschonden voorschrift dient (Schutznorm);

  2. de ernst van het verzuim;

  3. het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.

Ad 1 De geschonden voorschriften dienen ter bescherming van de belangen van de verdachte.

Ad 2 Ten aanzien van de ernst van het verzuim overweegt de rechtbank dat beide schendingen voortvloeien uit één beoordelingsfout, namelijk of ten aanzien van de verdachte op dat moment al wel of niet sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Het verzuim betreft, gelet op omstandigheden waaronder het is begaan, naar het oordeel van de rechtbank geen bewuste overtreding van een belangrijke strafvorderlijke norm of beginsel doch een beoordelings-/inschattingsfout. Daarbij komt dat de politie direct hierna in overleg met de officier van justitie is getreden en het vervolgtraject met haar hebben afgestemd. Dat maakt dat naar het oordeel van de rechtbank gesproken moet worden van een relatief beperkte ernst van het verzuim.

Ad 3

Ten aanzien van het nadeel moet worden vooropgesteld dat de omstandigheid dat het strafbare feit wordt ontdekt door het desbetreffende vormverzuim, niet geldt als nadeel in de zin van artikel 359a Sv. De raadsman heeft ten aanzien van het nadeel dat de verdachte heeft geleden slechts aangevoerd dat hij zonder wettelijke grondslag is aangehouden en dat zonder wettelijke grondslag zijn voertuig is doorzocht. Het aangevoerde daadwerkelijk geleden nadeel is daarmee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd en kan mede daarom als gering worden beoordeeld.

Tussenconclusie rechtbank

De rechtbank oordeelt dat gezien de ernst van het verzuim enerzijds en de ernst van het hierdoor geleden nadeel anderzijds, beiden zoals hiervoor uiteen gezet, volstaan kan worden met de constatering dat sprake is van een vormverzuim.

5.1.4.

Binnentreden en doorzoeken van de [panden 1 en 3]

Ten aanzien van het door de raadsman gevoerde verweer dat het binnentreden en doorzoeken van de [panden 1 en 3] onrechtmatig was, nu de betreding van de panden plaatsvond met behulp van de sleutelbos welke door de onrechtmatige doorzoeking van de auto van de verdachte was verkregen, merkt de rechtbank het volgende op.

De voorschriften die verband houden met het binnentreden en doorzoeken van woningen beogen het (privacy)belang van de bewoner te beschermen. Schending van deze voorschriften tast derhalve niet de belangen van anderen dan de bewoner aan (de Schutznorm). Nu de verdachte naar eigen zeggen niet in de binnengetreden woningen woonachtig was op het moment van binnentreden, is hij niet in zijn belang geschaad. Wat er verder ook zij van het betoog dat het binnentreden en doorzoeken onrechtmatig was, kan dit reeds hierdoor niet tot enig rechtsgevolg als bedoeld in artikel 359a Sv leiden.

De rechtbank gaat daarom niet verder in op de vraag of het binnentreden en het doorzoeken van de panden rechtmatig is geweest.

Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting wordt verworpen.

5.2.

Bewijswaardering ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

De verdachte wordt beschuldigd van het medeplegen van het voorhanden hebben van ruim 400 kilogram heroïne en ruim 11 gram cocaïne. Voorts wordt de verdachte beschuldigd van het voorhanden hebben van zeven vuurwapens met bijbehorende munitie en het witwassen van onder meer een bedrag van € 333.495,00. De voorwerpen en het geld zijn aangetroffen in [panden 1 en 3] en de bijbehorende kelderboxen van het [wooncomplex] aan [straat X] te Rotterdam.

De verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de feiten ontkend.

Aangetroffen goederen [panden 1 en 3] [straat X] Rotterdam

In [pand 1] en de daarbij behorende kelderbox zijn goederen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met het bewerken, verwerken en verpakken van verdovende middelen. Tevens is in [pand 1] een hoeveelheid van 18 gram heroïne en 11 gram cocaïne aangetroffen.

In [pand 3] worden naast goederen die in verband kunnen worden gebracht met het bewerken, verwerken en verpakken van verdovende middelen, een hoeveelheid van ruim 400 kg heroïne, 7 vuurwapens met bijbehorende munitie en een geldbedrag van € 333.495,- in contanten aangetroffen. In de bij [pand 3] behorende kelderbox worden eveneens goederen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met het bewerken, verwerken en verpakken van verdovende middelen.

De goederen aangetroffen in [pand 1] en [pand 3] vertonen diverse gelijkenissen. Te denken valt aan de grote aantallen rode, Dirk van de Broek/Bas (supermarkt)tassen die zowel in de kelder van [pand 1] en het [pand 3] worden aangetroffen, de vele koffers (al dan niet gevuld) die op de diverse locaties worden aangetroffen en de grote hoeveelheid apparatuur (waaronder vacuümmachines, geldtelmachines, weegschalen, drukpersen, drukcilinders, handschoenen, krimpfolie, verpakkingsmateriaal, stempels) waarvan bekend is dat deze (met name in deze combinatie) worden gebruikt voor het verpakken, bewerken of verwerken van verdovende middelen. Opvallend is voorts dat de kelderboxen van beide panden en ook de panden zelf de indruk wekken niet voor andere zaken te worden gebruikt. De panden maakten een onbewoonde indruk.

Ten aanzien van beide [panden 1 en 3] geldt dat op deze adressen geen inschrijving in de basisregistratie personen is gedaan.

Uit onderzoek is gebleken dat [huurder 1] de huurder van [pand 1] is en dat [huurder 2] de huurder van [pand 3] is. [huurder 2] blijkt de neef van de [medeverdachte] te zijn.

[pand 1] bevindt zich op de 6e etage en [pand 3] bevindt zich op de 24e etage.

Sleutelbos verdachte

Na de aanhouding van de verdachte wordt in diens auto, de [auto] , onder de bestuurdersstoel een sleutelbos aangetroffen. Hieraan blijkt een tag met nummer 9877 te zitten, waarvan is gebleken dat deze toebehoort aan [pand 1] . De tag is bestemd voor het verkrijgen van de toegang tot de tussendeuren van het appartementencomplex. Tevens hangt aan de sleutelbos een sleutel die behoort bij [pand 3] .

De verdachte heeft ter zitting ontkend dat deze sleutels van hem waren, zonder dat hij heeft willen aangeven van wie deze dan wel zijn. De rechtbank hecht aan deze ontkenning geen waarde. Uit onderzoek naar de camerabeelden van het [wooncomplex] , zoals hieronder nader besproken, blijkt immers dat het de verdachte is die in ieder geval in de week voorafgaand aan 21 september 2015 steeds gebruik heeft gemaakt van de aan de sleutelbos hangende tag (9877) en zender (34576). De rechtbank gaat er derhalve van uit dat hij steeds de beschikking heeft gehad over deze sleutelbos.

Uit onderzoek is gebleken dat de bij de verdachte aangetroffen sleutelbos eveneens is gebruikt door de [medeverdachte] . Gebleken is namelijk dat zowel de verdachte als de [medeverdachte] op 15 september 2015 de tag met nummer 9877 gebruikten om het appartementencomplex te betreden.

Aanwezigheid verdachte in [wooncomplex]

Uit de camerabeelden gemaakt in een aantal liften van [wooncomplex] blijkt dat de verdachte op 21 september 2015 samen met [huurder 1] (de huurder van [pand 1] ) in de lift stond. Gezien wordt dat ze naar de 6e etage gaan. Gezien wordt dat later die ochtend de verdachte in de lift staat met [huurder 2] (de huurder van [pand 3] ). [huurder 2] heeft een koffer bij zich en er wordt op de knop van de 24e etage gedrukt. Later staan beiden weer in de lift en drukken op de 6e etage.

Ook in de week voorafgaand aan 21 september 2015 wordt de verdachte veelvuldig in [wooncomplex] gezien waarbij hij hetzij de 6e etage, hetzij de 24e etage lijkt te bezoeken. De verdachte verkeert daarbij veelal in het gezelschap van [huurder 1] . Beiden worden gezien met koffers vergelijkbaar als die gevonden in de kelderboxen en op 16 september 2015 wordt gezien dat de verdachte een doosje in zijn hand heeft dat identiek lijkt aan de doosjes aangetroffen in de kelderbox van [pand 3] .

Notities en telefoon [medeverdachte]

Bij de aanhouding van de medeverdachte is een notitieboekje aangetroffen met daarin aantekeningen. In het boekje staan aantekeningen die overeenkomen met de specifieke opdruk van de in [pand 3] aangetroffen blokken harddrugs, en deze aantekeningen blijken exact gelijk aan de aantekeningen die zijn aangetroffen in een ringband die is gevonden in [pand 3] .

Bij zijn vlucht heeft de medeverdachte een telefoon weggegooid die met speciale software versleuteld blijkt te zijn.

Verklaring verdachte

Bij de politie heeft de verdachte helemaal niets willen verklaren, noch over de sleutelbos noch over zijn aanwezigheid in [wooncomplex] en zijn mogelijke banden met de [panden 1 en 3] .

Eerst ter terechtzitting heeft de verdachte zeer summier verklaard dat hij, als hij zich in [wooncomplex] heeft bevonden, hij daar alleen was in het kader van loodgieterswerkzaamheden. Vragen daarover heeft hij verder niet willen beantwoorden. Hij heeft ook niet willen verklaren of hij in de [panden 1 en 3] is geweest, noch voor wie hij loodgieterswerkzaamheden zou hebben verricht. Met verdovende middelen zou hij niets te maken hebben gehad.

De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. Niet goed te begrijpen is dat de verdachte dit niet eerder heeft verklaard. Een nader onderzoek daarnaar zou dan immers ontlastende informatie voor hem hebben kunnen opleveren. Bovendien heeft de verdachte bij de politie anders verklaard, hij heeft namelijk aangegeven 2 uur per dag louter administratieve werkzaamheden te verrichten in verband met het feit dat hij voor 80% is afgekeurd wegens rugklachten. Een verklaring voor zijn frequente bezoeken aan etages 6 en 24 lijken de gestelde loodgieterswerkzaamheden zonder nadere uitleg ook niet te bieden.

Slotsom

Gezien het voorgaande, waaruit in ieder geval blijkt dat:

- de verdachte in het bezit was van een tag en sleutel behorend bij [pand 1] en [pand 3] ;

- deze tag ook gebruikt werd door de [medeverdachte] ;

- de verdachte zeer frequent [wooncomplex] bezocht, zowel alleen als met anderen;

- de verdachte in aanwezigheid van de huurders van [pand 1] en [pand 3] verkeerde;

- de verdachte pendelde tussen de 6e en de 24e etage waar beide panden zijn gelegen;

- de verdachte regelmatig in het bezit was van een doos of koffer vergelijkbaar met die zijn aangetroffen bij de doorzoekingen;

- [medeverdachte] in het bezit was van aantekeningen die betrekking hebben op de in [pand 3] gevonden verdovende middelen en een versleutelde telefoon;

- de verdachte en de medeverdachte op 21 september 2015 rond dezelfde tijd bij [pand 1] waren,

kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte, samen met de medeverdachte en de huurders van de panden, vrijelijk toegang had tot de panden en de daarin opgeslagen goederen. Gezien de staat waarin de panden verkeerden (kennelijk niet bewoond en rijkelijk voorzien van goederen bestemd voor het bewerken, verwerken en verpakken van verdovende middelen) kan er geen misverstand over bestaan waartoe deze panden dienden en wat zich daar in bevond. Ook de aangetroffen vuurwapens en het aangetroffen geld lagen nauwelijks verholen in zicht.

Gelet op de omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen (in aanwezigheid van 7 vuurwapens en 400 kg heroïne) is de aanname gerechtvaardigd dat dit geld van misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit wist.

Alles in samenhang bezien, is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verdachte tezamen met de medeverdachte toegang had tot de [panden 1 en 3] en de daarbij behorende kelderboxen en dat zij daarmee tevens de feitelijke beschikbaarheid en zeggenschap hadden over de aldaar aangetroffen hoeveelheden harddrugs, wapens en geld.

Om die reden acht de rechtbank de aan de verdachte tenlastegelegde feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen.

5.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 21 september 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, in [pand 3]

en in een bij dat pand behorende kelderbox, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 413,839 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,

en

in [pand 1] en in een daarbij behorende kelderbox, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en ongeveer 11.596 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachten het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op 21 september 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

-drie vuurwapens in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Walther, model PPX, kaliber 9 millimeter, en

-twee vuurwapens in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 17, kaliber 9 millimeter, en

-twee vuurwapens in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 19, kaliber 9 millimeter,

en de daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 21 september 2015, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander,

een voorwerp, te weten één geldbedrag ( 333.495,00 euro ), heeft voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader wist(en), dat bovengenoemde geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

6.1.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2.

medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.2.

Kwalificatie feit 3

De verdediging heeft aangevoerd dat, nu er geen sprake is van verbergings- of verhullingshandelingen met betrekking tot de herkomst van het geld, het handelen van verdachte onder feit 3 niet gekwalificeerd kan worden als zijnde (schuld)witwassen en verdachte derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het enkele verwerven of voorhanden hebben door een verdachte van geld dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, kan, zonder nadere motivering dat dit verwerven of voorhanden hebben bijdraagt aan het verhullen van de criminele herkomst, niet als witwassen worden gekwalificeerd, zo heeft de Hoge Raad inmiddels herhaaldelijk overwogen (o.a. Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001).

Zoals hiervoor overwogen is het geld aangetroffen in het [pand 3] in nabijheid van grote hoeveelheden drugs en wapens. Het pand is aan te merken als een pand waarin, gezien de aangetroffen spullen, verdovende middelen worden bewerkt, verwerkt en verpakt. De verdachte wordt met de medeverdachte voor deze spullen verantwoordelijk gehouden. Gezien de bestemming van het pand en bij gebreke van een andere verklaring van de verdachte wordt het ervoor gehouden dat het geld verband houdt met deze door de verdachte en de medeverdachte gepleegde misdrijven. De rechtbank oordeelt dan ook dat het geld van eigen misdrijf afkomstig is.

Nu er echter geen gedragingen kunnen worden vastgesteld die (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verhullen of verbergen van de criminele herkomst van het geld, doet evengenoemde kwalificatie uitsluitingsgrond zich voor (vgl. Hoge Raad 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1237). Nu, gelet op het voorgaande, het bewezenverklaarde niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, dient de verdachte voor dit feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid harddrugs (met name heroïne). In de aangetroffen hoeveelheden zijn deze middelen over het algemeen bestemd voor de handel. Harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik daarvan is bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit. Het bezit van harddrugs dient dan ook krachtig te worden bestreden.

Voorts heeft de verdachte samen met een ander 7 vuurwapens voorhanden gehad (twee geladen Walther PPX 9mm pistolen en vijf ongeladen pistolen: één Walther PPX 9mm pistool, twee Glock 17 9mm pistolen en twee Glock 19 9mm pistolen) met de daarvoor geschikte munitie. Het ongecontroleerde bezit hiervan brengt het risico met zich mee dat zulke wapens ook gebruikt worden. Daarom moet ook hiertegen streng worden opgetreden.

De rechtbank vindt het buitengewoon verontrustend te constateren dat panden in normale wooncomplexen kennelijk worden benut als zogenoemd safehouse waarin grote hoeveelheden hard drugs, wapens en geld worden bewaard. Het behoeft geen betoog dat dit ook grote risico’s voor de nietsvermoedende omwonenden oplevert. De rechtbank rekent dit de verdachte en zijn medeverdachte aan.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 maart 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van een forse duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

9 In beslag genomen voorwerpen

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag van in totaal € 334.925,00 (bestaande uit de bedragen € 1.050,00, € 333.495,00, € 370,00 en € 10,00) verbeurd te verklaren.

9.2.

Beoordeling

Nu de verdediging hieromtrent geen standpunt heeft ingenomen en de rechtbank ook anderszins geen aanleiding ziet om de vordering van de officier van justitie af te wijzen, zal het in beslag genomen geldbedrag van in totaal € 334.925,00 verbeurd worden verklaard. Die verbeurdverklaring zal worden opgelegd als bijkomende straf voor het onder 1 bewezen verklaarde feit, nu de verdachte het voorwerp geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en het voorwerp geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit is verkregen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde onder 3 geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

stelt vast dat het bewezen verklaarde onder 1 en 2 oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 1:

€ 1.050,00;

€ 333.495,00;

€ 370,00;

€ 10,00.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Laukens, voorzitter,

en mrs. K.T. van Barneveld en A.M. van der Leeden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Kerens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 21 september 2015 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

in een woning/pand gelegen aan [straat X] [pand 3] en/of in een bij dat

pand behorende kelderbox, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 413,839 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,

en/of

in een woning/pand gelegen aan [straat X] [pand 1] en/of in een daarbij behorende kelderbox, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 11.596 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachten het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 21 september 2015 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet

wapens en munitie, te weten

-drie vuurwapens in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Walther, model PPX, kaliber 9 millimeter, en/of

-twee vuurwapens in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 17, kaliber 9 millimeter, en/of

-twee vuurwapens in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 19, kaliber 9 millimeter,

en de daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad;

art 26 jo 55 van de Wet wapens en munitie

3.

hij op of omstreeks 21 september 2015, te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) voorwerp(en), te weten één of meer geldbedragen (waaronder 333.495,00 euro en/of 1000 euro en/of 1050 euro en/of 370 euro),

heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans

van een voorwerp, te weten van voornoemd(e) geldbedrag(en) gebruik

heeft/hebben gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovengenoemde voorwerp(en)/geldbedrag(en) - onmiddellijk

of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht