Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:3151

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
C/10/492017 / KG ZA 15-1412
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Is bij het gelegde executoriaal loonbeslag in hoogte en in aard de juiste beslagvrije voet gehanteerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/492017 / KG ZA 15-1412

Vonnis in kort geding van 5 april 2016

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. H.F.A. Notenboom te Rotterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DIENST UITVOERING ONDERWIJS,

(mede) zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

vertegenwoordigd door mevrouw [persoon1] , juridisch medewerker/medewerker procesvoering bij DUO, die handelt in haar hoedanigheid van (doorlopend) gemachtigde van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Partijen zullen hierna [eiseres] en DUO genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 15 januari 2016, met producties 1 tot en met 7 (waaronder de toevoeging van [eiseres] )

  • -

    een aanvulling op productie 7

  • -

    producties 8 tot en met 10 van DUO

  • -

    de mondelinge behandeling op 25 januari 2016

  • -

    de pleitnota van DUO

  • -

    de aanhouding voor de duur van één maand

  • -

    een faxbericht d.d. 15 februari 2016 van [eiseres]

  • -

    een faxbericht d.d. 22 februari 2016 van DUO, met bijlagen

  • -

    een e-mailbericht van 22 februari 2016 van DUO, met bijlagen

  • -

    een faxbericht d.d. 7 maart 2016 van [eiseres] , met een bijlage

  • -

    een e-mailbericht van 15 maart 2016 van DUO, met bijlagen.

1.2.

De zaak is, in overleg met partijen, voor de duur van één maand aangehouden om DUO de gelegenheid te geven een huisbezoek te (doen) brengen aan het adres waarop [eiseres] bij de gemeente Rotterdam staat ingeschreven, zulks ter bepaling van de op de leefsituatie van [eiseres] toepasselijke beslagvrije voet, en om de hoogte van de (resterende) vordering van DUO op [eiseres] , waarvoor loonbeslag is gelegd, te bepalen. Nadien hebben partijen de voorzieningenrechter geïnformeerd over de laatste stand van zaken en is vonnis gevraagd en bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft verschillende schulden, waaronder een studiefinancieringsschuld en een schuld in verband met het te laat stopzetten van het reisrecht. Op 22 mei 2014 is [eiseres] in staat van faillissement verklaard. Dit persoonlijk faillissement is wegens gebrek aan baten inmiddels opgeheven. [eiseres] werkt thans bij Stichting Laurens als (leerling-)verpleegster en zij volgt kennelijk een opleiding.

2.2.

[eiseres] staat sinds 1 februari 2006 bij de gemeente Rotterdam ingeschreven op het adres [adres] . [eiseres] heeft twee minderjarige kinderen van 13 en 8 jaar die bij haar verblijven. Op dit adres staat voorts sinds 16 november 2005 ingeschreven de heer [persoon2] , geboortedatum [geboortedatum] , (hierna: [persoon2] ). [persoon2] huurt gemelde woning (een portiekwoning op de derde etage) van Havensteder te Rotterdam. [eiseres] en haar kinderen staan bij Havensteder geregistreerd als medebewoners. [eiseres] en [persoon2] stonden beiden eerder voor een periode van ongeveer 4,5 jaar gelijktijdig op het adres [adres2] ingeschreven.

2.3.

Op kennelijk 27 juli 2015 heeft de deurwaarder (voormalig Gerechtsdeurwaarderskantoor Groenewegen en Partners, thans genaamd: Syncasso) voor en namens DUO ter inning van een drietal dwangbevelen ten laste van [eiseres] executoriaal loonbeslag gelegd. Daarbij is, op basis van de door [eiseres] aangereikte gegevens, een beslagvrije voet van

€ 866,37 gehanteerd.

2.4.

[eiseres] heeft herhaaldelijk, kennelijk voor het eerst bij e-mail van 25 augustus 2015 en vervolgens (o.a.) bij brief van 16 september 2015, aangegeven het niet eens te zijn met de gehanteerde beslagvrije voet. [eiseres] stelt dat een beslagvrije voet voor een alleenstaande ouder ten bedrage van € 1.235,23 moet worden toegepast. [eiseres] heeft, bij het in haar visie onterecht uitblijven van het doorvoeren van de door haar aan DUO verzochte wijziging, jegens de beslag leggende deurwaarder een tuchtrechtelijke procedure bij de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam aanhangig gemaakt. Wat de uitkomst van deze procedure is, is de voorzieningenrechter niet bekend.

2.5.

De deurwaarder heeft de beslagvrije voet aangepast naar € 652,68. In de tenuitvoerlegging van het loonbeslag worden wisselende bedragen geïncasseerd (behoudens in de maanden oktober en november 2015, in die maanden zijn door de werkgever van [eiseres] , al dan niet terecht, geen bedragen ingehouden op het salaris).

2.6.

Op 26 januari 2016 hebben twee controleurs/toezichthouders namens DUO een buurtonderzoek ingesteld in de directe omgeving van het adres [adres] . Ook hebben deze controleurs namens DUO op 26 en 29 januari 2016 huisbezoeken aan voormeld adres afgelegd. Bij het bezoek op 26 januari 2016 was [persoon2] en een familielid van [persoon2] aanwezig, op 29 januari 2016 waren [eiseres] en [persoon2] aanwezig. Van gemeld onderzoek en de huisbezoeken is een rapportage huisbezoek d.d. 31 januari 2016 opgemaakt, met als bijlagen een formulier toestemming en verklaring huisbezoek en een ondertekende getuigenverklaring. Eén van de controleurs heeft DUO bij e-mail van 22 februari 2016 te 9:18 uur dienaangaande nog aanvullend geïnformeerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om:

  1. met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2015, dan wel vanaf een in goede justitie te bepalen datum, een beslagvrije voet vast te stellen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de bepaalde datum waarop de beslagvrije voet is vastgesteld tot de dag van volledige betaling;

  2. subsidiair DUO te gelasten de executie te schorsen totdat in rechte vaststaat of de beslagvrije voet op juiste wijze is berekend;

  3. met veroordeling van DUO in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met nakosten ten bedrage van € 131,00 dan wel - indien betekening van het in deze te wijzen vonnis plaatsvindt - ten bedrage van € 199,00, zulks met bepaling dat daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis.

3.2.

DUO voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van [eiseres] bij (alle onderdelen van) haar vordering vloeit reeds voorts uit de aard van die vordering. Bovendien wordt het spoedeisend belang door DUO niet betwist.

4.2.

In onderhavige zaak is sprake van een executoriaal loonbeslag in de zin van artikel 475b Rv e.v. De vordering als hiervoor onder 3.1 sub 1 weergegeven - welke als primair ingestelde vordering zal worden opgevat - strekt tot het ten behoeve van [eiseres] met terugwerkende kracht verhogen van de door DUO bij het loonbeslag gehanteerde beslagvrije voet tot die voor een alleenstaande ouder. Subsidiair vraagt [eiseres] onder 3.1 sub 2 schorsing van de executie tot het moment dat in rechte is komen vast te staan dat de beslagvrije voet op, al dan niet, juiste wijze is berekend door (de deurwaarder van) DUO. In feite betreft het geschil in dit kort geding een executiegeschil in de zin van artikel 438 Rv. In een executiegeschil als het onderhavige dient de vraag of het leggen (en handhaven) van een executoriaal beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging.

4.3.

De kern van het geschil in dit kort geding betreft de vraag of bij het ten laste van [eiseres] gelegde loonbeslag in hoogte en in aard de juiste beslagvrije voet is gehanteerd.

4.4.

In de visie van [eiseres] is zij een alleenstaande ouder op wie een - hogere - beslagvrije voet dan die door DUO wordt gehanteerd moet worden toegepast. Zij beroept zich op het bepaalde in artikel 475d lid 7 Rv. [eiseres] heeft in dat verband onder meer gesteld dat zij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, dat zij met haar kinderen vaak bij haar zus woont/verblijft, dat zij, als zij in de woning aan de [adres] is, een kamer met haar kinderen deelt en met haar minderjarige dochter in één bed slaapt en dat sprake is van gescheiden huishoudens tussen [persoon2] (die in het proces van geslachtsverandering zit) en haar.

4.5.

DUO is daartegenover van mening dat [eiseres] een gemeenschappelijke huishouding voert met haar twee minderjarige kinderen en [persoon2] op het adres [adres] .

4.6.

Ook na het verrichte buurtonderzoek en de afgelegde huisbezoeken in januari 2016 handhaven beide partijen de door ieder van hen eerder, hiervoor onder 4.4 en 4.5 weergegeven, ingenomen standpunten ter zake van de woonsituatie van [eiseres] .

Daar waar [eiseres] het evenwel laat bij ‘bloot’ persisteren, heeft DUO haar stellingen onderbouwd met een beroep op het bepaalde in artikel 475g lid 1 Rv j artikel 3 leden 2 sub a en 3 Participatiewet en verschillende door haar overgelegde producties die [eiseres] verder onbetwist heeft gelaten.

4.7.

Vooropgesteld zij dat in artikel 3 leden 2 sub a en 3 van de Participatiewet (‘Gezamenlijke huishouding en woning’) het volgende is bepaald:

2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;

(…)

3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.8.

In de door DUO overgelegde en onbetwist gebleven rapportage huisbezoek d.d. 31 januari 2016 is geconcludeerd als volgt:

“Controleurs zijn van mening dat betrokkene [ [eiseres] , opm. vzr] en hoofdbewoner [ [persoon2] , opm. vzr] geen relatie met elkaar hebben. Zij kennen de wettelijke term “gezamenlijk huishouden” niet. Zij hebben voor zichzelf het beeld dat als je geen relatie met elkaar hebt je ook geen gezamenlijk huishouden kan voeren. Nadat controleurs hebben uitgelegd hoe de term “gezamenlijk huishouden voeren” gezien wordt begrijpen beiden dat zij dit eigenlijk beter hadden moeten vastleggen. Omdat men in de Antilliaanse cultuur helemaal niet zo denkt geven zij aan dat zij hier beiden niet aan gedacht hebben.

Echter, aansluiting zoekend bij artikel 3 van de Participatiewet is de gezamenlijke huishouding tussen betrokkene en hoofdbewoner wel vastgesteld: zij hebben beiden hoofdverblijf in dezelfde woning, wonen ook geruime tijd in dezelfde woning. Het huurcontract staat op naam van hoofdbewoner. Betrokkene betaalt hem een klein bedrag voor de inwoning, wat gezien kan worden als bijdrage in de kosten van het huishouden. De huiskamer is door betrokkene ingericht. In de huiskamer hangen foto’s van betrokkene en haar kinderen. Hoewel betrokkene aangeeft alleen voor haarzelf en haar kinderen te koken, is in de woning geen sprake van twee gescheiden huishoudens. In de keuken is nergens iets te zien van een gescheiden afdeling voor betrokkene. Hoewel betrokkene aangeeft, dat zij niet voor de hoofdbewoner kookt, blijkt nergens uit, wat haar spullen en die van de hoofdbewoner zijn. Op doorvragen blijkt, dat hoofdbewoner af en toe we1 mee eet. Betrokkene maakt gebruik van de hele woning, ook de huiskamer, de tv en de computer. Door de buurt worden betrokkene en de hoofdbewoner als stel gezien. Nadat dit aan betrokkene en hoofdbewoner is uitgelegd, begrijpen zij dit wel. Het gescheiden slapen is niet voldoende binnen het bestuursrecht om te spreken van twee alleenstaanden in dezelfde woning.

6 Aanvullende informatie

Aangezien het onderzoek zich richt op het feit of betrokkene het hoofdverblijf op het door haar opgegeven adres heeft en op dat adres een gezamenlijke huishouding voert met hoofdbewoner, kan rapporteur niet anders dan concluderen dat betrokkene samen met haar kinderen inderdaad het hoofdverblijf op het door haar opgegeven adres heeft en zij en hoofdbewoner inderdaad een gezamenlijke huishouding voeren. Hoofdbewoner is geenszins een transgender, zoals betrokkene tijdens de bezwaarprocedure [de vzr begrijpt dat bedoeld is dit kort geding] beweerd heeft.

De buurtbewoners kennen betrokkene en hoofdbewoner als “stel”.”

4.9.

Gelet op hetgeen hiervoor uit de rapportage huisbezoek is geciteerd, welke rapportage tot stand is gekomen na op het eerste gezicht verricht gedegen onderzoek door of namens DUO en waarop [eiseres] heeft mogen reageren en ook heeft gereageerd, zoals blijkt uit voormelde citaten en ook uit de overige inhoud van het rapport 1, zulks in samenhang bezien met het blote verweer van [eiseres] daarop in het vervolg van dit kort geding, waarin zij toch weer volhardt in de stelling dat [persoon2] en zij niet samenwonen, maar dit verder niet nader heeft toegelicht noch met stukken heeft onderbouwd, kan de voorzieningenrechter niet anders dan uitgaan van de juistheid van de conclusie opgenomen in de namens het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor deze: DUO, opgestelde rapportage huisbezoek d.d. 31 januari 2016. De voorzieningenrechter is op grond daarvan tot het oordeel gekomen dat DUO ten aanzien van [eiseres] , aan de hand van de door [eiseres] kennelijk opgegeven informatie, steeds op correcte wijze de beslagvrije voet heeft toegepast en daarmee op correcte wijze loonbeslag heeft gelegd. DUO heeft mogen uitgaan van een tussen [eiseres] , haar twee minderjarige kinderen en [persoon2] vanaf de beslaglegging gevoerde gemeenschappelijke huishouding in de zin van artikel 3 lid 3 Participatiewet. Dat tussen [eiseres] en [persoon2] een aan- of bloedverwantschap bestaat als bedoeld in artikel 2 sub a van de Participatiewet is niet gebleken.

4.10.

Bij faxbericht van 7 maart 2016 heeft [eiseres] nog aangevoerd dat het loonbeslag zou moeten worden opgeheven, omdat de schuld van [eiseres] aan DUO inmiddels nihil bedraagt. [eiseres] heeft in datzelfde faxbericht aangegeven dat zij haar eis wenst te wijzigen in die zin dat zij verzoekt het loonbeslag op te heffen.

DUO heeft in haar reactie bij brief van 15 maart 2016 gereageerd op de gevraagde eiswijziging en verder gesteld dat wel degelijk sprake is van een nog openstaande vordering van DUO op [eiseres] van € 35,12 (waartoe zij een brief van DUO d.d. 6 maart 2016 heeft overgelegd), zodat opheffing van het loonbeslag niet in de rede ligt.

Gelet op de eisen gesteld in de wet en het in artikel 11.1 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken civiel/familie bepaalde, kan [eiseres] niet worden ontvangen in deze eiswijziging. [eiseres] heeft immers de wijziging ruim na het plaatsvinden van de mondelinge behandeling op 25 januari 2016 verzocht, terwijl deze ook niet volledig uitgeschreven op schrift ter hand is gesteld. De voorzieningenrechter grondt derhalve het hiervoor gegeven oordeel slechts op de oorspronkelijke eis (zie 3.1). De inhoudelijke reactie van DUO op de gevraagde eiswijziging kan dan verder onbesproken blijven.

4.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat niet aannemelijk kan worden geacht dat aan de zijde van DUO sprake is van misbruik van recht op de hiervoor onder 4.2 bedoelde wijze, door ten laste van [eiseres] het executoriaal loonbeslag, onder toepassing van de gehanteerde beslagvrije voet, te hebben gelegd en te handhaven.

De primaire vordering als hiervoor onder 3.1 sub 1 weergegeven zal mitsdien worden afgewezen. In het verlengde daarvan is voor toewijzing van de subsidiaire vordering (3.1 sub 2) evenmin ruimte.

4.12.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van DUO worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris 408,00

Totaal € 1.027,00

Ambtshalve heeft de voorzieningenrechter aan DUO een bedrag van € 408,00 aan salaris toegekend in de zin van redelijkerwijs gemaakte verletkosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

ontvangt [eiseres] niet in de door haar gevraagde vermeerdering van eis,

5.2.

wijst de vordering (in alle onderdelen) af,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van DUO tot op heden begroot op € 1.027,00,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2016.1734/676

1 Op bladzijde 6 e.v. van het rapport heeft [eiseres] bijvoorbeeld verklaard ter zake van haar woon- en huissituatie aan de [adres] . Zij verklaart onder meer, in afwijking van hetgeen zij eerder ter zitting verklaarde, zie 4.4, het volgende: “Het huis staat op naam van [persoon2] , maar ik sta hier met mijn kinderen al 9 jaar ingeschreven. Wij wonen hier ook daadwerkelijk.” [onderstreping vzr].