Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2689

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
ROT 16/1624, ROT 16/1625 en ROT 16/1626
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

3 maatregelen op grond van de Pw.

Verzoeker heeft zich mbt twee maatregelen niet verwijtbaar gedragen door zonder kennisgeving geen gehoor te geven aan verweerders oproep om te verschijnen op gesprekken. Het registratiesysteem Socrates wordt door verweerder niet gezien als sluitend bewijs maar als ondersteunend bewijs voor verzending.

Mbt de tweede maatregel heeft verzoeker zich verwijtbaar gedragen door niet te verschijnen op gesprek. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich telefonisch heeft afgemeld voor dat gesprek. Geen recidive.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 18
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummers: ROT 16/1624, ROT 16/1625 en ROT 16/1626

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 april 2016 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. S.M. Posthumus,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.C. Avedissian.

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2015 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoeker over de maand januari 2016 verlaagd met 30%.

Deze procedure is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer ROT 16/1624.

Bij besluit van 20 januari 2016 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoeker over de maand februari 2016 verlaagd met 100%.

Deze procedure is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer ROT 16/1625.

Bij besluit van 22 februari 2016 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoeker verlaagd met 100% gedurende drie maanden vanaf maart 2016. Deze procedure is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer ROT 16/1626.

Tegen deze bestreden besluiten heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2. Verzoeker ontvangt sinds 1 mei 2015 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande.

2.1.

Bij brief van 7 september 2015 is verzoeker uitgenodigd voor een gesprek op 24 september 2015 in verband met een onderzoek naar zijn arbeidsmogelijkheden. Verzoeker is zonder bericht van verhindering niet op dit gesprek verschenen.

Bij aangetekend verzonden brief van 29 september 2015 heeft verweerder verzoeker de mogelijkheid geboden om binnen 10 werkdagen na dagtekening van de brief een nieuwe afspraak te maken voor een gesprek om uit te leggen waarom hij zich niet aanwezig was. Verzoeker heeft niet gereageerd op deze brief, waarna verweerder bestreden besluit 1 heeft genomen.

2.2.

Bij brief van 2 december 2015 is verzoeker wederom uitgenodigd voor een gesprek op 10 december 2015 in verband met een onderzoek naar zijn arbeidsmogelijkheden. Verzoeker is zonder bericht van verhindering niet op dit gesprek verschenen.

Bij aangetekend verzonden brief van 11 december 2015 heeft verweerder verzoeker de mogelijkheid geboden om binnen 10 werkdagen na dagtekening van de brief een nieuwe afspraak te maken voor een gesprek om uit te leggen waarom hij zich niet aanwezig was.

Verzoeker heeft niet gereageerd op deze brief, waarna verweerder bestreden besluit 2 heeft genomen.

2.3.

Bij brief van 19 januari 2016 is verzoeker nogmaals uitgenodigd voor een gesprek op 5 februari 2016 in verband met een onderzoek naar zijn arbeidsmogelijkheden. Verzoeker is zonder bericht van verhindering niet op dit gesprek verschenen.

Bij aangetekend verzonden brief van 5 februari 2016 heeft verweerder verzoeker de mogelijkheid geboden om binnen 10 werkdagen na dagtekening van de brief een nieuwe afspraak te maken voor een gesprek om uit te leggen waarom hij zich niet aanwezig was. Verzoeker heeft niet gereageerd op deze brief, waarna verweerder bestreden besluit 3 heeft genomen.

3. Verweerder heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat verzoeker zich verwijtbaar heeft gedragen door zonder kennisgeving geen gehoor te geven aan een uitnodiging om te verschijnen op een gesprek in verband met een onderzoek naar zijn arbeidsmogelijkheden. Uit de bestreden besluiten blijkt dat de verzoeker verweten gedraging het niet nakomen van een zogenaamde niet-geüniformeerde arbeidsverplichting is, zoals deze is neergelegd in artikel 5 van de Verordening maatregelen en handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ (Verordening). Ten aanzien van de bestreden besluiten 2 en 3 is sprake van recidive.

ROT 16/1624 en ROT 16/1626

4. Verzoeker voert aan dat geen sprake is een verwijtbare gedraging nu hij niet op de hoogte was van de afspraken op 24 september 2015 en 5 februari 2016 omdat hij de uitnodigingen daartoe niet heeft ontvangen. Ook heeft hij geen informatie ontvangen dat tevergeefs is geprobeerd bij hem een poststuk te bezorgen.

4.1.

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij niet beschikt over een deugdelijke verzendadministratie waaruit de verzending van de niet aangetekend verzonden brieven blijkt. Het registratiesysteem Socrates wordt door hem niet als sluitend bewijs van verzending gezien. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het ‘vinkje’ bij ‘verzonden’ komt te staan als het poststuk naar de postafdeling wordt verzonden, zodat het daar nog zou kunnen blijven liggen voordat het daadwerkelijk wordt verzonden aan de geadresseerde. Verweerder ziet Socrates wel als ondersteunend bewijs voor verzending.

Gelet op deze toelichting is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de verzending van de brieven van 1 en 7 september 2015 en van 19 januari 2016 niet aannemelijk heeft gemaakt. Er is geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie en verweerder heeft ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat de brieven aan verzoeker zijn verzonden.

4.2.

Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat verzoeker zich verwijtbaar heeft gedragen door zonder kennisgeving geen gehoor te geven aan verweerders oproep om te verschijnen op de gesprekken op 24 september 2015 en 5 februari 2016.

4.3.

Nu geen sprake is van een maatregelwaardige gedraging heeft verweerder bij de bestreden besluiten ten onrechte een maatregel opgelegd.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar de bestreden besluit 1 en 3 naar verwachting niet in stand zullen blijven, zodat aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening, in die zin dat de bestreden besluiten 1 en 3 worden geschorst.

Dit betekent dat verweerder tot uitbetaling van verzoekers uitkering over de maanden januari en februari 2016 zal dienen over te gaan.

ROT 16/1625

5. Verzoeker betoogt dat hij zich tijdig heeft afgemeld voor het gesprek op 10 december 2015 door telefonisch aan verweerder door te geven dat hij niet kon komen wegens ziekte. De aangetekend verzonden brief van 11 december 2015 heeft verzoeker wel ontvangen, maar hij heeft over de uitnodiging om binnen 10 werkdagen contact met verweerder op te nemen heen gelezen. Voor zover de afwezigheid wel verwijtbaar is, had verweerder hem een uitnodiging voor een later gesprek moeten sturen.

5.1.

Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a.

Artikel 18, tweede lid, van de Pw bepaalt dat het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet.

5.2.

Artikel 2, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat het college in overeenstemming met deze verordening een maatregel oplegt in de gevallen bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Pw.

Op grond van het tweede lid wordt een maatregel als bedoeld in het eerste lid afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert.

Op grond van artikel 5, eerste lid, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder b, sub 4, van de Verordening verlaagt verweerder de bijstandsnorm bij niet nakomen van

- voor zover hier van belang - de onder de tweede categorie vallende verplichting om te verschijnen op een oproep ivoor een onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden.

Op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening wordt de maatregel, bij een gedraging van de tweede categorie als bedoeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, vastgesteld op 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening, legt verweerder, indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een waarschuwing dan wel een maatregel is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 5 van deze verordening opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, een maatregel op van 100% gedurende één maand.

5.3.

Vast staat dat verzoeker niet is verschenen op het gesprek op 10 december 2015.

Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich telefonisch heeft afgemeld voor dit gesprek. Verzoeker heeft ter zitting desgevraagd aangegeven niet te weten wanneer hij heeft gebeld en met wie hij heeft gesproken. Uit het door verweerder overgelegde RAAK-overzicht volgt niet dat verzoeker telefonisch contact met verweerder heeft gezocht. De zinsnede in de brief van 11 december 2015 “U bent niet gekomen en u heeft afgebeld met een voor de gemeente Rotterdam ongeldige reden” moet dan ook als een kennelijke verschrijving worden aangemerkt. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker verwijtbaar niet is verschenen op het gesprek van 10 december 2015.

5.4.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder gehouden was aan verzoeker een maatregel op te leggen. Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd bevestigd dat hij niet heeft gereageerd op de zogeheten no showbrief van 11 december 2015, waardoor een hoor- en wederhoorgesprek niet heeft kunnen plaatsvinden en verweerder geen rekening heeft kunnen houden met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker. Onder deze omstandigheden hoefde verweerder verzoeker niet nogmaals uit te nodigen voor een gesprek.

De door verzoeker in bezwaar gestelde omstandigheden zijn geen dringende redenen die verweerder had moeten nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het opleggen van de maatregel.

5.5.

Nu uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat geen sprake is van recidive en er ook anderszins door verweerder niet is gemotiveerd dat er een reden is voor verzwaring van de maatregel door deze te verhogen naar 100% van de bijstandsnorm, zal in bezwaar het bestreden besluit 2 naar verwachting niet in stand blijven en bestaat er aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5.6.

Gelet op 5.1 tot en met 5.5 ligt het in de rede dat in de beslissing op het bezwaar aan verzoeker met ingang van 1 maart 2016 een maatregel van 30% verlaging van zijn uitkering gedurende één maand zal worden opgelegd. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om te bepalen dat bij wijze van voorlopige voorziening de hoogte van de maatregel wordt bepaald op 30% van de voor verzoeker geldende bijstandsnorm, zodat verweerder tot uitbetaling van het restant zal dienen over te gaan.

6. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker de door hem betaalde griffierechten vergoedt.

7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1. Daarbij merkt de voorzieningenrechter de zaken ROT 16/1624, ROT 16/1625 en ROT 16/1626 aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken ROT 16/1624 en ROT 16/1626 toe en schorst de bestreden besluiten tot zes weken na de bekendmaking van de beslissingen op de bezwaren van verzoeker;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak ROT 16/1625 toe, in die zin dat de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld op 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand met ingang van 1 maart 2016;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van in totaal € 138,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,-, te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.B. Volp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.