Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:309

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-01-2016
Datum publicatie
14-01-2016
Zaaknummer
14/6896
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2017:976, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pensioenoverzicht AOW-aanspraken.

De vermelding van de ingangsdatum van het AOW-pensioen in het pensioenoverzicht is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Het pensioenoverzicht bevat een rechtsvaststelling met betrekking tot het al dan niet verzekerd zijn voor de volksverzekeringen en met betrekking tot eventuele toekomstige aanspraken. Hieruit volgt dat de vermelding in het pensioenoverzicht van de aanvangsdatum van de pensioenopbouw een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Niet is gesteld of gebleken dat eiser de opbouwperiode niet alsnog vol kan maken en 100% van zijn AOW-pensioen zal kunnen opbouwen. Als gevolg van de latere aanvang en de verschuiving van de opbouwperiode is daarom geen sprake van eigendomsontneming.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene Ouderdomswet 7a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2016/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/6896

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: W.F.K. ter Hennepe,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder,

gemachtigde: mr. A. van der Weerd.

Procesverloop

Bij brief van 16 april 2014 (het pensioenoverzicht) heeft verweerder aan eiser een overzicht gezonden van het door hem op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW) in de periode van 3 april 1966 tot en met 14 april 2014 opgebouwde AOW-pensioen en daarbij vermeld dat eiser op 3 april 2016 de AOW-leeftijd bereikt.

Bij besluit van 18 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser voor zover het is gericht tegen de datum met ingang waarvan een AOW-pensioen wordt toegekend niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In geschil is – samengevat – of sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht van eiser als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat zijn AOW-uitkering als gevolg van wijzigingen in de AOW per 1 juli 2012 niet ingaat bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, op 3 november 2015, maar vijf (inmiddels zes) maanden later, waardoor eiser te maken heeft met het zogenaamde AOW-gat. Daarbij heeft eiser zich zowel gekeerd tegen de in het pensioenoverzicht vermelde ingangsdatum van zijn AOW-pensioen, als tegen de in het pensioenoverzicht vermelde ingangsdatum van de opbouwperiode van zijn AOW-pensioen.

2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de vermelding van de ingangsdatum van het AOW-pensioen in het pensioenoverzicht geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij is geen publiekrechtelijke rechtshandeling, omdat zij niet is gericht op enig rechtsgevolg. De ten tijde van het pensioenoverzicht geldende ingangsdatum van het AOW-pensioen voor iemand van eisers leeftijd vloeide immers rechtstreeks voort uit de AOW en is voorts, naar algemeen bekend is, aan (verdere) wijziging onderhevig. Met de vermelding ervan kan verweerder bovendien geen rechtsgevolg hebben beoogd, aangezien door eiser ten tijde van het pensioenoverzicht noch die leeftijd, noch de door eiser bepleite ingangsleeftijd van 65 jaar was bereikt. Bovendien was ten tijde van het pensioenoverzicht ook nog niet zeker of die leeftijden bereikt zouden worden. De vermelding van genoemde ingangsdatum kan daarom niet anders worden opgevat dan als een mededeling van informatieve aard, waartegen geen bezwaar openstond. Het tegen die mededeling gerichte bezwaar is door verweerder dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd in verband met de ingangsdatum van het recht op AOW-pensioen en het daarbij gemaakte leeftijdsonderscheid, kan daarom onbesproken blijven.

3.1.

Het pensioenoverzicht bevat, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 oktober 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN9959), een rechtsvaststelling met betrekking tot het al dan niet verzekerd zijn voor de volksverzekeringen en met betrekking tot eventuele toekomstige aanspraken. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de vermelding in het pensioenoverzicht dat de pensioenopbouw volgens de AOW is begonnen op 3 april 1966, op welke datum eiser de leeftijd van 15 jaar en vijf maanden bereikte, een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

3.2.

Niet is gesteld of gebleken dat eiser de opbouwperiode niet alsnog vol kan maken en 100% van zijn AOW-pensioen zal kunnen opbouwen. Als gevolg van de latere aanvang en de verschuiving van de opbouwperiode is daarom geen sprake van eigendomsontneming, zodat hetgeen eiser daarover heeft aangevoerd geen verdere bespreking behoeft. Het financiële nadeel dat eiser stelt te ondervinden wordt veroorzaakt door de omstandigheid dat zijn AOW-pensioen niet al bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, maar pas een aantal maanden later – en daarmee later dan verwacht – ingaat. Zoals onder 2. overwogen bevat het pensioenoverzicht over die ingangsdatum echter geen besluit. Dit aspect zal daarom pas aan de orde kunnen komen wanneer een daadwerkelijke aanvraag en toekenning van AOW-pensioen heeft plaatsgevonden.

4. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. J. Bergen en mr. drs. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.