Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2958

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
21-04-2016
Zaaknummer
C/10/59575 / HA ZA 96-1977
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Recht op hoor en wederhoor. Effectief commentaar op deskundigenbericht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/59575 / HA ZA 96-1977

Vonnis van 20 april 2016

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

DOUBLE SUPER,

gevestigd te Rotterdam,

2. [eier 2],

wonende te [woonplaats 1] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats 2] ,

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats 3] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. W.H. van Zundert,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 4]

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. L.C. Zandwijk.

Partijen zullen hierna [eisers] (in mannelijk enkelvoud) en [gedaagde] genoemd worden. Eisers in conventie sub 2, 3 en 4, tevens verweerders in conventie sub 2, 3 en 4 zullen hierna worden aangeduid als gebroeders [eisers] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 juni 2005 en de daarin vermelde processtukken,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 11 april 2013,

  • -

    de beschikking van de wrakingskamer van de rechtbank van 8 juli 2013,

  • -

    het tussenvonnis van 29 januari 2014 en de daarin vermelde processtukken,

  • -

    het deskundigenbericht,

  • -

    de beschikking loonbepaling d.d. 21 mei 2015,

  • -

    het verzoek tot wraking van [eisers] d.d. 5 november 2015,

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [eisers] , met producties,

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde] , met producties,

  • -

    de beschikking van de wrakingskamer van de rechtbank d.d. 1 december 2015,

  • -

    de beslissing van de wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag d.d. 19 februari 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en reconventie

2.1.

Ter gelegenheid van de op 10 maart 2005 gehouden comparitie van partijen hebben partijen de rechtbank meegedeeld dat zij het geschil willen terugbrengen tot – samengevat –:

  • -

    verdeling door de rechtbank van de per 1 augustus 1996 ontbonden vennootschap onder firma Double Super (verder: Double Super) met benoeming van een door de rechtbank uit te kiezen vereffenaar, met dien verstande dat bij de verdeling rekening wordt gehouden met de door gebroeders [eisers] en door [gedaagde] geleden schade als nader in het proces-verbaal omschreven,

  • -

    een vordering van [eisers] tot veroordeling van [gedaagde] in buitengerechtelijke en proceskosten,

  • -

    een vordering van [gedaagde] tot veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

Aldus hebben partijen, ieder voor zich, het voordien meer of anders gevorderde waarop nog niet was beslist uitdrukkelijk laten varen.

2.2.

Bij tussenvonnis van 29 juni 2005 is mr. [vereffenaar] benoemd als vereffenaar van Double Super in de zin van artikel 32 van het Wetboek van Koophandel. Tevens is bij dit vonnis mr. [vereffenaar] voornoemd, benoemd als deskundige en is een deskundigenbericht gelast ter beantwoording van de volgende vragen:

  • -

    resteert na vereffening van Double Super nog vermogen dat tussen de vennoten verdeeld kan worden?

  • -

    welke verdeling van het eventueel resterend vermogen acht u het meest redelijk, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als het algemeen belang? Wilt u daarbij tevens betrekken de overwegingen in het arrest van het Hof onder 5.2 (de rechtbank leest: 5.3),

  • -

    welke opmerkingen zijn naar het oordeel van de deskundige verder van belang ten behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing?

2.3.

De deskundige heeft op 6 november 2014 zijn deskundigenbericht uitgebracht. Voor dit rapport heeft de deskundige gebruik gemaakt van een door [gedaagde] aan de deskundige toegezonden rapportage van Hamilton accountants. Het deskundigenbericht vermeldt – voor zover hier van belang –:

“[…]

Voorts is [gedaagde] via diens raadsman verzocht de onderliggende stukken bij de Rapportage aan [eisers] toe te zenden c.q. ter beschikking te stellen.

[gedaagde] heeft de stukken niet aan [eisers] toegezonden, maar wel gewezen op haar meermaals gedane aanbod [eisers] inzage c.q. toegang tot die stukken te verlenen. [eisers] hebben van dat aanbod geen gebruik gemaakt. [eisers] geven aan dat zij (een kopie van) de stukken willen hebben.

Wat de gevolgen zijn van het door [gedaagde] niet toezenden van de stukken enerzijds en het weigeren door [eisers] genoegen te nemen met de mogelijkheid van inzage anderzijds, gaat buiten mijn taak als deskundige. [...]”

Voorts houdt het deskundigenbericht – samengevat – in dat:

  • -

    er geen vermogensbestanddelen van Double Super zijn aangetroffen en er evenmin is gebleken van vorderingen van derden (niet-vennoten) op Double Super;

  • -

    de deskundige onvoldoende aanknopingspunten heeft om de vordering van gebroeders [eisers] op [gedaagde] uit hoofde van de door hen gestelde onttrekking van het computerbedrijf uit Double Super door [gedaagde] te beoordelen en dat die vordering om die reden buiten beschouwing wordt gelaten;

  • -

    de deskundige op basis van een reconstructie van de situatie per 31 juli 1996 van mening is dat [gedaagde] een vordering op gebroeders [eisers] van € 29.381,- heeft.

2.4.

[eisers] verzoekt de rechtbank enerzijds de deugdelijkheid van de totstandkoming van het deskundigenbericht te onderzoeken en anderzijds (daartoe) de procedure te schorsen. Aan dit verzoek zal als innerlijk tegenstrijdig en niet op de wet gegrond worden voorbijgegaan.

2.5.

Uit het recht op hoor en wederhoor vloeit voort dat recht wordt gedaan op de door partijen in hun processtukken ingenomen standpunten en de bescheiden en andere gegevens die daarbij ter kennis van de rechter zijn gebracht, waarover de andere partij zich voldoende heeft kunnen uitlaten. De correspondentie tussen partijen en de deskundige en de rechtbank en de deskundige vallen daar niet onder, tenzij die correspondentie als productie bij een processtuk is gevoegd en in het betreffende processtuk een beroep daarop is gedaan. Op grond hiervan wordt niet aan de beoordeling van de stelling van [eisers] toegekomen dat het rechtbank dossier onvolledig is omdat daarin correspondentie tussen (de raadsman van) [eisers] en de deskundige, alsmede door [eisers] bij de deskundige ingeleverde stukken ontbreken.

2.6.

[eisers] stelt dat aan het rapport van de deskundige dient te worden voorbijgegaan, omdat het ondeugdelijk is. Die ondeugdelijkheid is daarin gelegen dat het rapport is gebaseerd op niet transparante en niet administratief onderbouwde berekeningen van Hamilton en dat Hamilton en [gedaagde] hebben geweigerd om de onderliggende stukken op tafel te leggen.

2.7.

[gedaagde] stelt dat van de juistheid van het deskundigenbericht dient te worden uitgegaan. Hij stelt dat Hamilton aan de raadsman en/of boekhouder van [eisers] heeft aangeboden om de onderliggende administratie waarop de rapportage van Hamilton is gebaseerd te komen inzien en dat de voornaamste stukken door [gedaagde] en Hamilton aan [eisers] zijn toegezonden.

2.8.

Uit de stellingname van [eisers] volgt dat hij in 2008 de rapportage van Hamilton heft ontvangen en dat hem bekend was dat de deskundige daarover beschikte. Ter comparitie van 11 april 2013 is afgesproken dat de deskundige het concept deskundigenbericht zal opstellen op basis van de gegevens die hem toen ter beschikking stonden. Daaronder valt derhalve ook de rapportage van Hamilton. De stelling van [eisers] dat de deskundige de rapportage van Hamilton niet had mogen gebruiken wordt in het licht van het voorgaande niet gevolgd.

2.9.

Het hiervoor omschreven recht op hoor en wederhoor brengt mee dat de rechter zijn oordeel ten nadele van een partij niet mag baseren op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten. Dat vloeit ook voort uit art. 6 EVRM. Dit brengt mee dat de desbetreffende partij de gelegenheid moet hebben gehad om effectief commentaar te leveren op een deskundigenbericht dat aan de rechterlijke beslissing ten grondslag wordt gelegd (vgl. EHRM 18 maart 1997, ECLI:NL:XX:1997:AD4449, NJ 1998/278, Mantovanelli/Frankrijk).

Om effectief commentaar te kunnen leveren op een deskundigenbericht, behoeven partijen niet steeds de beschikking te hebben over alle (onderliggende) bescheiden en andere gegevens waarop het deskundigenbericht mede is gebaseerd. Een partij die een deskundigenbericht, bij gebreke van de onderliggende gegevens of bescheiden, onvoldoende inzichtelijk of controleerbaar acht, kan daarvan desgewenst blijk geven in haar commentaar, waarna de rechter beoordeelt of het deskundigenbericht zonder schending van het beginsel van hoor en wederhoor aan de beslissing ten grondslag kan worden gelegd. (vgl. HR 13-3-2015 ECLI:NL:HR:2015:599).

2.10.

Voor effectief commentaar van [eisers] op het deskundigenbericht is nodig dat hij (na ontvangst van de rapportage van Hamilton) voldoende gelegenheid heeft gehad om kennis te nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan die rapportage (hierna ook: de onderliggende stukken). Dit wordt ook niet door [gedaagde] betwist. Hetzelfde geldt voor de stelling van [eisers] dat de rapportage eerst in 2008 aan hem is verstrekt is, zodat dit tussen partijen vast staat.

2.11.

Tegenover de betwisting van [eisers] kan niet worden vastgesteld dat hem voldoende gelegenheid is geboden om de onderliggende stukken in te zien. Uit de het deskundigenbericht blijkt niet op basis waarvan de deskundige tot het oordeel is gekomen dat [eisers] die gelegenheid (meermaals) is geboden, maar dat hij daarmee geen genoegen nam en een kopie van de stukken wilde hebben. Evenmin kan uit de door [gedaagde] bij zijn conclusie na deskundigenbericht overgelegde producties 4 en 5 worden afgeleid dat die gelegenheid is geboden. Nog daargelaten dat [eisers] zich nog niet over die producties heeft kunnen uitlaten, zodat niet vast staat dat de overgelegde fax van Hamilton d.d. 11 oktober 1996 (productie 5) door de raadsman van [eisers] is ontvangen, kan het daarin gedane aanbod niet als een na 2008 geboden voldoende gelegenheid worden aangemerkt, simpelweg omdat men er niet op mag vertrouwen dat een ander zich 12 jaar later nog van zo’n aanbod bewust is. Uit de als productie 4 overgelegde brief van 9 oktober 2014 kan niet worden afgeleid dat [eisers] na 2008 een duidelijk aanbod om de onderliggende stukken in te zien is gedaan.

2.12.

Het vorenstaande betekent dat het deskundigenbericht slechts zonder schending van het beginsel van hoor en wederhoor aan de beslissing ten grondslag kan worden gelegd indien [eisers] alsnog gelegenheid wordt geboden om kennis te nemen van de onderliggende stukken. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat vennoten van een (ontbonden) vennootschap onder firma in gelijke mate gerechtigd zijn tot toegang tot de administratie. Nu [gedaagde] om hem moverende redenen de onderliggende stukken niet aan [eisers] wil (laten) verstrekken, staat het hem niet vrij de alternatieve wijze waarop [eisers] van de onderliggende stukken kennis neemt te bepalen en zal hij aan het door [eisers] gekozen alternatief moeten meewerken, tenzij er een geldige reden bestaat om dat niet te doen. Een geldige reden om [eisers] geen kopieën van de onderliggende stukken te verstrekken is niet door [gedaagde] aangevoerd.

2.13.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank, alvorens verder te beslissen, [gedaagde] zal gelasten bij akte deugdelijke kopieën van de onderliggende stukken geordend in het geding te brengen ten einde [eisers] in de gelegenheid te stellen daarvan kennis te nemen en bij nadere conclusie opnieuw commentaar op het deskundigenbericht te leveren. [gedaagde] zal vervolgens bij nadere (antwoord)conclusie daarop kunnen reageren. Indien [gedaagde] in gebreke blijft met het in geding brengen van deugdelijke kopieën van de onderliggende stukken zal de rechtbank daaruit de gevolgtrekking kunnen verbinden die de rechtbank geraden acht.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie en reconventie

gelast [gedaagde] om bij akte deugdelijke kopieën van de stukken die ten grondslag liggen aan de rapportage van Hamilton geordend in het geding te brengen,

verwijst de zaak naar de rol van 18 mei 2016, eerst voor voormelde akte aan de zijde van [gedaagde] en vervolgens op een termijn van vier weken voor nadere conclusies na deskundigenbericht, eerst aan de zijde van [eisers] en vervolgens aan de zijde van [gedaagde] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2016.

2515/2294