Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2678

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
C/10/481536 / HA ZA 15-801
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Contractuele partneralimentatie (overeenkomst tussen ongehuwden/ ongeregistreerden). Vaststelling partneralimentatie door handelskamer van de rechtbank. Rechtbank Rotterdam wijkt af van rechtbank Midden-Nederland 26 juni 2013 ECLI:RBMNE:2013:7125.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/90
EB 2016/64
JPF 2016/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/481536 / HA ZA 15-801

Vonnis van 23 maart 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. N. Plaisier,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.A.T. van Ginderen.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 september 2015 en de daarin genoemde stukken,

  • -

    de overgelegde producties,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2015,

  • -

    de akte van de vrouw,

  • -

    de antwoordakte van de man.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben samengewoond op basis van een affectieve relatie. Partijen hebben op 30 augustus 2013 ten overstaan van de notaris een samenlevingsovereenkomst gesloten. In de samenlevingsovereenkomst (akte) staat onder meer, deels samengevat:

- dat de man en de vrouw op 30 augustus 2013 in persoon bij de notaris zijn verschenen;

- in artikel 14:

14. Alimentatieregeling

De partners komen overeen dat, indien de partners de samenwoning beëindigen en niet langer een gemeenschappelijke huishouding voeren, de meest draagkrachtige partner verplicht is aan de andere partner een uitkering tot levensonderhoud te verschaffen. De partners beschouwen dit als een dringende verplichting van moraal en fatsoen. Het bedrag dat wordt uitgekeerd en de duur van de uitkering zijn afhankelijk van de draagkracht, de behoefte, de leeftijd van de partners, de duur van de samenleving en de eventuele andere relevante omstandigheden.

De partners beogen met de vorenstaande alimentatieregeling een regeling te treffen die zoveel mogelijk overeenstemming vertoont met het bepaalde in de artikelen 1:157 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

- aan het einde van de akte, als slotverklaring van de notaris:

De verschenen personen hebben verklaard tijdig voor het verlijden van de inhoud van de akte te hebben kennis genomen, in te stemmen met beperkte voorlezing en te zijn gewezen op de gevolgen die van partijen uit de inhoud van deze akte voortvloeien.

Deze akte is beperkt voorgelezen en onmiddellijk daarna ondertekend, eerst door de verschenen personen en vervolgens door mij, notaris.”

2.2.

De affectieve relatie en de samenwoning van partijen zijn omstreeks oktober/november 2014 ten einde gekomen.

2.3.

De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 7 januari 2015 de man onder meer verzocht zijn financiële gegevens over te leggen ter berekening van de partneralimentatie die de man (gesteld) contractueel verschuldigd is aan de vrouw. De man heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven.

3 De vordering

3.1.

De vrouw vordert, na akte eiswijziging, samengevat, veroordeling van de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 1.953,- per maand vanaf 1 november 2014 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, althans van een bedrag in goede justitie te bepalen.

De vrouw stelt dat de man gehouden is tot nakoming van de partneralimentatie-afspraak uit de samenlevingsovereenkomst. De vrouw berekent haar behoefte aan de hand van de zogeheten “Hof-norm.” De vrouw stelt dat voldaan wordt aan de contractuele voorwaarden die gelden voor recht op partenalimentatie. De vrouw werkte tijdens de relatie met de man niet. De vrouw komt thans niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering omdat zij een te dure auto heeft. De man geniet een inkomen van € 62.719,- per jaar (in 2014).

4 Het verweer

4.1.

De man erkent dat partijen ten overstaan van de notaris een samenlevingsovereenkomst hebben gesloten. De man voert aan dat hij onbekend was met enige regeling omtrent partenalimentatie in deze samenlevingsovereenkomst, totdat de vrouw de man daarop na het uiteengaan van partijen aansprak. Volgens de man is de conceptakte vooraf niet aan hem toegezonden en heeft de notaris artikel 14 van de samenlevingsovereenkomst bij het ondertekenen van de akte niet voorgelezen.

4.2.

De man beroept zich op het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 juni 2013 ECLI: RBMNE:2013:7125. Daarin is geoordeeld dat de rechter alleen bevoegd is om een alimentatie vast te stellen/ berekenen indien de alimentatieplicht is gebaseerd op de wet en niet wanneer deze is gebaseerd op een overeenkomst.

4.3.

De man betwist dat de vrouw behoefte heeft aan partneralimentatie. Volgens de man beschikt de vrouw over vermogen en heeft zij verdiencapaciteit. De vrouw heeft ervaring als lerares op een basisschool zodat zij volgens de man met arbeid in haar eigen inkomen kan voorzien. De man verzet zich tegen toepassing van de Hof-norm. Volgens de man dient de - gestelde - behoefte van de vrouw volgens vaste jurisprudentie zoveel mogelijk vastgesteld te worden aan de hand van concrete financiële gegevens. De man stelt dat hij een draagkracht heeft van € 41,- bruto per maand.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank heeft partijen op de voet van HR 31 oktober 2014 ECLI:NL:HR:2014:3076 bij brief gevraagd of bezwaar bestaat tegen het wijzen van onderhavig vonnis door een andere rechter dan de rechter die in onderhavige procedure de zitting heeft geleid (comparitie van partijen). Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn kenbaar gemaakt dit bezwaar te hebben, zodat dit vonnis door een andere rechter wordt gewezen.

5.2.

De alimentatieregeling is vastgelegd in een door beide partijen ondertekende (notarieel verleden) akte en deze regeling heeft daarmee dwingende bewijskracht tussen partijen. Hetgeen de man aanvoert biedt onvoldoende aanknopingspunten voor tegenbewijs. Het - kale - verweer van de man dat hij de alimentatieregeling niet kent is daarvoor onvoldoende, alleen al omdat in het slot van de notariële akte wordt verklaard dat de man tijdig kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de akte. Daarbij komt dat de vrouw ter comparitie van partijen heeft verklaard dat zij nog gehuwd was met een ander toen zij een relatie kreeg met de man en dat zij toen tegen de man heeft gezegd (in de bewoordingen van het proces-verbaal):

dat het misschien slimmer was om zelf een woning te huren omdat ik dan nog recht zou hebben op 12 jaar partenalimentatie van mijn ex-man. Ik heb toen aan de man aangegeven dat als we gingen samenwonen en onze relatie zou beëindigen, niet met lege handen zou komen te staan. Hij zei toen dat hij mij zou helpen als onze relatie stuk zou lopen. Hij zou mij helpen met een woning en klussen. Hij gaf aan dat ik hem kon vertrouwen en dat we als we de mogelijkheid hadden een convenant zouden opstellen zodat ik meer zekerheid had. Met convenant bedoel ik deze notariële akte.”

Deze toelichting van de vrouw strookt met de tekst van alimentatieregeling, waarin sprake is van omzetting van een (mogelijke) natuurlijke verbintenis. De man heeft deze toelichting niet betwist. Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat beide partijen, in elk geval bij verlijden van de notariële akte in augustus 2013, er vanuit gingen dat na beëindiging van de samenleving bij de vrouw behoefte kon bestaan aan een uitkering tot levensonderhoud en bij de man draagkracht, een en ander te beoordelen naar het tijdstip van uiteengaan.

5.3.

De man stelt voorts geen feiten of omstandigheden die er op kunnen wijzen dat hij zich beroept op een wilsgebrek als bijvoorbeeld dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden. Ook de feiten die in deze procedure zijn gebleken wijzen niet op een wilsgebrek.

5.4.

Er wordt derhalve uitgegaan van de rechtsgeldigheid van de contractuele alimentatieregeling. De rechtbank legt de alimentatieregeling uit als de afspraak dat na verbreken van de samenleving een aanspraak kan bestaan op een uitkering tot levensonderhoud, rekening houdende met onder andere de draagkracht van de man, de behoefte van de vrouw, de leeftijd van partijen en de duur van de samenleving. De vrouw kan nakoming van deze afspraak verlangen, indien partijen er in onderling overleg niet uitkomen. In dat geval zal de rechter de uitkering tot levensonderhoud dienen vast te stellen met toepassing van artikel 6:248 BW, waarbij de op grond van artikel 1:157 BW ontwikkelde normen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een rol kunnen spelen. In zoverre volgt de rechtbank niet de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 26 juni 2013 (ECLI:NL:RBMNE: 2013:7125) dat voor de burgerlijke rechter niet zijnde de alimentatierechter geen rol is weggelegd bij de vaststelling van een uit hoofde van een tussen ex-samenlevers overeengekomen alimentatieregeling.

5.5.

De vordering van de vrouw strekt tot vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud ten bedrage van € 1.953,- bruto per maand met ingang van 1 november 2014. Zij stelt dat zij behoefte heeft aan een uitkering tot dat bedrag nu zij vanaf 1 november 2014 in het geheel geen inkomen geniet. Gelet op het verweer van de man dient de vrouw haar behoefte concreet te onderbouwen. Niet kan worden volstaan met een verwijzing naar de Hof-norm. De vrouw heeft in Bijlage M bij de brief van 8 juli 2015 aan de griffie van de rechtbank (familieteam) een specificatie van haar behoefte overgelegd, tot in totaal een bedrag van € 2.229,- per maand. De man heeft een en ander betwist. Daarbij komt dat in deze berekening stelposten zijn opgenomen, zoals ‘mogelijke woning’, terwijl de vrouw op dat moment bij een familielid (H.W. Steijl) inwoonde. Aangaande de vraag welke aanvullende behoefte van de vrouw resulteert, heeft zij voorts onvoldoende duidelijke en recente gegevens omtrent haar inkomen en vermogen verschaft. Het overleggen van de nihilaanslagen over 2011 en 2012 en de inkomensverklaring over 2013 (nihil) is ontoereikend, te meer nu de man stelt dat vrouw over vermogen beschikt en voorts uit hoofde van de verkoop van de gezamenlijke woning nog gelden zal ontvangen.

5.6.

De man heeft aangevoerd dat de vrouw hoe dan ook zelf in haar aanvullende behoefte kan voorzien, aangezien zij als leerkracht basisonderwijs inkomen uit arbeid kan verwerven. De vrouw heeft hiertegenover niets aangevoerd aangaande het ontbreken van verdiencapaciteit in haar eigen werk als leerkracht. De vrouw stelt niets omtrent haar arbeidsverleden, de vrouw stelt niet welke opleiding en ervaring zij heeft, de vrouw stelt niet dat toetreding tot de arbeidsmarkt redelijkerwijs niet van haar gevergd kan worden en de vrouw stelt niet dat zij solliciteert. De man heeft nog aangevoerd dat de vrouw twee kinderen heeft die inmiddels meerderjarig zijn, hetgeen de vrouw niet heeft weersproken. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de zorg voor jonge kinderen in dit geval geen reden kan zijn om niet toe te treden tot de arbeidsmarkt. De vrouw stelt wel dat zij niet werkte toen zij samenwoonde met de man. “Niet werken” kan echter niet zonder meer gelijk worden gesteld aan “zich in redelijkheid geen inkomsten kunnen verwerven.” De samenwoning van partijen heeft slechts circa drie jaar geduurd. Er is dus geen sprake geweest van een tientallen jaren durend traditioneel rollenpatroon dat thans een belemmering voor de vrouw zou kunnen vormen om toe te treden tot de arbeidsmarkt. Ook heeft de vrouw, in haar laatste akte, nog gesteld dat bewust geen bedrag aan partner- alimentatie is opgenomen in de samenlevingsovereenkomst, omdat de toekomst niet te voorspellen viel: de man zou bijvoorbeeld ziek kunnen worden “en/ of de vrouw (zou) inmiddels een baan (kunnen hebben). De rechtbank maakt hieruit de gevolgtrekking dat de partijen hun samenleving niet aldus hebben ingericht dat de man (duurzaam) kostwinnaar zou zijn en dat de vrouw geen betaalde arbeid zou verrichten.

5.7.

Slotsom is dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat bij haar een (aanvullende) behoefte aan een uitkering tot levensonderhoud bestaat. Zij kan derhalve geen aanspraak maken op een dergelijke uitkering op grond van de alimentatieregeling in het samenlevingscontract. Aan een beoordeling van de draagkracht van de man wordt niet toegekomen. De vordering zal derhalve worden afgewezen.

5.8.

De proceskosten tussen partijen (ex-partners) zullen worden gecompenseerd.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst het gevorderde af,

6.2.

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016.1

1 2517/2504