Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2548

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
4818826
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In geschil is of gedaagde, met het aanbieden van aanvullende arbeidsvoorwaarden aan de werknemers, in strijd handelt met de ondernemings-cao. Eisers vinden van wel en vorderen dat gedaagde dit aanbod intrekt. Geoordeeld wordt dat sprake is van een standaard-cao die niet uitputtend is. Sommige aanvullende arbeidsvoorwaarden zijn wel in strijd met de cao, andere niet. Voor zover er sprake is van een inbreuk, slaagt het beroep van gedaagde op artikel 6:248 BW. Het buiten toepassing verklaren van het aanbod van gedaagde leidt tot een resultaat dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De vordering van eisers wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 12
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 13
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1041
RAR 2016/106
PJ 2016/81
JAR 2016/123 met annotatie van mr. dr. A. Stege
AR-Updates.nl 2016-0367
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4818826 / VV EXPL 16-59

uitspraak: 6 april 2016

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

CNV Vakmensen.nl,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in conventie,

tevens verweerster in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. A.T. Chinnoe te Utrecht,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Federatie Nederlandse Vakbeweging,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

tevens verweerster in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. M.J.M. Postma te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

APM Terminals Maasvlakte II B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

tevens eiseres in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. J.H. Even te Rotterdam.

Partijen worden hierna afzonderlijk “CNV”, “FNV” respectievelijk “APMT MVII” genoemd. CNV en FNV worden gezamenlijk “de vakbonden” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de inhoud van de volgende processtukken:

- de dagvaarding in kort geding van 19 februari 2016, met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens van voorwaardelijke eis in reconventie, met producties;

- de fax zijdens de vakbonden d.d. 18 maart 2016, met aanvullende producties;

- de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitaantekeningen door de gemachtigden van iedere partij.

1.2

Bij deze rechtbank is tevens aanhangig een procedure in kort geding met zaaknummer 4826224 / VV EXPL 16-69, waarin CNV en FNV als eiseressen optreden, APM Terminals Rotterdam B.V. (hierna: “APMTR”) als gedaagde en de ondernemingsraad van APMTR (hierna: “de ondernemingsraad”) als eiser in het incident tot voeging aan de zijde van APMTR.

1.3

In beide procedures heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op 21 maart 2016.

Namens CNV is dhr. [D.] (vakbondsbestuurder) verschenen, bijgestaan door

mr. A.T. Chinnoe. Namens FNV is dhr. [L.]bestuurder FNV Havens) verschenen, bijgestaan door mr. M.J.M. Postma. Namens APMT MVII is dhr. [V.] verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Even. Namens APMTR is dhr. [H.] (managing director) verschenen, bijgestaan door mr. R.E.N. Ploum. Namens de ondernemingsraad is

mr. W.J. van den Bos verschenen.

Ter zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden.

1.4

De uitspraak in beide zaken is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd weersproken staat tussen partijen – voor zover thans van belang – het volgende vast:

2.1

APMT MVII houdt zich bezig met de ontwikkeling en exploitatie van een containerterminal. De activiteiten bestaan uit laad-, los- en overslagactiviteiten voor de zeevaart.

2.2

De werknemers van APMT MVII vallen onder de ondernemings-CAO die APMT MVII heeft gesloten met de vakbonden en die loopt van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 (hierna: “de CAO”).

2.3

In de CAO is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Artikel 3: Karakter van de CAO

Dit is een standaard CAO. Dit betekent dat niet in voor de werknemer gunstige zin of ongunstige zin van de inhoud van de bepalingen mag worden afgeweken.

Artikel 4: Vaststelling van de loon- en arbeidsvoorwaarden

De loon- en arbeidsvoorwaarden voor de werknemers zijn vastgesteld gelijk omschreven in de artikelen van deze overeenkomst, alsmede de aan deze overeenkomst gehechte en – overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 van deze CAO – alsnog te hechten bijlagen, welke door partijen zijn gewaarmerkt.

Artikel 5: Aanvullingen en wijzigingen van de loon- en arbeidsvoorwaarden

Partijen keuren bij voorbaat goed dat loon- en arbeidsvoorwaarden, welke na ondertekening van deze overeenkomst tussen partijen mochten worden overeengekomen, alsnog aan deze overeenkomst zullen worden gehecht.

Bij tussentijdse wijziging of aanvulling ten gevolge van algemeen overleg over de in deze overeenkomst genoemde en door partijen gewaarmerkte loon- en arbeidsvoorwaarden, zullen deze gewijzigde of nieuwe loon- en arbeidsvoorwaarden eveneens aan deze overeenkomst worden gehecht en door partijen worden gewaarmerkt.

Deze overeenkomt blijft overigens onveranderd van kracht.

Artikel 6: Buitengewone veranderingen in de algemeen sociaaleconomische verhoudingen

In geval van buitengewone veranderingen in de algemeen sociaaleconomische verhoudingen in Nederland en/of wijzigingen in de loon- en prijspolitiek van de regering zijn zowel de werkgever als de vakorganisaties gerechtigd tijdens de duur van de overeenkomst wijzigingen van de overeenkomst, welke met deze veranderingen in direct verband staan, aan de orde te stellen.

Partijen zijn in deze gevallen verplicht de aan de orde gestelde voorstellen in behandeling te nemen. (…)

Artikel 8: Verplichtingen van de werkgever

De werkgever verbindt zich tegenover de vakorganisaties de werknemers op geen andere voorwaarden arbeid te laten verrichten dan de in artikel 4 van deze CAO genoemde. (…)”

2.4

Vanaf februari 2015 voeren de bedrijven in de containersector in de haven van Rotterdam (hierna: “de containerbedrijven”), waaronder APMTR en APMT MVII, overleg met de vakbonden over een werkgelegenheidsplan voor de gehele sector, onder leiding van het Havenbedrijf Rotterdam. Eind november 2015 hebben de vakbonden een voorultimatum gesteld aan de containerbedrijven. Op 11 december 2015 hebben de containerbedrijven een tegenbod gedaan. De vakbonden hebben dit bod niet geaccepteerd. Bij brieven van

31 december 2015 hebben de vakbonden een ultimatum gesteld aan de containerbedrijven. Op 7 januari 2016 heeft een 24-uurs staking plaatsgevonden.

2.5

Op 6 januari 2016 heeft APMTR een ‘Akkoord Werkgelegenheid APMT Rotterdam BV’ (hierna: “het Akkoord”) gesloten met de ondernemingsraad met betrekking tot de werkgelegenheidsgarantie, schadeloosstelling bij boventalligheid, uitbreiding van de Senioren Fit regeling en een vergoeding indien een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wordt verlengd.

2.6

Op 8 januari 2016 heeft APMT MVII naar aanleiding van het Akkoord een aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst (hierna: “de Aanvulling”) opgesteld en deze naar alle werknemers verzonden, met het verzoek bij akkoord de Aanvulling te ondertekenen en retour te zenden aan APMT MVII.

2.7

In de Aanvulling is het volgende vermeld:

“Als aanvulling op uw individuele arbeidsovereenkomst met APM Terminals Maasvlakte II B.V. (APMT MVII) gelden de onderstaande voorwaarden:

1. APMT MVII garandeert de werkgelegenheid en bijbehorend inkomen tot 1 juli 2020 voor u, indien u op 1 december 2015 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met APMT MVII heeft. Deze garantie geldt niet voor een ontslag op grond van andere redenen dan om bedrijfseconomische of organisatorische redenen.

2. Introductie van een Senioren Haven FIT regeling voor een periode van 5 jaar, waarbij oudere medewerkers minder werken dan ze betaald krijgen. De regeling biedt toetreding per 1 juli 2016 voor de medewerkers met geboortejaar 1952-1953-1954-1955-1956.

Indien u geboren bent in één van deze jaren, kunt u vanaf de leeftijd van 60 jaar, gedurende maximaal 5 jaar 60% werken tegen betaling van 95% van het loon en met behoud van 100% pensioenopbouw.

Indien u met ingang van 01 juli 2016 of later gaat deelnemen aan de Senioren Haven FIT regeling geldt een eenmalige extra dienstjarenpremie van € 5.000 bruto. Als voorwaarde geldt dat u aansluitend aan de periode van gebruikmaking aan de (uitgebreide) Senioren Haven FIT regeling uiterlijk op uw 65-jarige leeftijd met pensioen gaat. De mogelijke toetreding tot deze uitgebreide Senioren Haven FIT regeling geldt tot 1 juli 2020. Indien u in de periode van 1 juli 2016 tot 1 juli 2020 gebruik bent gaan maken van de uitgebreide Senioren Haven FIT regeling kan u onder de geldende voorwaarden gebruik blijven maken van deze regeling tot het moment van pensionering.

3. Indien u behoort tot de doelgroep introduceren wij voor u een regeling Compensatie Pensioenen volgens voorstel zoals dat eerder door de vakorganisaties is gedaan, waarbij er gekeken is naar het aantal dienstjaren dat men bij APMTR heeft gewerkt en dit als uitgangspunt wordt genomen voor de te compenseren periode bij APMT MVII. Indien u behoort tot de doelgroep van deze regeling heeft u daar in oktober 2015 een bevestigingsbrief van gehad.

Op basis van het tekort in opgebouwd pensioenkapitaal bedraagt de maximale vergoeding per jaar €4.000,- bruto waarbij de uitkeringsduur gelijk is aan de lengte van het dienstverband bij APMTR.

- Het dienstverband beperkt zich tot de APMTR diensttijd. Voorafgaande diensttijd binnen de APMM groep telt niet mee.

- Maximale uitkeringsduur is tot de 65 jarige leeftijd.

- Bij beëindiging van het dienstverband met APMT MVII stopt de uitkering.

Voor afronding zal er opnieuw met de vakorganisaties in overleg worden getreden.”

2.8

Bij brieven van 11 januari 2016 hebben de vakbonden APMT MVII erop gewezen dat zij met het aanbieden van de Aanvulling de CAO niet naleeft en hebben zij APMT MVII verzocht dit aanbod aan haar werknemers in te trekken.

3 De vordering in conventie en de stellingen van partijen

3.1

De vakbonden hebben gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. APMT MVII te verbieden om aan haar werknemers voor te stellen om de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 8 januari 2016 te ondertekenen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- per keer dat APMT MVII na betekening van dit vonnis dit verbod overtreedt;

B. APMT MVII te bevelen om aan haar werknemers, die haar voorstel om de aanvulling op de arbeidsovereenkomst d.d. 8 januari 2016 hebben ontvangen, maar die de aan hen gezonden aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst nog niet hebben ondertekend, per brief te berichten dat het aanbod tot het aangaan van de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst wordt ingetrokken en dat zij aan hen niet heeft mogen voorstellen om de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 8 januari 2016 te ondertekenen, omdat zulks in strijd met de geldende cao is en nietig, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag, een gedeelte van een dag tot het geheel rekenend, dat APMT MVII na betekening van dit vonnis nalaat aan dit bevel te voldoen;

C. APMT MVII te bevelen om aan de werknemers, die de aan hen gezonden aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 8 januari 2016 al wel hebben ondertekend, per brief te berichten dat zij aan hen niet heeft mogen voorstellen om de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 8 januari 2016 te ondertekenen, omdat zulks in strijd met de geldende cao is en dus nietig is, dat hetgeen in de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 8 januari 2016 staat niet geldt en dat de werknemers die getekend hebben aan de overeengekomen aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst geen rechten kunnen ontlenen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag, een gedeelte van een dag tot het geheel rekenend, dat APMT MVII na betekening van dit vonnis nalaat aan dit bevel te voldoen;

D. APMT MVII te bevelen dat zij in het door haar periodiek aan de werknemers te verstrekken nieuwsbulletin bericht dat:

- de aangeboden aanvulling op de arbeidsovereenkomst nietig is vanwege strijdigheid met de geldende cao en nooit aanboden had mogen worden;

- het aanbod voor zover niet reeds getekend, ingetrokken wordt;

- reeds ondertekende aanvullingen op de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig zijn overeengekomen en in plaats daarvan de geldende cao van toepassing is;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag, een gedeelte van een dag tot het geheel rekenend, dat APMT MVII na betekening van dit vonnis nalaat aan dit bevel te voldoen;

E. APMT MVII te veroordelen tot betaling van:

- een bedrag van € 5.000,-- aan ieder van de vakbonden als voorschot op de schadevergoeding in de zin van artikel 15 en 16 CAO, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

- een bedrag van € 3.000,-- aan ieder van de vakbonden als voorschot op de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding;

F. APMT MVII te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2

Aan de vordering hebben de vakbonden het volgende ten grondslag gelegd.

Er is sprake van een standaard-cao. Afwijking daarvan, in gunstige of ongunstige zin, is niet toegestaan. Enkel arbeidsvoorwaarden die met de vakbonden zijn overeengekomen in de CAO mogen door APMT MVII worden aangeboden aan haar werknemers. Indien andere voorwaarden worden aangeboden, dienen deze te zijn afgesproken met de vakbonden en dat is hier niet het geval. Door een aanvulling op de arbeidsovereenkomst aan de werknemers aan te bieden, heeft APMT MVII in strijd gehandeld met artikel 3, 4, 5 en 8 van de CAO.

De vakbonden vorderen dan ook nakoming van de CAO.

De vakbonden hebben er een spoedeisend belang bij dat APMT MVII haar handelen ongedaan maakt en aan haar werknemers bericht dat de aanvulling van de individuele arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. Zolang dat niet gebeurt, verkeren de werknemers te lang in de foute veronderstelling dat de aanvulling rechtsgeldig is. De huidige situatie schept onrust bij de werknemers. Bovendien tast het niet naleven van de CAO het gezag en de betrouwbaarheid van de vakbonden aan. Andere werkgevers zouden ook in de verleiding kunnen komen om in navolging van APMT MVII een aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst aan hun werknemers aan te bieden en het sectorale overleg voor gezien te houden. Dat is niet in het belang van de leden van de vakbonden. Binnen de containersector wordt verwacht dat het aantal banen, als gevolg van de aanleg van geautomatiseerde terminals op Maasvlakte II, zal afnemen. Dit treft de gehele sector en daarom is een oplossing op sectoraal niveau aangewezen. Eerst indien een sectorbrede oplossing is bereikt, zijn de vakbonden bereid met APMT MVII te praten over aanvullende maatregelen.

Door de weigering van APMT MVII om de CAO op correcte wijze na te leven, ondervinden de vakbonden schade, die met name bestaat uit het verlies van vertrouwen van de leden in de vakbonden en het verlies van werfkracht ten aanzien van nieuwe leden. Ook hebben zij buitengerechtelijke kosten moeten maken die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.3

Het verweer van APMT MVII strekt ertoe de vakbonden niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, althans hen deze te ontzeggen, met veroordeling van de vakbonden in de kosten van de procedure, waaronder rente en nakosten.

In de eerste plaats heeft APMT MVII betwist dat er sprake is van een spoedeisend belang.

Indien de vakbonden gelijk hebben en de Aanvulling nietig is, hebben deze bepalingen nooit gegolden en is spoedig ingrijpen niet vereist. Bovendien gaan de meeste bepalingen pas op termijn in.

Voorts heeft APMT MVII betwist dat het aanbieden van de Aanvullingen in strijd is met de CAO. De CAO is niet uitputtend en evenmin op alle punten exclusief. Het staat bij een objectieve interpretatie toe dat er buiten of naast de CAO-bepalingen met de werknemer wordt gecontracteerd. Nu de CAO geen bepalingen bevat over een werkgelegenheidsgarantie of Senioren Haven FIT regeling, kan er ook geen sprake zijn van strijd met een CAO-bepaling. Op grond van bijlage 4 van de CAO hoeft APMT MVII de vakbonden slechts te informeren en uit te nodigen voor overleg over de werkgelegenheidsgarantie. Aan die verplichting is voldaan. Ten slotte wordt aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vordering van de vakbonden wordt toegewezen.

De pensioentoezegging is gelijk aan de eerdere, door FNV voorgestelde pensioenregeling, zodat de vakbonden er geen belang bij hebben om deze van tafel te halen. Verder blijkt uit de meest recente versie van het concept werkzekerheidsakkoord voor de sector dat de Senioren Haven FIT regeling in feite parallel loopt met hetgeen op sectorniveau gebeurt en de aangeboden werkgelegenheidsgarantie zelfs gunstiger is.

Ten slotte heeft APMT MVII bezwaar gemaakt tegen de gevorderde schadevergoeding en dwangsommen.

4 De voorwaardelijke vordering in reconventie en de stellingen van partijen

4.1

Slechts voor zover de vordering in conventie geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, vordert APMT MVII in reconventie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vakbonden te veroordelen binnen 72 uur na betekening van dit vonnis om te goeder trouw met APMT MVII in onderhandeling te treden over aanpassing van de CAO, in die zin dat binnen deze 72 uur hierover ten minste een eerste bespreking heeft plaatsgevonden met een delegatie die gebruikelijk dergelijke onderhandelingen verricht, in welke onderhandeling de onderhandelingspartijen zich dienen in te spannen het ertoe te leiden dat overeenstemming wordt bereikt over het invoegen in de CAO van afspraken over de werkgelegenheidsgarantie, de Senioren Haven FIT regeling en de pensioenafspraken, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- ieder voor iedere dag of dagdeel dat de vakbonden in gebreke blijven hieraan te voldoen, met veroordeling van de vakbonden in de kosten van deze procedure waaronder rente en nakosten.

4.2

APMT MVII heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de vakbonden op grond van artikel 6 van de CAO en ook op grond van de redelijkheid en billijkheid verplicht zijn om met APMT MVII in overleg te treden over de voorgestelde maatregelen. Er is hier immers sprake van een buitengewone verandering in de algemeen sociaal economische verhoudingen. Het gaat hier om belangrijke nationale ontwikkelingen, namelijk de gerobotiseerde mogelijkheden die Maasvlakte II biedt en de sociale onrust die dat meebrengt. Bij de discussie over de werkgelegenheid, zonder meer een essentieel punt van sociaaleconomische verhoudingen, hebben de vakbonden contractueel de verplichting daarop in te gaan en is het hen niet toegestaan om het probleem voort te laten slepen tot nadat er op sectoraal niveau een oplossing is bereikt.

4.3

Het verweer van de vakbonden strekt tot afwijzing van de vordering.

De vakbonden handelen altijd te goeder trouw bij onderhandelingen met werkgevers en werkgeversorganisaties. Deze wijze van onderhandelen is echter niet controleerbaar en reeds om die reden dient de vordering van APMT MVII te worden afgewezen. Voorts is er geen grond om de vakbonden te dwingen overleg te voeren over het openbreken van de CAO die op zijn vroegst pas per 31 december 2017 eindigt. De overeengekomen aanvullingen van APMT MVII zijn niet te kwalificeren als een buitengewone situatie zoals bedoeld in artikel 6 van de CAO, zodat de vakbonden niet op grond daarvan verplicht zijn om het voorstel van APMT MVII tot wijziging van de CAO in behandeling te nemen.

5 De beoordeling van het geschil

In conventie

5.1

Gelet op het bestaande geschil tussen partijen inzake de wijze waarop de CAO dient te worden geïnterpreteerd, wordt geoordeeld dat de vakbonden een voldoende spoedeisend belang hebben bij het stoppen en corrigeren van het in hun ogen onrechtmatig handelen door APMT MVII. Dat het aanbod in de Aanvulling pas op termijn effect sorteert, maakt dat niet anders. Het gaat erom dat APMT MVII de Aanvulling reeds aan haar bestaande werknemers heeft aangeboden en ook aan toekomstige werknemers zal aanbieden en daarmee mogelijkerwijs verkeerde verwachtingen wekt, terwijl partijen twisten over de vraag of het aanbieden van de Aanvulling in strijd is met de CAO. De vakbonden zijn dan ook ontvankelijk in hun vordering.

5.2

In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van de vakbonden in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.3

De kern van het geschil ziet op de vraag of APMT MVII met het aanbieden van de Aanvulling aan haar werknemers in strijd heeft gehandeld met de CAO.

5.4

Voor de beoordeling van die vraag wordt het volgende juridische kader als uitgangspunt genomen. Artikel 12 Wet CAO bepaalt dat een beding tussen een werkgever en een werknemer, dat strijdig is met een cao, waardoor werkgever en werknemer gebonden zijn, nietig is. Het is toegestaan dat de individuele arbeidsovereenkomst voor de werknemer gunstiger bedingen inhoudt dan de cao, tenzij die cao zogenaamde standaard- of maximumbepalingen bevat. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 10 december 2004, JAR 2005/31) zijn bij de uitleg van een cao-bepaling de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst en een eventuele schriftelijke toelichting daarop, in beginsel van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de cao, voor zover deze niet uit de cao-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de cao en de toelichting daarop. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden.

5.5

In artikel 3 van de CAO is uitdrukkelijk bepaald dat de CAO een standaard-cao is, hetgeen betekent dat niet in voor de werknemer gunstige of ongunstige zin van de inhoud van de bepalingen mag worden afgeweken. Uit de bewoordingen van dit artikel alsmede artikel 4, 5 en 8 van de CAO leidt de kantonrechter af dat APMT MVII bij het afspreken van de loon- en arbeidsvoorwaarden met haar werknemers in beginsel niet kan afwijken van wat daarover in de CAO is bepaald, tenzij de CAO daarvoor de ruimte biedt – zoals in artikel 14 van de CAO over het einde van het dienstverband en artikel 23 van de CAO over het schafttijdenvenster in de nacht – of in het geval de wijziging is overeengekomen met de vakbonden. De CAO dient dan ook te worden aangemerkt als een standaard-cao voor zover het de onderwerpen betreft die daar in geregeld zijn.

5.6

Uit de bewoordingen van deze artikelen noch uit de rest van de CAO kan worden opgemaakt dat de door APMT MVII overeen te komen arbeidsvoorwaarden uitputtend zijn geregeld in de CAO. Een uitputtende regeling zou ook niet aannemelijk zijn, aangezien dat het overeenkomen van overige noodzakelijke arbeidsvoorwaarden die niet in de CAO zijn geregeld (zoals werklocatie, mobiele telefoon, geheimhouding, lease-auto e.d.) in de weg zou staan. Aangenomen wordt daarom dat het APMT MVII is toegestaan om met haar werknemers arbeidsvoorwaarden overeen te komen die niet in de CAO zijn geregeld.

Voorts wordt overwogen dat, nu de CAO geldt tot en met 31 december 2017 bij opzegging door één der partijen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste drie maanden, het APMT MVII vrijstaat om met haar werknemers arbeidsvoorwaarden overeen te komen die betrekking hebben op de periode na 31 december 2017.

5.7

De Aanvulling ziet op drie punten: de werkgelegenheidsgarantie, de Senioren Haven FIT regeling en de regeling inzake Compensatie Pensioenen. Deze punten komen hiernavolgend aan bod.

5.8

APMT MVII heeft onweersproken gesteld dat de aangeboden werkgelegenheidsgarantie en de Senioren Haven FIT regeling in het geheel niet in de CAO zijn geregeld. Dit betekent dat, zoals reeds overwogen onder 5.6, APMT MVII met het aanbieden van deze regelingen niet in strijd handelt met (het standaardkarakter van) de CAO.

5.9

Ten aanzien van de Compensatie Pensioenen heeft APMT MVII toegegeven dat daarvoor de instemming van de vakbonden is vereist nu afspraken over het pensioen zijn geregeld in bijlage 9 van de CAO, maar zij doet in dat kader een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

5.10

Tussen partijen is niet in geschil dat met de komst van twee geautomatiseerde terminals op Maasvlakte II de werkgelegenheid binnen de containersector mogelijkerwijs in gevaar komt en dat deze omstandigheid veel onrust creëert onder de werknemers binnen de sector.

Niet onbegrijpelijk is dat de vakbonden, in het algemene belang van de werknemers in de containersector, met de containerbedrijven willen komen tot afspraken op sectorniveau die alle door hen vertegenwoordigde leden in de sector – kort gezegd – een baangarantie voor de komen jaren geven, doch de vakbonden dienen de middelen te gebruiken die daarvoor aan hen zijn gegeven. Daartoe behoort niet het willen tegenhouden van de Aanvullingen (en het Akkoord), enkel om te voorkomen dat de door hen beoogde sectorafspraken als gevolg van die aanvullende afspraken binnen APMT MVII in gevaar zouden kunnen komen. Door te weigeren om inhoudelijk te praten over de CAO, zolang op sectorniveau geen afspraken zijn gemaakt en derhalve het belang van alle werknemers van de sector voorop te stellen ten koste van de werknemers van APMT MVII, gebruiken de vakbonden hun bevoegdheid in feite voor een doel waarvoor die niet is gegeven en is hun handelwijze aan te merken als misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW.

Daarbij komt dat de vakbonden met APMT MVII een ondernemings-cao hebben gesloten, op grond waarvan zij contractspartners zijn die jegens elkaar redelijkheid en billijkheid in acht dienen te nemen. Daar waar APMT MVII vrijwillig aan het sectoraal overleg deelneemt en niet verplicht is tot enige resultaats- of inspanningsverbintenis, hebben de vakbonden op basis van de CAO jegens APMT MVII een inspanningsverbintenis om met haar in overleg te treden over wijzigingen of aanvullingen die APMT MVII wenst door te voeren. Dit klemt des te meer, nu APMT MVII de Aanvulling heeft opgesteld met het oog om rust te creëren onder haar werknemers in de situatie waarin op sectorniveau onduidelijk is of en wanneer afspraken worden gemaakt (waarvoor APMT MVII overigens niet alleen afhankelijk is van de vakbonden maar ook van de andere containerbedrijven) en nu onweersproken is gebleken dat de Aanvulling een aanmerkelijke verbetering van de arbeidsvoorwaarden inhoudt.

De aangeboden pensioenregeling, waarover partijen al geruime tijd overleg voeren, is zelfs gelijk aan de originele door FNV voorgestelde pensioenregeling en uit de processtukken blijkt dat tussen partijen reeds overleg is om de aangeboden pensioenregeling op te nemen in de CAO.

Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter leidt het buiten toepassing verklaren van de aangeboden pensioenregeling (en de rest van de Aanvulling) daarom tot een resultaat dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.11

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangeboden werkgelegenheidsgarantie en de Senioren Haven FIT regeling niet strijdig zijn met enige bepaling uit de CAO en dat ten aanzien van het aanbod inzake de Compensatie Pensioenen, dat in beginsel wel in strijd is met het standaardkarakter van de CAO, het beroep van APMT MVII op artikel 6:248 lid 2 BW naar alle waarschijnlijk in een bodemprocedure zal slagen, zodat het aanbieden van de Aanvulling aan de werknemers van APMT MVII zal worden toegestaan. Er is derhalve geen aanleiding om, vooruitlopend op een bodemprocedure, de gevraagde voorziening toe te wijzen.

5.12

Als de in het ongelijk gestelde partij worden de vakbonden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie.

5.13

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

In voorwaardelijke reconventie

5.14

Nu de vordering in conventie integraal wordt afgewezen, is de voorwaarde voor het intreden van de vordering in reconventie niet vervuld, zodat de reconventionele vordering geen bespreking behoeft. Gezien de nauwe verwevenheid tussen de vordering in conventie en de vordering in reconventie, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten in reconventie te compenseren, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende bij wege van voorlopige voorziening:

in conventie:

wijst de vordering van de vakbonden in al haar onderdelen af;

veroordeelt de vakbonden in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van APMT MVII vastgesteld op € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening, en indien de vakbonden niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis hebben voldaan, begroot op € 131,00 aan nakosten, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw;

in voorwaardelijke reconventie:

verstaat dat over de vordering niet hoeft te worden beslist;

compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.L.M. van der Wildt en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

775