Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2461

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
495191 / HA RK 16-102
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing om verzoekster niet toe te staan te reageren op hetgeen de pleegouders gedurende hun spreektijd hadden aangevoerd is niet onbegrijpelijk, omdat iedere procesdeelnemer op dat moment reeds tweemaal het eigen standpunt had mogen toelichten. Het is aan de voorzitter om te bepalen wanneer de rechters zich over een bepaald onderwerp voldoende voorgelicht achten. De beslissing is evenmin onbegrijpelijk omdat de rechters op dat moment nog een beslissing moesten nemen op het verzoek, dat van de zijde van verzoekster was gedaan tot het alsnog in het geding mogen brengen van de bewuste rapportages. In afwachting van die beslissing zou het ter zitting uit die rapportages citeren geen enkel doel dienen en wellicht zelfs tot vergissingen aanleiding kunnen geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 495191 / HA RK 16-102

Beslissing van 3 maart 2016

op het verzoek van

[naam verzoekster] ,

wonende op een geheim adres,

verzoekster,

strekkende tot wraking van:

mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, mr. P.L. van Dijke en mr. G.M. Paling,

rechters in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team jeugd (hierna: de rechters).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting met gesloten deuren van 11 februari 2016 is door de meervoudige kamer van deze rechtbank, van welke kamer de rechters deel uitmaken, behandeld het verzoekschrift van de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, strekkende tot beëindiging van het ouderlijk gezag van verzoekster over haar minderjarige dochter [naam]. Die procedure draagt als kenmerk C/10/492094 / JE RK 15-4037.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft verzoekster wraking van de rechters verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hiervoor omschreven verzoekschriftprocedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de zitting van 11 februari 2016.

Verzoekster, de rechters, de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West, de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, de pleegouders en de vader van de minderjarige zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechters hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 16 februari 2016.

Ter zitting van 25 februari 2016, waar het wrakingsverzoek is behandeld, is verzoekster verschenen. Zij heeft haar standpunt nader toegelicht.

2 Het verzoek en het verweer daartegen

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoekster – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

2.1.1

Volgens het proces-verbaal van de zitting van 11 februari 2016:

Ik heb er geen vertrouwen meer in. Ik heb geen vertrouwen in deze zitting. Ik wil nadere tekst en uitleg aan de wrakingskamer geven. Er ontbreken stukken en ik ben veel te weinig aan het woord geweest. Ik word wederom niet gehoord.

De raad en de Gezinsvoogdij Instelling (hierna: GI) hebben het NIFP-onderzoek niet in het geding gebracht, waardoor de rechtbank onvoldoende op de hoogte is. Het is onvolledig wat de Raad en de GI hebben ingebracht.

2.1.2

Ter zitting van de wrakingskamer:

Ik kreeg vijf kinderen uit mijn huwelijk. Door omstandigheden, huiselijk geweld, zijn mijn kinderen uit huis geplaatst. Ik kreeg de kinderen nadien wel weer thuis. Mijn jongste dochter wil ik ook graag weer thuis.

Ik kreeg bij de rechters geen gehoor. Ik word ook niet gehoord door de raad en door Jeugdbescherming West. Ik word totaal niet gehoord. Op de zitting werd ik continue in de rede gevallen door de gezinsvoogd en de Raad. De rechters zeiden daar niets van. Ik kon mijn verhaal niet doen.

De Raad en Jeugdbescherming West hebben nagelaten belangrijke stukken in het geding te brengen. Ik had die stukken op de zitting bij me: het raadsrapport, het NIFP-rapport en het rapport van [naam]. Ik wilde die stukken overhandigen aan de rechtbank, maar dat werd niet toegestaan. Ik en mijn advocaat wilden uit die stukken citeren, maar dat werd evenmin toegestaan. Door de rechters werd gezegd: stop maar want wij hebben de stukken niet. Er werd gezegd: wie zegt dat u het juiste rapport hebt? Dan voel je je tekort gedaan. Dan wordt er niet naar mij geluisterd.

De rechters hadden wel degelijk kunnen beschikken over de stukken. Ik had op de zitting alles bij me. Ik kon per direct laten zien dat de Raad en Jeugdbescherming West wel degelijk over de stukken beschikken. Al in december 2015 op de zitting van het gerechtshof is over die stukken gesproken en daar hadden zij die stukken al. Er is door het hof een uitspraak gedaan mede op basis van het NIFP onderzoek. Dat ze het niet kennen, is dus onjuist. De rechtbank kende dat rapport niet, want beide partijen hadden het niet ingebracht. Die stukken zijn heel belangrijk omdat de Raad aannemelijk wil maken dat ik niet geschikt ben om mijn jongste kind thuis te krijgen, terwijl het rapport van het NIFP aantoont dat ik alle kwaliteiten heb, door middel van onder meer een pedagogische test en een interactie onderzoek. Dan is het heel moeilijk te vernemen dat een rechter daar niet verder op door gaat en mij niet toestaat het te overhandigen. Ik had belangrijke punten in het rapport al voor de rechters geaccentueerd.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust.

De rechters bestrijden deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

2.2.1

Ter zitting van 11 februari 2016 bleek dat bij verzoekster en haar advocaat

enerzijds en mevrouw [naam] van Jeugdbescherming West anderzijds een rapportage van het NIFP bekend was, waarvan de rechtbank geen kennis had. Het rapport van het NIFP was niet aan de rechtbank toegestuurd. Bij mevrouw [naam] van de raad voor de kinderbescherming was de inhoud van die rapportage evenmin bekend. Aan het begin van de zitting heeft de advocaat van de moeder voorgesteld de behandeling van de zaak daarom aan te houden.

Als voorzitter van de meervoudige kamer heb ik in reactie hierop gezegd dat eerst iedereen de gelegenheid zou worden gegeven de respectieve standpunten ten aanzien van het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder kenbaar te maken, waarna de rechtbank zou bezien of een aanhouding van de zaak noodzakelijk is.

Vervolgens hebben alle aanwezigen in twee termijnen de gelegenheid gekregen om hun standpunten naar voren te brengen en te reageren op hetgeen door de andere procesdeelnemers was gezegd.

Nadat de pleegouders als laatsten voor de tweede maal het woord hadden gevoerd, wilde verzoekster daar nog op reageren. Die gelegenheid heb ik haar als voorzitter niet meer gegeven, met de motivering dat iedereen twee keer aan de beurt was geweest.

Dat was het moment waarop verzoekster het wrakingsverzoek deed, althans aangaf de

meervoudige kamer van de rechtbank te willen wraken. Tot een beslissing van de rechtbank op het aanhoudingsverzoek van de advocaat van de moeder is het niet gekomen.

Wij menen dat er geen sprake is geweest van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechters. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat rechters uit hoofde van hun aanstelling moeten worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechters jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoekster geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechters door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechters door hun persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig zijn.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechters jegens haar een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar deze is niet doorslaggevend.

3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

3.5

Uit de door de rechters in de brief van 16 februari 2016 beschreven gang van zaken ter zitting van 11 februari 2016 – welke wordt bevestigd door de inhoud van het proces-verbaal van die zitting en welke door verzoekster inhoudelijk niet wordt betwist – blijkt dat de behandeling van het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming door de rechters was aangevangen in die zin, dat van de zijde van verzoekster een verzoek om aanhouding was gedaan met als reden alsnog de rapportage van het NIFP in het geding te mogen brengen. Alvorens de rechters op dat verzoek in zouden gaan, heeft de voorzitter aan alle ter zitting aanwezige dan wel vertegenwoordigde procespartijen gelegenheid gegeven hun standpunt ten aanzien van het verzoek toe te lichten, waarbij ieder van hen tweemaal het woord heeft mogen voeren. Toen vervolgens verzoekster wilde reageren op hetgeen door de pleegouders naar voren was gebracht, heeft de voorzitter dat niet toegestaan. Ook is verzoekster op dat moment niet toegestaan de aan de rechtbank nog niet bekende rapportages ter zitting te overleggen of daaruit te citeren.

3.6

Deze beslissing is niet onbegrijpelijk. Immers, het is de voorzitter van de meervoudige kamer die de orde ter zitting bepaalt, hetgeen mede inhoudt de bevoegdheid om te beslissen wanneer, hoe vaak en gedurende hoeveel tijd de procespartijen ter zitting aan spreektijd hebben. De beslissing om verzoekster niet toe te staan te reageren op hetgeen de pleegouders gedurende hun spreektijd hadden aangevoerd is niet onbegrijpelijk, omdat iedere procesdeelnemer op dat moment reeds tweemaal het eigen standpunt had mogen toelichten. Het is aan de voorzitter om te bepalen wanneer de rechters zich over een bepaald onderwerp voldoende voorgelicht achten.

3.7

De beslissing is evenmin onbegrijpelijk omdat de rechters op dat moment nog een beslissing moesten nemen op het verzoek, dat van de zijde van verzoekster was gedaan tot het alsnog in het geding mogen brengen van de bewuste rapportages. In afwachting van die beslissing zou het ter zitting uit die rapportages citeren geen enkel doel dienen en wellicht zelfs tot vergissingen aanleiding kunnen geven.

3.8

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, mr. P.L. van Dijke en

mr. G.M. Paling.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels, voorzitter, mr. M. Fiege en mr. M.G.L. de Vette, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2016 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- verzoekster

- mr. S.C.C. Hes-Bakkeren

- mr. P.L. van Dijke

- mr. G.M. Paling

- de pleegouders

- de vader

- Jeugdbescherming West

- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht