Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2438

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-04-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
ROT 15/673
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om verkeersbesluit te nemen: parkeerverbod. Er is geen sprake van een onevenwichtige belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/673

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 april 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], [gemeente], eiser,

en

het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Hollandse Delta, verweerder,

gemachtigde: mr. E. Smit.

Procesverloop

Bij brief van 3 februari 2014 heeft eiser verweerder verzocht een verkeersbesluit te nemen, bestaande uit een parkeerverbod ter hoogte van de [straatnaam] [huisnummer] te [woonplaats], [gemeente].

Bij brieven van 25 november 2014 en 2 december 2014 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.

Bij brief van 28 januari 2015 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

Bij uitspraak van 10 juni 2015 is het beroep kennelijk gegrond verklaard. Het daartegen door verweerder gedane verzet is bij uitspraak van 1 juli 2015 gegrond verklaard.

Bij besluit van 18 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2016, gelijktijdig met de zaken met zaaknummers ROT 15/4953 en ROT 15/8328, in welke zaken heden eveneens uitspraak wordt gedaan. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn zoon en de verkeersdeskundige ing. P.A.C. Veenbrink. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, M. van Wijk, H. Riegman en de verkeersdeskundige A.M. de Groot.

Overwegingen

Het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit

1. Het door verweerder gedane verzet tegen de gegrondverklaring van het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit is bij uitspraak van 1 juli 2015 gegrond verklaard, waarmee de uitspraak van 10 juni 2015 is vervallen. Tijdens de mondelinge behandeling van het verzet ter zitting bij de rechtbank is afgesproken dat aan eiser de verbeurde dwangsom van € 1260,- zal worden betaald. Inmiddels heeft verweerder dit bedrag aan eiser betaald en heeft verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoed. Partijen zijn op deze zitting ook overeengekomen dat de beslistermijn is opgeschort en dat zij over de beslistermijn onderling afspraken zullen maken. Verder is afgesproken dat binnen twee weken na de zitting van 1 juli 2015 een gesprek zal plaatsvinden tussen eiser en de verantwoordelijke heemraad, waarbij de inhoud van het te nemen besluit en de termijn waarbinnen het besluit kan worden verwacht aan de orde zal komen. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Tijdens dat gesprek hebben partijen afgesproken dat het besluit uiterlijk 1 september 2015 zal worden genomen. Verweerder heeft bij brief van 28 juli 2015 aan de rechtbank verslag gedaan van de gemaakte afspraken. Vervolgens heeft eiser in zijn brief van 29 juli 2015 de rechtbank wederom verzocht een termijn te stellen waarbinnen de besluitvorming plaats moet vinden. Bij brief van 12 augustus 2015 heeft verweerder laten weten dat op 18 augustus 2015 op het verzoek zal worden beslist, hetgeen ook is gebeurd. De rechtbank is niet tot het stellen van een termijn overgegaan.

2. Eiser heeft geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep, voor zover dat gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het vorenstaande volgt dat eiser de reeds verbeurde dwangsom van verweerder betaald heeft gekregen en tevens het betaalde griffierecht vergoed heeft gekregen. Aan verweerder is niet, na de onderling overeengekomen opschorting van de beslistermijn, opnieuw een termijn is gesteld, waarbinnen hij op het verzoek van eiser diende te beslissen, zodat ook geen dwangsom is verbeurd. Bovendien heeft verweerder inmiddels ook inhoudelijk op het verzoek van eiser beslist.

3. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Het beroep gericht tegen het bestreden besluit van 18 augustus 2015

4. Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep mede gericht tegen het bestreden besluit.

5. Eiser heeft een ontheffing van de Rijksdienst voor het wegverkeer om met zwaar materieel, voertuigen van 3,5 meter breed, gebruik te maken van – onder meer – de [straatnaam]. De [straatnaam] betreft een weg waarop, behoudens verboden, voertuigen geparkeerd mogen worden, zo ook ter hoogte van nummer [huisnummer].

6 . Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek van eiser tot het instellen van een parkeerverbod afgewezen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het feit dat eiser een ontheffing heeft, niet betekent dat verweerder gehouden is de weg zodanig in te richten dat van die ontheffing gebruik gemaakt kan worden. Verweerder verwijst voorts naar de door het verkeersbureau De Groot Volker verrichte verkeersonderzoeken, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in rapporten van 25 april 2014 en 11 juni 2015. Gelet op de lage verkeersintensiteiten en de omstandigheid dat zeer breed verkeer bij de gehouden verkeerstellingen niet is waargenomen, is de noodzaak tot het treffen van een maatregel volgens verweerder beperkt. Voor de in het rapport van 25 april 2014 genoemde mogelijke oplossingen, zoals het instellen van een parkeerverbod, het verbreden van de weg en het berijdbaar maken van de oprit bij de woning aan de [straatnaam] [huisnummer] zijn vergaande en kostbare aanpassingen noodzakelijk die niet in verhouding staan tot het te dienen (beperkte) belang dat eiser heeft.

7. Eiser voert aan dat de [straatnaam] een smalle weg betreft waarbij weggebruikers moeten anticiperen op tegemoetkomend verkeer, terwijl een geparkeerd staand voertuig dit niet kan. Als er een voertuig voor de woning aan de [straatnaam] [huisnummer] geparkeerd staat, blijft er onvoldoende ruimte op de weg over voor een vrachtauto om te passeren. Verweerder negeert de CROW-richtlijnen over minimale vrije doorgangsruimte en spant zich onvoldoende in om de verkeersfunctie van de weg voor eiser met zijn landbouwvoertuigen te garanderen. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn betoog een rapport overgelegd van ing. P.A.C. Veenbrink (Veenbrink) van SOAB Adviseurs voor Woning en Leefomgeving van 29 januari 2016 waarin is ingegaan op de conclusies uit de rapporten van het verkeersbureau De Groot Volker. In dit rapport worden de in het rapport van het verkeersbureau De Groot Volker van 25 april 2014 genoemde alternatieven onderschreven. Eiser betwist dat deze alternatieven kostbaar zijn of dat daar een omgevingsvergunning voor nodig zou zijn. Anders dan uit de rapporten die verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd blijkt is wel degelijk sprake van vele verkeersbewegingen met landbouwverkeer. Op het moment van de teldagen was dat anders, omdat de gewassen al op de landbouwpercelen van eiser waren ingezaaid.

8. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WVW 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de WVW 1994 geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

9. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – onder meer de uitspraak van 2 juni 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM6451) – komt verweerder bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan verweerder om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen af te wegen. De rechtbank zal zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend moeten opstellen en slechts dienen te toetsen of het besluit in strijd is met wettelijke voorschriften, dan wel of sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

10. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval van een dergelijke onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen geen sprake is. Daartoe wordt overwogen dat verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen dat voor het instellen van een parkeerverbod vergaande en kostbare aanpassingen noodzakelijk zijn die niet in verhouding staan tot het te dienen belang dat eiser daarbij heeft. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd hoe vaak sprake is van een passeerprobleem indien er ter hoogte van huisnummer [huisnummer] een voertuig geparkeerd staat, mede gelet op het feit dat uit het rapport van het verkeersbureau De Groot Volker van 11 juni 2015 volgt dat tijdens het onderzoek naar de verkeersintensiteit op de [straatnaam] op de weg ter hoogte van huisnummer [huisnummer] geen enkele maal een dusdanig breed voertuig is waargenomen die hinder zou kunnen ondervinden van een geparkeerd staand voertuig. Verweerder heeft daaruit de conclusie kunnen trekken dat de noodzaak tot het treffen van eventuele maatregelen niet aanwezig is. Voorts heeft verweerder bij zijn belangenafweging kunnen betrekken dat, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, voor de momenten waarop wel met zwaar materieel van dit stuk van de weg gebruik wordt gemaakt van eiser en de bewoners mag worden verlangd dat zij onderling afspraken maken over het gebruik van de [straatnaam] ter hoogte van huisnummer [huisnummer] en dat verweerder met betrekking tot de verhoudingen tussen eiser en de bewoners geen taak voor zichzelf ziet weggelegd. Voorts heeft verweerder kunnen laten meewegen dat hij bij zijn besluitvorming niet alleen rekening dient te houden met de belangen van eiser en de mogelijkheid voor eiser om met zijn landbouwvoertuigen zijn percelen te kunnen bereiken, maar ook met de belangen van de bewoners van de [straatnaam] in het algemeen en die van de bewoners van huisnummer [huisnummer] in het bijzonder. Het door eiser ingebrachte rapport van Veenbrink en hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd biedt dan ook geen grond voor de conclusie dat verweerder de bij het bestreden besluit betrokken belangen zodanig onevenwichtig heeft afgewogen dat hij in redelijkheid niet tot dit besluit heeft kunnen komen.

11. Het beroep is voor het overige ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek, niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en mr. M.C. Snel-van den Hout, leden, in aanwezigheid van mr. P.B. Thiemann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.