Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2769

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-04-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
ROT 16/1464
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling stellen aanvraag op grond van de Participatiewet.

Verzoeker ontkent de ontvangst van de brief waarbij hem een hersteltermijn voor het indienen van stukken is verleend.

Verweerder heeft inmiddels als zijn standpunt te kennen gegeven dat het registratiesysteem Socrates door hem niet als sluitend bewijs maar als ondersteunend bewijs voor verzending wordt gezien. Nu verweerder heeft bedoeld verzoeker een verlenging van de hersteltermijn te geven en verzoeker daarvan geen gebruik heeft kunnen maken, kan verweerder verzoeker niet tegenwerpen dat hij de gevraagde gegevens niet binnen de hersteltermijn heeft verstrekt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/1464

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. I. Car,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. C.W. de Jong.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om uitkering op grond van de Participatiewet buiten behandeling gesteld.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. R. Moghni, kantoorgenoot van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 12 januari 2016 heeft verzoeker een aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend bij verweerder. Bij brief van 28 januari 2016 heeft verweerder verzoeker onder meer verzocht uiterlijk 5 februari 2016 de bankafschriften van al zijn betaal- en spaarrekeningen over de periode van 15 oktober 2015 tot en met 28 januari 2016 in te leveren. In reactie op dit verzoek heeft de gemachtigde van verzoeker verweerder per email van 4 februari 2016 verzocht om uitstel omdat verzoeker de brief pas die dag had ontvangen en de bijlage bij de brief ontbrak. Bij brief van 5 februari 2016 heeft verweerder de hersteltermijn verlengd tot uiterlijk 13 februari 2016.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld, omdat verzoeker niet binnen de daartoe gestelde termijn alle gevraagde gegevens heeft overgelegd.

3.1

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

3.2

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken.

Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

5. Niet in geschil is dat de door verweerder gevraagde gegevens nodig waren voor de vaststelling van het recht op bijstand. Ook niet in geschil is dat verzoeker niet binnen de daartoe gestelde termijn de bankafschriften van al zijn bank- en spaarrekening heeft overgelegd, maar verzoeker ontkent de ontvangst van de brief van 5 februari 2016, waarbij hem uitstel van de hersteltermijn is verleend.

5.1

In het geval van de niet aangetekende verzending van een besluit of een ander document dat rechtens van belang is, geldt als uitgangspunt dat het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of een ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:900).

5.2.

Verweerder heeft inmiddels aan de rechtbank als zijn standpunt te kennen gegeven dat hij niet beschikt over een deugdelijke verzendadministratie waaruit de verzending van de niet aangetekend verzonden besluiten of andere documenten blijkt en dat het registratiesysteem Socrates door hem niet als sluitend bewijs van verzending wordt gezien. Verweerder heeft toegelicht dat het ‘vinkje’ bij ‘verzonden’ komt te staan als het poststuk naar de postafdeling wordt verzonden, zodat het daar nog zou kunnen blijven liggen voordat het daadwerkelijk wordt verzonden aan de geadresseerde. Verweerder ziet Socrates wel als ondersteunend bewijs voor verzending.

Gelet op dit standpunt van verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de verzending van de brief van 5 februari 2016 niet aannemelijk heeft gemaakt. Er is geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie en verweerder heeft ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat de brief aan verzoeker is verzonden.

5.3

Nu verweerder heeft bedoeld verzoeker een verlenging van de hersteltermijn te geven en verzoeker daarvan geen gebruik heeft kunnen maken, kan verweerder verzoeker niet tegenwerpen dat hij de gevraagde gegevens niet binnen de hersteltermijn heeft verstrekt

5.4

Gelet op 5.1 tot en met 5.3 was verweerder niet bevoegd om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te stellen.

6. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting niet in stand zal kunnen blijven, zodat er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening, waarbij de voorzieningenrechter bepaalt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot en met zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker en dat verweerder aan verzoeker met ingang van de datum van het verzoek,

3 maart 2016, voorschotten verstrekt naar de voor hem geldende bijstandsnorm.

7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot en met zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker,

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker met ingang van 3 maart 2016 voorschotten verstrekt naar de voor hem geldende bijstandsnorm,

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,-, te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.B. Volp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.