Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2633

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
C/10/473341 / HA ZA 15-320
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade; mishandeling; onrechtmatig handelen; rechtvaardigingsgrond; uitlokking; causaal verband klachten en mishandeling; deskundigenonderzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/473341 / HA ZA 15-320

Vonnis van 6 april 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. E.A. Echter,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. drs. M.T. Dijkstra.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 augustus 2015 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 4 november 2015;

  • -

    de conclusie van repliek (tevens houdende vermindering van eis);

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    de akte overlegging producties van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 20 juli 2013 heeft zich te Vlaardingen een incident voorgedaan tussen [eiser] en [gedaagde] . [gedaagde] heeft [eiser] daarbij op zijn achterhoofd geslagen, waarna [eiser] ongelukkig ten val is gekomen tegen een paal. Als gevolg van de klap en de aansluitende val tegen een paal heeft [eiser] onder meer een gebroken nek(wervel) opgelopen.

2.2.

[gedaagde] is in verband met dit incident strafrechtelijk vervolgd. De rechtbank heeft bij onherroepelijk geworden vonnis van 4 april 2014 bewezen verklaard dat [gedaagde] : “op 20 juli 2013 te Vlaardingen aan een persoon genaamd [eiser] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken nekwervel) heeft toegebracht, door deze opzettelijk tegen het achterhoofd te slaan, ten gevolge waarvan die [eiser] tegen een (stalen) (draag)paal is gevallen.” [gedaagde] is wegens zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk en een werkstraf van 240 uren. [gedaagde] is voorts veroordeeld om aan [eiser] een bedrag te betalen van € 6.171,05 ter vergoeding van materiële schade (eigen risico, schorsingskosten auto, parkeerkosten, telefoonkosten, daggeld vergoeding en verschil tussen loon en ziekte-uitkering, reiskosten, kosten van medicijnen en huishoudelijke hulp), alsmede een bedrag van € 6.000,00 ter vergoeding van materiële schade.

2.3.

Bij vonnis in incident van 17 juni 2015 van deze rechtbank (zaaknummer / rolnummer C/10/473390 / KG ZA 15-354) is [gedaagde] veroordeeld om voor de duur van het geding aan [eiser] te betalen een voorschot van € 50.000,00, vermeerderd met rente.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na vermindering van eis, kort en zakelijk weergegeven:

  1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de gevolgen van het door [gedaagde] jegens [eiser] op 20 juli 2013 gepleegde geweldsmisdrijf;

  2. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 39.931,91 ter zake van materiële schade en betaling van € 30.000,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met rente;

  3. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de kosten voor het opstellen van een schadeberekening;

  4. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding ter zake van verlies aan verdienvermogen en pensioenschade, nader op te maken bij staat;

  5. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, de kosten van het incident daaronder begrepen.

3.2.

[eiser] heeft -in essentie- aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] een onrechtmatige daad jegens hem heeft gepleegd door hem te mishandelen. Het strafvonnis van de rechtbank van 4 april 2014 levert hiervan dwingend bewijs op. [eiser] heeft als gevolg daarvan schade geleden en lijdt hierdoor nog steeds schade. [gedaagde] is aansprakelijk voor de gevolgen van de onrechtmatige daad en dient de daardoor ontstane schade te vergoeden. Als gevolg van de handelwijze van [gedaagde] heeft [eiser] materiële schade en immateriële schade geleden. De materiële en immateriële schade bedraagt in totaal € 69.931,91. Daarnaast is sprake van verlies aan verdienvermogen en pensioenschade. Door de mishandeling ondervindt hij, onder meer, forse pijnklachten en cognitieve stoornissen en is sprake van psychische klachten, aldus [eiser] . Ter onderbouwing van het bestaan van voormelde klachten heeft [eiser] verwezen naar informatie uit de behandelend sector, waaronder brieven van neurochirurg [neurochirurg] , revalidatiearts [revalidatiearts 1] , revalidatiearts [revalidatiearts 2] , neuroloog [neuroloog] , psycholoog [psycholoog] , arts seksuoloog [arts] en KNO-arts [kno-arts] (productie 1A tot en met 1H bij dagvaarding). Volgens [eiser] zijn deze klachten een rechtstreeks gevolg van de zware mishandeling die hem is overkomen.

3.3.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, en voert hiertoe -in essentie- de volgende verweren aan.

3.4.

Primair stelt [gedaagde] dat [eiser] hem heeft uitgelokt, dan wel dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser] . [eiser] had enkele keren door zijn gevaarlijke rijgedrag kinderen en volwassen in gevaar gebracht en [gedaagde] sprak hem daarop aan in de sportschool. Daarop reageerde [eiser] onverschillig.

De onverschilligheid van [eiser] droeg bij tot een oplopend gevoel van stress en agitatie bij [gedaagde] en daarmee aan de uiteindelijke escalatie van het conflict. Doordat [gedaagde] werd uitgelokt is er geen sprake van een onrechtmatige daad; [gedaagde] verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 1995 (NJ 1997, 592). Subsidiair betwist [gedaagde] dat causaal verband bestaat tussen de door [eiser] gestelde klachten/beperkingen en de mishandeling. In dit verband wijst [gedaagde] op een tweede ongeval (een val in de badkamer in het najaar van 2013) en op het ontbreken van gegevens over pre-existentie en op mogelijk ook andere relevante alternatieve oorzaken voor de door [eiser] gestelde klachten.

Meer subsidiair betwist [gedaagde] de omvang van de gestelde schade.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 6:162 BW is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander daardoor lijdt te vergoeden.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat het slaan op het achterhoofd van een ander, waardoor die ander letsel oploopt, in beginsel onrechtmatig is. Verder geldt dat op grond van artikel 161 Rv het in kracht van gewijsde gegane, op tegenspraak gewezen vonnis van 4 april 2014, waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat [gedaagde] [eiser] heeft mishandeld met letsel tot gevolg, dwingend bewijs oplevert van dat feit. [gedaagde] heeft daartegen geen tegenbewijs aangeboden. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat hij [eiser] op het achterhoofd heeft geslagen. Aldus staat de mishandeling in rechte vast. Partijen twisten evenwel over de vraag of [gedaagde] hiermee onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Immers, van onrechtmatig handelen is geen sprake indien komt vast te staan dat voor het handelen van [gedaagde] een rechtvaardigingsgrond bestaat (artikel 6:162 lid 2 BW).

4.3.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 1995 (NJ 1997, 592) heeft [gedaagde] primair aangevoerd dat [eiser] de klap heeft uitgelokt. Dit verweer faalt. Daartoe is het volgende redengevend. Indien juist is de lezing van [gedaagde] dat [eiser] enkele keren door zijn gevaarlijke rijgedrag kinderen en volwassenen in gevaar heeft gebracht en, daarop aangesproken door [gedaagde] , onverschillig reageerde, hetgeen [gedaagde] vervolgens irriteerde, dan is daarmee nog niet gegeven dat het gedrag van [gedaagde] zo zeer is uitgelokt door [eiser] dat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld. Van een aanhoudend provocerend gedrag van [eiser] , zoals in de aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad aan de orde, was in de onderhavige situatie geen sprake. [gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank buitenproportioneel gereageerd op het gestelde - overigens betwiste - gedrag van [eiser] . Dat komt geheel voor rekening en risico van [gedaagde] . Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen de ernst van het veroorzaakte letsel.

4.4.

Om dezelfde reden (kort gezegd: de gestelde gedragingen van [eiser] vormen geen rechtvaardiging voor het door [gedaagde] gebruikte geweld) faalt het verweer van [gedaagde] dat de schade van [eiser] mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [eiser] kan worden toegerekend, althans dat op grond van de billijkheid moet worden geconcludeerd dat zijn gedrag niet onrechtmatig was. Evenmin is de rechtbank van oordeel dat het gedrag van [gedaagde] hem vanwege de gestelde gedragingen van [eiser] niet kan worden toegerekend. Als er al enige causale bijdrage aan het incident bestaat in het handelen van [eiser] (het gestelde onverschillig reageren op het aangesproken worden op zijn vermeende gevaarlijke rijgedrag), dan nog dient de vergoedingsplicht op grond van de billijkheidscorrectie geheel in stand te blijven, gezien de verwijtbaarheid van het handelen van [gedaagde] en de ernstige gevolgen die de mishandeling voor [eiser] heeft gehad (een gebroken nek[wervel]).

4.5.

De slotsom van het vorenstaande is dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en dat het handelen van [gedaagde] aan hem kan worden toegerekend zodat hij aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en lijdt als gevolg van de mishandeling door [gedaagde] . De vordering onder a. kan mitsdien worden toegewezen.

4.6.

Niet in geschil is dat de door [eiser] gestelde en door hem ondervonden klachten op zich bestaan. Partijen twisten over de causaliteit van de klachten die [eiser] als gevolg van de mishandeling stelt te ondervinden (en de gevolgen daarvan op zijn

-beroepsmatige- leven). De stelplicht en bewijslast van het causale verband tussen de door [eiser] gestelde klachten en de mishandeling rust op [eiser] .

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank laat zich het causaal verband tussen de mishandeling en de door [eiser] gestelde klachten, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde] ( [gedaagde] verwijst hierbij naar een advies van een door hem geraadpleegde medisch adviseur; productie 2 bij conclusie van dupliek), thans onvoldoende uit de overgelegde (medische) stukken afleiden. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat uit de door [eiser] overgelegde (medische) stukken kan worden afgeleid dat het oordeel van de betreffende behandelend arts klaarblijkelijk grotendeels is gebaseerd op de anamnese, dus op door [eiser] zelf verstrekte gegevens, waarbij de grondhouding van de behandelend arts zal zijn dat er in beginsel geen reden bestaat om kritisch te onderzoeken of de verstrekte gegevens juist en volledig zijn. Dat is reden om voorzichtig te zijn met het verbinden van juridische gevolgen aan dat oordeel.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat zonder nader onderzoek, waarbij ook de medische voorgeschiedenis van [eiser] , de val in de badkamer in het najaar van 2013 en eventuele alternatieve oorzaken betrokken worden, geen eenduidig oordeel is te geven over het causaal verband tussen de klachten die [eiser] ervaart en de mishandeling. Eerst is nader onderzoek naar de medische causaliteit nodig voordat de juridische causaliteit kan worden beoordeeld. De rechtbank heeft dan ook behoefte aan deskundige voorlichting om te beoordelen of (en in hoeverre) de door [eiser] gestelde klachten als gevolg van de mishandeling zijn aan te merken.

Om die reden zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de rol voor uitlating door partijen over de te benoemen deskundige (de rechtbank gaat vooralsnog uit van de benoeming van één deskundige) en de aan de deskundige te stellen vragen. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat partijen zich in hun voorstellen voor de vraagstelling zoveel mogelijk zullen richten naar het IWMD-model en dat partijen, alvorens hun voorstellen te formuleren, zullen proberen tot een eensluidend voorstel te komen.

4.9.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 4 mei 2016 voor akte uitlating benoeming deskundige(n) aan de zijde van beide partijen;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Verschuur en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2016.1

1 801/2323