Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2414

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
750174-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Uithalen van cocaïne uit containers op het Rotterdamse haventerrein. Voorbereidingshandelingen, alsmede invoer van 302 kilo cocaïne.

Gevangenisstraf van 7 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750174-13

Parketnummer vordering TUL VV: 10/691147-10

Datum uitspraak: 31 maart 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte],

raadsvrouw mr. Y.W.G. Verschuren, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8, 9, 11 en 15 februari 2016.

Het onderzoek is op 17 maart 2016 (virtueel) gesloten.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. A.L. Hoekstra en D. Grip (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 2, 3 primair, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Vrijspraak

Vrijspraak feit 1 zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak feit 8

Standpunt officier van justitie

Op 9 augustus 2013 zijn de verdachte en [medeverdachte 1] op het terrein van de ECT aangehouden in het containerstack. Zij bevonden zich onbevoegd te midden van vele containers, waren geheel in het zwart gekleed en in hun directe nabijheid werd een tas aangetroffen met daarin gereedschap waarmee containers zijn te openen. De bevindingen in deze zaak komen overeen met de modus operandi van de organisatie. De ten laste gelegde voorbereidings- en bevorderingshandelingen zijn wettig en overtuigend bewezen.

Beoordeling

Op basis van het dossier kan alleen worden vastgesteld dat de verdachte zich op 9 augustus 2013 onbevoegd op het ECT terrein bevond. Zeker gezien in het licht van het dossier is zijn aanwezigheid daar uiterst verdacht, maar dit is onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen in de zin van de Opiumwet.

Conclusie

De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 8 ten laste gelegde.

5 Waardering van het bewijs

5.1

Algemene inleiding

Uit het dossier is het volgende gebleken.

In de nacht van 20 op 21 maart 2013 krijgen medewerkers van de douane de melding dat drie mannen over het hek bij de ECT Home Terminal zijn geklommen om het terrein te verlaten. Uit onderzoek blijkt dat de verdachte [medeverdachte 2] degene is geweest die de mannen op het terrein heeft afgezet. Als [medeverdachte 2] op 22 maart 2013 opnieuw onder verdachte omstandigheden op de ECT Terminal wordt waargenomen, vervolgens blijkt dat zijn toegangspasjes al sinds 12 maart 2013 zijn geblokkeerd en hem toen was meegedeeld dat hij niet meer welkom is op het ECT-terrein, wordt hij onder de tap gezet en wordt een onderzoek gestart onder de naam “Hozen”.

Dan blijkt dat [medeverdachte 2] veelvuldig contact heeft met de verdachte [medeverdachte 3] en op basis van de inhoud van hun gesprekken rijst bij de politie het vermoeden dat beiden zijn betrokken bij het uithalen van verdovende middelen uit containers op het haventerrein. Als vervolgens ook [medeverdachte 3] onder de tap wordt gezet, blijkt dat die op zijn beurt veelvuldig contact onderhoudt met [medeverdachte 1].

Tegelijk met het onderzoek “Hozen”, loopt sinds 19 juli 2012 onder de naam “Duck” nog een ander onderzoek naar de in- en doorvoer van verdovende middelen in de Rotterdamse haven, waarin ook de naam van [medeverdachte 1] naar voren komt.

In dit onderzoek is onder meer vertrouwelijke communicatie opgenomen in café De Ketel te Rotterdam. In een daar op 11 april 2013 gevoerd gesprek, vertelt [medeverdachte 1] dat hij een hoop kosten heeft gemaakt, dat hij aan een chauffeur tienduizend heeft gegeven en voor een auto geld heeft uitgegeven. Hij vertelt verder dat hij het pasje al sinds gisterenavond heeft gepakt.

Op de vraag wat voor pasje dat is, antwoordt [medeverdachte 1] dat het een pasje is om binnen te komen. Normaal regelde hij het voor vijfduizend, maar nu betaalde hij vijftienduizend.

[medeverdachte 1] zegt in dit gesprek verder dat hij een goed systeem heeft gevonden en het daarmee gaat proberen. Hij legt uit wat het systeem inhoudt: Ze gaan naar binnen, halen het werk uit en leggen het op de grond neer. Ondertussen staat de vrachtwagenchauffeur klaar, die heeft een papiertje in handen en moet daar een container ophalen. Het containernummer is ook bekend, hij lokaliseert het containernummer, doet het open, laadt het werk erin en doet het zegel erop. De vrachtwagen pakt het op en checkt het uit. De chauffeur is van hem, is op de hoogte en iedereen weet ervan. Je kunt een persoon bij de chauffeur neerzetten.

Het gesprek vervolgt over een schip dat is binnengekomen, maar nog niet kon worden gelost.

[medeverdachte 1] zegt daarop dat het aan die kant heel druk is, dat daar een kleine jongen is, douane laat ze stoppen, de chauffeur moet uit de wagen, hij vraagt om in de cabine te mogen kijken en via een zijweg gaat die kleine weg. Die heeft zegel en alles voor zich. De zegels en de achterkant controleren zij niet. Zij controleren alleen de cabine en daar zit een vriend van hem die zegt dat hij meerijdt.

Vervolgens zegt [medeverdachte 1] tegen een andere gespreksdeelnemer dat hij – als diegene dat gisterenavond vroeg had gezegd – wat had kunnen regelen. Normaal zou nu een auto gereed staan. Het beste is een gestolen auto. Je haalt het kenteken eraf, doet er een ander op en klaar is kees. Dus als de politie achter je rijdt, zien ze pas als ze om de papieren vragen, dat het een gestolen auto is.

Op de vraag of [medeverdachte 1] ook betaalt als de klus niet doorgaat, antwoordt hij bevestigend. Verder vertelt hij dat hij om zijn zaak zeker te stellen twee pasjes heeft geregeld en als extra nog een vrachtwagen erbij.

Na zijn aanhouding heeft [medeverdachte 3] tegenover de politie een verklaring afgelegd, waarin hij bevestigt dat de gesprekken, die hij met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft gevoerd, betrekking hadden op de invoer van cocaïne. [medeverdachte 1] had hem in café Riva benaderd en tegen hem gezegd dat hij 20.000 tot 30.000 kon verdienen als hij een chauffeur zou regelen. Die chauffeur moest kijken of hij een transport had van containers, zodat hij mensen mee het haventerrein op kon nemen. [medeverdachte 3] was daarvoor bij [medeverdachte 2] uitgekomen. Hij noemt hem Afros.

Naast [medeverdachte 1] had [medeverdachte 3] contact met een Turkse jongen uit Amsterdam die Ree werd genoemd en een andere bredere jongen, waarvan hij denkt dat dat een Tunesiër was. Als hem door de politie foto’s worden getoond wijst hij [medeverdachte 4] aan als degene die door hem [medeverdachte 4] wordt genoemd en [verdachte] als degene die hij de bokser of de Tunesiër noemt. Hij zegt te hebben gehoord dat diegene ook wel [verdachte] wordt genoemd. Die drie werkten als een team samen.

[medeverdachte 3] verklaart dat hij een briefje van hen kreeg, dat hij dat aan [medeverdachte 2] moest geven, die hem op zijn beurt een nummer doorgaf dat hij weer aan [medeverdachte 4] of [verdachte] doorgaf. Ze wilden liever een ‘droge’ container en geen ‘koude’. Dat had te maken met de plaats waar die containers stonden. Hij begreep op enig moment dat ze ook drugs in een container van [medeverdachte 2] wilden zetten, zodat die daar mee naar buiten kon rijden. Zowel hij als [medeverdachte 2] zouden voor hun werkzaamheden worden betaald.

[medeverdachte 5], die indertijd in de haven werkte, heeft tegenover de politie verklaard dat hij in een café door [medeverdachte 6] is benaderd met de vraag of hij bij APM werkte, want dan zou hij mooi werk voor hem hebben.

[medeverdachte 6] had hem uitgelegd dat het ging om een organisatie die zich bezig hield met het plunderen van containers met waardevolle spullen. Ze zouden dan de pas van [medeverdachte 5] gebruiken om het terrein op te gaan, ergens mensen neerzetten, de container leeghalen en dan weer vertrekken. [medeverdachte 6] zou hem bellen zodra hij de pas nodig had. [medeverdachte 5] kreeg vooraf € 500,- en zou naderhand goed worden betaald. Hij heeft zijn pas meermalen uitgeleend en als hij het in een telefoongesprek over bioskoopkaartjes heeft, bedoelt hij pasjes. [medeverdachte 6] heeft hem ook gevraagd om voor pasjes van collega’s te zorgen.

Uit het vorenstaande in samenhang met de inhoud van de tapgesprekken leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] leiding gaf aan een team dat zich bezig hield met het uithalen van cocaïne uit containers die via de haven op terreinen in Rotterdam terecht kwamen. Om met een auto het terrein te kunnen betreden werd o.a. gebruik gemaakt van pasjes van havenmedewerkers. De uithalers werden tussen de containers waar de cocaïne in verstopt zat afgezet, probeerden de cocaïne te pakken en van het terrein mee te nemen. Een tweede methode die onderzocht werd is het laten overplaatsen door de uithalers van de cocaïne in een andere container, die vervolgens door een “eigen” chauffeur in een regulier transport van het haventerrein kon worden gereden.

5.1.1

Verweren

Standpunt verdediging

Door de raadsvrouw is vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. Zij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 3] en [getuige 1] kennelijk onbetrouwbaar zijn en dat deze dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

De verdachte ontkent de man op de tapgesprekken te zijn die door de politie aan hem worden gekoppeld. Met betrekking tot het nummer eindigend op 68 was hij ten tijde van de aanhouding door de politie wel gebruiker van dat nummer, maar hij was niet de structurele gebruiker van die telefoon. Daar komt bij dat de juistheid van de stemherkenningen niet is verankerd en niet wordt versterkt door andere bewijsmiddelen. Dat maakt dat de stemherkenningen onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Deze gesprekken zullen moeten worden uitgesloten van het bewijs.

In het dossier bevindt zich voorts geen bewijsmiddel waarmee kan worden vastgesteld dat met [verdachte] de verdachte wordt bedoeld en dat hij dat ook is.

Wat de DNA-sporen betreft voert de raadsvrouw aan dat de verdachte mogelijk op een eerder moment in de bus heeft gezeten die op 23 mei 2013 het ECT terrein is opgereden. Het betreft een huurbus, die na een eerdere verhuur misschien niet goed is schoongemaakt, waardoor het niet verwonderlijk is dat DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen in die bus. Het colablikje waarop zijn DNA is gevonden is een verplaatsbaar object en zou door iemand anders in de bus kunnen zijn gezet.

Beoordeling

Verklaringen [medeverdachte 3] en [getuige 1]

[medeverdachte 3] heeft bij de politie uitgebreid verklaard. Ter zitting heeft hij aangegeven bij deze verklaringen te blijven. Hij belast zichzelf hier in grote mate mee. Voorts bevestigt de verklaring van [medeverdachte 3] hetgeen ook overigens uit het dossier naar voren komt, zoals de tapgesprekken, de observaties en de zendmastgegevens. Een en ander past vrijwel naadloos op elkaar en de rechtbank ziet dan ook geen enkele aanleiding om aan de verklaring van [medeverdachte 3] te twijfelen zodat deze voor het bewijs kan en zal worden gebruikt.

De verklaring van [getuige 1] houdt onder meer in dat hij samen met de verdachte op 23 mei 2013 vanaf het ECT terrein door de slagboom is gereden, waarbij de verdachte als bijrijder in het Renault busje zat. Hij herkent de verdachte van een foto als de persoon die die avond naast hem zat. De verklaring van [getuige 1] wordt voor wat betreft dit deel betrouwbaar geacht nu dit wordt ondersteund door de DNA sporen, die zijn aangetroffen op de deurgreep binnen rechtsvoor en op een Coca Cola blikje in de bekerhouder aan de bijrijderszijde van de bus, en die na vergelijkend onderzoek blijken te matchen met het DNA-profiel van [verdachte].

Het verweer van de raadsvrouw dat de verdachte mogelijk op een eerder moment in de huurbus heeft gezeten en deze nadien niet zorgvuldig zou zijn schoongemaakt, wat de DNA-sporen op de deurgreep zou verklaren, wordt verworpen, nu dit verweer op geen enkele manier is onderbouwd en niet is aangegeven op welk moment de verdachte dan wél in die bus zou hebben gezeten. De verdachte zelf heeft daarover niets verklaard en evenmin heeft hij een (plausibele) verklaring gegeven voor de aanwezigheid van het colablikje met daarop zijn DNA in de bus. Daar komt nog bij dat dat ook uit een op 25 mei 2013 in café De Ketel opgenomen gesprek, waarin [medeverdachte 1] vertelt dat iemand na een controle door een slagboom is gereden, kan worden afgeleid dat op dat moment een Algerijn naast de chauffeur zat. Van de groep rond [medeverdachte 1] is de verdachte de enige persoon die in Algerije is geboren. Dit deel van de verklaring van [getuige 1] kan voor het bewijs worden gebruikt.

Stemherkenning

Vanaf 24 mei 2013 stond het telefoonnummer 06-47007968 onder de tap. Op dat moment was nog niet bekend wie de gebruiker van dit nummer was. Wel was duidelijk dat de gebruiker [verdachte] werd genoemd en ook zichzelf zo noemde. Op 28 mei 2013 blijkt uit een opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek dat de gebruiker van het nummer 06-47007968 door de politie wordt gecontroleerd omdat de huurauto waarin hij rijdt, onverzekerd is.

De controlerende politieman belt dan met gebruikmaking van de telefoon van de inzittende (nummer 06-47007968) met de verhuurder. Uit informatie van deze politieman blijkt dat de verdachte de persoon is die op dat moment de telefoon had.

Het verweer van de raadsvrouw dat de verdachte weliswaar op dát moment de gebruiker was van dat nummer, maar niet de structurele gebruiker, wordt verworpen. De verdachte zelf heeft hier zowel bij de politie als ter zitting niets over verklaard. De raadsvrouw komt op zitting voor het eerst met dit verweer en heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd.

De verdachte heeft op geen enkele manier inzage gegeven in zijn telefoongebruik, noch aangegeven wiens telefoon het dan wel betrof, terwijl het op zíjn weg had gelegen dat te doen. Bij gebreke daarvan gaat de rechtbank er dan ook vanuit dat de verdachte de vaste gebruiker van het telefoonnummer 06-47007968 was.

Aan de hand van deze identificatie heeft voorts de stemherkenning bij andere telefoonnummers plaatsgevonden. Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat het stemherkenningsonderzoek ondeugdelijk is vanwege de manier waarop het heeft plaatsgevonden, c.q. dat het is uitgevoerd door een verbalisant die niet deskundig is, wordt het verweer verworpen. Allereerst geldt dat er geen algemene rechtsregel is waaruit blijkt dat een stemherkenning uitsluitend door een deskundige kan plaatsvinden. Voorts hebben de betreffende verbalisanten bij de rechter-commissaris nader verklaard over de wijze waarop de stemherkenningen tot stand zijn gekomen. De herkenning van de stem van de verdachte is onder meer gedaan aan de hand van de manier van praten, waarbij klank, intonatie en taalgebruik een rol spelen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de stelling dat dit ondeugdelijk zou zijn geschied.

Daar komt nog bij dat de conclusie van de verbalisanten dat de verdachte de gebruiker is van de betreffende telefoonnummers, steun vindt in andere uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden. Naast het gegeven dat de gebruiker ervan [bijnaam verdachte], [bijnaam verdachte] of [bijnaam verdachte] wordt genoemd, passen de bevindingen uit de diverse getapte gesprekken tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [verdachte] bij de verklaring van [medeverdachte 3] over de samenwerking tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [verdachte].

Ter zitting heeft de verdachte erkend een goede bekende van [medeverdachte 1] te zijn geweest.

Ook de verklaring van [getuige 1] (zaak 22-25 mei 2013) en de bevindingen rondom het aantreffen van [medeverdachte 4] en [verdachte] op 30 juni 2013 bij de poort van het ECT-terrein steunen deze bevindingen.

Voorts heeft [medeverdachte 3] naar aanleiding van een foto die hem door de politie werd getoond verklaard dat de verdachte ook wel [bijnaam verdachte] wordt genoemd en ook [medeverdachte 7] heeft verklaard dat de verdachte, die hij kent als [bijnaam verdachte], wel eens [bijnaam verdachte] wordt genoemd.

Gezien het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de verrichtte stemherkenningen en de gesprekken die aan de verdachte zijn toegeschreven worden derhalve gebruikt voor het bewijs.

5.2

Bespreking per zaaksdossier

Hierna zal per feit de gang van zaken worden weergegeven zoals deze uit het dossier kan worden afgeleid en tevens wie op dat moment welke rol vervulde. Hoewel [medeverdachte 1] inmiddels is overleden en hij derhalve niet meer voor deze feiten kan worden vervolgd, is het onvermijdelijk dat ook zijn rol hierbij aan de orde komt.

5.2.1

Zaak 26-27 juni 2013

Uit de getapte gesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] met [medeverdachte 7] belt en hem vraagt of hij een afspraak kan maken met zijn zwager, die in de haven werkt. [medeverdachte 7] doet dat en zegt daarna tegen [medeverdachte 1] dat hij de jongens op het haventerrein kan brengen.

[medeverdachte 1] heeft contact met [verdachte] o.a. over de papieren, over telefoons die [verdachte] heeft gehaald en over een container die [medeverdachte 3] via [medeverdachte 2] heeft geregeld. Dat blijkt toch een koude te zijn. [medeverdachte 6] belt [medeverdachte 1] met de mededeling dat hij er ook nog eentje heeft geregeld en [medeverdachte 5] heeft contact met [medeverdachte 6] over pasjes, de locatie van containers en of ze koel of leeg zijn. [medeverdachte 1] zegt tegen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] dat de container (het ding) al weg is en naar later blijkt is er die avond een storing opgetreden in het systeem van de gehele Deltaterminal bij ECT. [medeverdachte 1] heeft uitgezocht dat de container inmiddels is vertrokken richting Hamburg en [medeverdachte 3] informeert bij [medeverdachte 2] hoe lang het zal duren voor de chauffeur daar aankomt.

Op 27 juni 2013 wordt, verdeeld over elf sporttassen, een grote partij cocaïne aangetroffen in een container, afkomstig van ECT Delta in de Rotterdamse haven. De container was verzonden uit Colombia en bestemd voor een importeur in Buxtehude, een plaatsje in de nabijheid van Hamburg.

De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat [medeverdachte 1], samen met anderen voorbereidingen heeft getroffen om de elf sporttassen met cocaïne die op 27 juni 2013 zijn aangetroffen uit de betreffende container te halen, waarbij [verdachte] onder meer de papieren en organisatietelefoons heeft geregeld, [medeverdachte 7] heeft geprobeerd zijn zwager in te schakelen om de uithalers op het ECT terrein af te zetten, [medeverdachte 6] via [medeverdachte 5] toegangspassen tot het terrein heeft geregeld en [medeverdachte 3] middels [medeverdachte 2] containers heeft geprobeerd te regelen waarin de cocaïne onopgemerkt van het terrein af zou kunnen worden gereden.

5.2.2

Zaak 30 juni 2013

Op 30 juni 2013 reed net na middernacht een Volkswagen Polo richting de poort van het ECT terrein. Daar keerde de auto en reed terug in de richting van de N15.

Omdat via de TCI informatie was binnengekomen dat bij APM op de Maasvlakte een container stond met cocaïne, die uit zou worden gehaald door personen in een bestelbus en een Volkswagen Polo, is de politie achter de Polo aangereden om die te kunnen controleren.

De bestuurder van de auto was [medeverdachte 4] en naast hem zat [verdachte]. In de auto werden voor de bijrijdersstoel vijf lege doosjes van Nokia telefoons aangetroffen. De Imei-nummers daarvan zijn door de politie genoteerd. Omdat tegen [medeverdachte 4] en [verdachte] op dat moment verder niets kon blijken, zijn beiden heengezonden.

Vervolgens kreeg de douane in de vroege ochtend van 30 juni 2013 de melding dat een persoon met een reflecterend hesje en een sporttas was gezien in een containerstack.

Kort daarna reed een Volkswagen Transporter met hoge snelheid de slagboom bij de uitgangspoort van de APM terminal eruit. In de buurt van de containerstack werden twee mannen aangehouden. In hun nabijheid werden tien sporttassen met naar later bleek cocaïne aangetroffen en nog wat losse pakketten cocaïne.

Gezien wordt dat de inzittenden van de Volkswagen Transporter op een parkeerterrein overstappen in een zwarte Seat Leon. Daar wordt door de politie de achtervolging op ingezet en als de Seat tegen een barrier tot stilstand komt, ziet de politie in elk geval drie personen uit de auto stappen. Later blijken dat er vier te zijn geweest.

De mannen die uit de Seat zijn gestapt proberen te ontkomen, maar de politie slaagde erin drie van hen aan te houden. In de nabij gelegen sloot dreef een aantal pakketten en in de bosjes lag nog een pakket. Uit onderzoek is gebleken dat ook in deze pakketten cocaïne zat en dat een aantal daarvan was voorzien van een zelfde stempel als de eerder in de sporttassen aangetroffen pakketten. Dit rechtvaardigt de conclusie dat de mannen die op de terminal zijn aangehouden en de later aangehouden mannen bij elkaar hoorden en met elkaar bezig waren met het uithalen van dezelfde partij cocaïne.

In de Seat Leon is een telefoon aangetroffen, waarvan het Imei-nummer overeenkomt met één van de eerder die nacht door de politie uit de Volkswagen Polo genoteerde nummers, waarin [medeverdachte 4] en [verdachte] reden. Voorts lag in de Seat een toegangspas tot de APM Terminals op naam van [medeverdachte 5]. In de Volkswagen Transporter - die gestolen en voorzien van valse kentekenplaten bleek te zijn - alsmede bij een van de aangehouden personen is een oranje reflecterend hesje aangetroffen. Deze persoon heeft verklaard dat hij een oranje hesje droeg om anderen te laten denken dat hij een medewerker van de haven was. In zijn telefoon stond het nummer van [medeverdachte 1] en ook het Imei-nummer van die telefoon bleek overeen te komen met één van de eerder die nacht door de politie uit de Polo genoteerde nummers.

Uit de rond de 30e juni 2013 getapte gesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] de mensen om hem heen aanstuurt om een partij verdovende middelen op te halen van de ECT-terminal.

Zo belt [medeverdachte 3] met zijn vader en vraagt hem om een bepaald briefje te zoeken. Zijn vader zegt CSAV Lebo en 27 juni. Dit blijkt de naam te zijn van een schip dat op 29 juni 2013 omstreeks 10.30 uur is aangemeerd aan de ECT terminal. Het schip had in totaal 251 containers aan boord en was geladen in Panama en Ecuador.

[medeverdachte 3] heeft daarover verklaard dat hij het briefje een paar dagen eerder had gekregen van één van de drie jongens (hij heeft verklaard daarmee [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 4] te bedoelen) en dat hij het aan [medeverdachte 2] moest geven. Hij had daarover het meeste contact met [verdachte]. Later had hij van hen gehoord dat er chaos was en dat er jongens waren aangehouden.

In eerste instantie was het de bedoeling dat [medeverdachte 2] een container zou regelen waarin de drugs naar buiten konden worden gereden. Hij kreeg van hem de nummers van de boxen en kon die dan aan een van de drie mannen doorgeven.

[medeverdachte 3] belt veelvuldig met [medeverdachte 2] en omgekeerd. Hij vraagt of hij het van zaterdag al heeft geregeld. De M is voor zaterdag. [medeverdachte 2] antwoordt dat hij het nummer kan komen halen en zegt dat die jongen van hem rijdt.

[medeverdachte 1] wil van [medeverdachte 3] weten of iemand met hem kan meerijden en wanneer hij precies naar binnen gaat. Ook belt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 6] en zegt hem te bellen met die grote Marokkaanse chauffeur van hem. [medeverdachte 6] onderhoudt op zijn beurt contacten met [medeverdachte 4].

In de middag van de 29e juni 2013 is er contact tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [verdachte] over de aanschaf van vesten. [medeverdachte 1] heeft er drie nodig en ze moeten oranje zijn.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat bij de aanhouding van degenen die de cocaïne van het haventerrein hebben gehaald oranje veiligheidshesjes zijn aangetroffen.

Op 30 juni 2013 rond 07.20 uur belt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 4] en vertelt hem dat ze volgens hem allemaal de klos zijn. Ze zijn buiten, zijn aan het racen en iedereen zit achter hen aan.

[medeverdachte 4] zegt tegen [medeverdachte 1] dat ze net aan de overkant zijn langsgereden, dat hun achterkant schoon is. Een busje voorop en de andere er achter. Er reden twee douanes en een politiebusje.

[medeverdachte 1] zegt tegen [medeverdachte 4] dat hij tegen hen moet zeggen dat ze ergens moeten afslaan.

Later belt [medeverdachte 1] zijn vrouw en zegt tegen haar dat er chaos is geweest, dat [medeverdachte 4] en [verdachte] save zijn, maar de rest is aangehouden.

[medeverdachte 2] neemt contact op met [medeverdachte 3] en vraagt hoe het gaat. [medeverdachte 3] zegt dat het jammer is en dat [medeverdachte 2] het op het nieuws kan zien. Op diens vraag hoeveel er zijn aangehouden antwoordt [medeverdachte 3]: vijf en eentje is weg.

HieruierHiit kan worden afgeleid dat de verdachten met elkaar spreken over de achtervolging en de daarop gevolgde aanhouding op 30 juni 2013 door de politie van de personen die zijn overgetapt van de Volkswagen Transporter in de Seat Leon, dat [medeverdachte 4] daar op dat moment in de buurt is en dat [verdachte] de vierde persoon in die auto was, degene die wist te ontkomen.

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] samen met [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] voorbereidingshandelingen heeft getroffen om de cocaïne uit de container van het ECT terrein te halen, [medeverdachte 3] wederom via [medeverdachte 2] heeft geprobeerd een container te regelen waarin het vervoerd kan worden, maar dat er uiteindelijk toch voor is gekozen om de cocaïne in een gestolen en ook van gestolen kentekenplaten voorzien busje vanaf het haventerrein verder te vervoeren.

5.2.2.1 Invoer

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 3 aangevoerd dat de invoer op 30 juni 2013 niet kan worden bewezen nu niet kan worden vastgesteld dat de cocaïne is ingevoerd. Daar komt bij dat ook niet kan worden vastgesteld dat de verdachten in de zaak Waterlijn zijn aangestuurd door de verdachte.


De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Zoals hiervoor in de algemene inleiding reeds is uiteengezet, hield [medeverdachte 1] zich met de mensen om hem heen bezig met het uithalen van verdovende middelen uit containers die afkomstig waren van zeeschepen. Nog afgezien van het feit dat in ieder geval binnen de wereld waarin [medeverdachte 1] en de zijnen zich begaven het een feit van algemene bekendheid mag worden verondersteld dat het voornamelijk zeeschepen afkomstig uit Zuid-Amerika zijn die deze kostbare lading bevatten, blijkt dat [medeverdachte 1] en de zijnen ook precies wisten welke container ze moesten hebben, waar deze in de stack stond en wanneer deze zou aankomen.

De rechtbank wijst in dit verband op het feit dat in conversaties wordt gesproken over containernummers en dat [medeverdachte 3] in de onderhavige zaak een briefje had met daarop de naam van een schip dat uit Peru blijkt te komen. Voorts blijkt uit de tapgegevens in de zaak 26-27 juni 2013 dat [medeverdachte 1] kennelijk heeft kunnen zien dat er een storing in het systeem van de ECT was geweest en dat de container (die overigens uit Colombia bleek te komen) inmiddels richting Hamburg was vertrokken. In de zaak 30 juni 2013 kon [medeverdachte 1] voorts zien dat het schip vertraging had. Op de één of andere manier had [medeverdachte 1] derhalve inzage in het systeem van de ECT en de routing van de schepen en de containers.

Gezien het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer dat de verdachten niet zouden hebben geweten van de buitenlandse afkomst van de containers die opengebroken moesten worden en dat derhalve van (verlengde) invoer niet gesproken zou kunnen worden.

Voorts blijkt uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen dat [verdachte] degene moet zijn geweest die als vierde persoon in de Seat Leon zat en op dat moment heeft weten te ontkomen aan de politie, zodat er wel degelijk een relatie kan worden gelegd met de verdachten uit de zaak Waterlijn.

5.2.3

Zaak 7 juni 2013

Op 5 juni 2013 vraagt [medeverdachte 1] diverse mensen naar café-restaurant Riva te komen. Door observanten is gezien dat diverse personen rond 20.30 uur bij Riva zijn, onder wie [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. Tevens wordt gezien dat de auto toebehorend aan [medeverdachte 4] en een auto in gebruik bij [verdachte] voor de deur staan. Rond middernacht wordt gezien dat [medeverdachte 4] en een andere persoon vanaf Riva naar Leiden rijden in de auto van [medeverdachte 4], hetgeen [medeverdachte 4] ter zitting ook heeft beaamd. Ongeveer anderhalf uur later wordt gezien dat de auto van [medeverdachte 4], alsmede een Volkswagen Caddy met kenteken (60-VJS-S) terug naar Rotterdam rijden. Genoemde Caddy wordt in de buurt bij Riva geparkeerd en [medeverdachte 4] keert terug naar Riva waar [medeverdachte 1] dan nog zit. Onderweg naar Riva wordt [medeverdachte 4] gebeld door hem met de vraag of hij het geregeld heeft. Het antwoord van [medeverdachte 4] luidt bevestigend.

Op 6 juni 2013 vraagt [medeverdachte 1] diverse personen naar een garage te komen. Gezien wordt dat op 6 juni 2013 vanaf 21:50 uur diverse personen bij Autokliniek Zuid bijeen zijn. Daar staan dan onder andere de auto van [medeverdachte 3], de auto in gebruik bij [verdachte] en de uit Leiden afkomstige Volkswagen Caddy (60-VJS-2).

Uit onderzoek naar historische telefoongegevens blijkt dat de toestellen van onder meer [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 4] vanaf ongeveer 21.30 uur aanstralen in de omgeving van Autokliniek Zuid.

Om 23:09 uur belt [medeverdachte 4] [medeverdachte 1]. [medeverdachte 4] zegt dat het ‘tijd van de onzen is’ en [verdachte] de telefoon heeft. Geobserveerd wordt dat genoemde Volkswagen Caddy om 23.13 uur het ECT terrein op rijdt. Uit onderzoek naar de toegangsgegevens blijkt dat om 23:12 uur de toegangspas van [medeverdachte 10] wordt gebruikt, terwijl [medeverdachte 10] die avond vrij was. Om 23:37 uur belt [medeverdachte 1] [medeverdachte 4] en zegt dat ze de deur open mogen maken.

Vanaf 03:27 uur volgen de telefoons van [medeverdachte 4] en [verdachte] een zelfde route, namelijk vanuit de richting van Autokliniek Zuid naar de omgeving van het ECT terrein en weer terug.

Gezien wordt dat de Volkswagen Caddy om 3:36 uur het terrein af is. Om het terrein te verlaten is de toegangspas van [medeverdachte 10] gebruikt. Om 3:42 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] en vraagt hoever ze zijn. [verdachte] antwoordt dat ze bij Rozenburg/Maassluis zijn.

[medeverdachte 1] belt vervolgens naar Emre en zegt dat de gordijnen dicht moeten worden gedaan. Als hij zo belt, moet de deur worden open gemaakt. Even later belt [medeverdachte 1] weer naar hem en zegt: doe snel de deur open, snel, snel. Om 4:42 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt dat ieder zijn ding heeft gepakt, al de mensen zijn weggegaan.

Nadat op 7 juni 2013 een doorzoeking is gedaan aan de Rose Spoorstraat te Rotterdam, waarbij [medeverdachte 4] is aangehouden, belt [medeverdachte 4] op 8 juni 2013 naar [medeverdachte 1]. [medeverdachte 4] geeft aan dat hij gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht en [medeverdachte 1] geeft aan dat ze er zonder kleerscheuren vanaf zijn gekomen.

De rechtbank leidt uit hiervoor genoemde feiten en omstandigheden af dat [medeverdachte 1] tezamen en in vereniging met onder meer [medeverdachte 4] en [verdachte] in ieder geval sinds 5 juni 2013 voorbereidingen heeft getroffen voor het uithalen van een partij cocaïne in de nacht van 6 op 7 juni 2013. Daartoe hebben diverse telefoongesprekken en ontmoetingen plaatsgevonden, in ieder geval op 5 en 6 juni 2013 bij Riva en Autokliniek Zuid, is een toegangspas tot het ECT terrein geregeld en is een Volkswagen Caddy uit Leiden gehaald. In de nacht van 6 op 7 juni 2013 rijden [verdachte] en [medeverdachte 4] richting het ECT haventerrein, welk terrein die nacht daadwerkelijk is betreden met de Volkswagen Caddy en met behulp van de daarvoor geregelde toegangspas op naam van [medeverdachte 10]. Uit de gesprekken nadien lijkt te kunnen worden afgeleid dat er daadwerkelijk een partij is uitgehaald, dat deze richting Rotterdam (in het bijzonder de Rose Spoorstraat) is begeleid en dat deze dezelfde nacht nog is verdeeld onder de personen waarvoor deze kennelijk bedoeld was. Toen vervolgens de politie het pand doorzocht was de cocaïne dus al weg.

5.2.4

Zaak 9 & 10 juni 2013

Vanaf 9 juni 2013 heeft [medeverdachte 1] regelmatig telefonisch contact met onder meer [medeverdachte 6], [medeverdachte 4] en [verdachte]. [medeverdachte 6] vertelt [medeverdachte 1] dat de man ging trippen en de prijs van het pasje omhoog wil drijven. Ze geven de man nu vijf en de volgende keer wil hij tien. [medeverdachte 1] zegt [medeverdachte 6] dat ze het rond acht uur nodig hebben.

[medeverdachte 1] heeft de middag van 9 juni 2013 ook diverse malen contact met [medeverdachte 4] en [verdachte]. Aan [medeverdachte 4] vraagt hij of hij nog naar de telefoons gaat en aan [verdachte] of hij al wat gepakt heeft. [verdachte] en [medeverdachte 1] ontmoeten elkaar bij de VIP Lounge. Om 19:45 uur belt [medeverdachte 4] [medeverdachte 1] en zegt dat hij die kant op komt. [medeverdachte 1] vraagt of hij gepakt heeft, het antwoord daarop is ja.

Rond acht uur, namelijk om 20:17 uur, is te zien dat de portkey van [medeverdachte 10] is gebruikt om het terrein op te gaan, terwijl [medeverdachte 10] ook toen vrij was.

Om 21:37 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte]. [medeverdachte 1] vraagt hem: heb je gehoord hoe hoog? Als [verdachte] ontkennend antwoordt zegt [medeverdachte 1] “Vier” en vraagt of dat te halen is. Ja tuurlijk, zegt [verdachte]. [medeverdachte 1] vraagt hem dan: Gewoon met je rug leunen?

Rond 21:50 uur blijken [medeverdachte 4] en [verdachte] gebruik te maken van dezelfde telefoon, ze bevonden zich dus in elkaars nabijheid.

Om 22:27 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door [medeverdachte 4], die vraagt of [medeverdachte 1] de telefoons mee neemt. [medeverdachte 1] zegt dat hij “hen” eerst even weg zal sturen.

Rond 23:08 belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 6] en zegt dat ze naar binnen zijn gegaan en weer terug uitgegaan. Er is niks, zij gaan nu weer terug.

Geconstateerd is dat met de portkey van [medeverdachte 10] om 23:12 opnieuw het ECT terrein is betreden (en op 10 juni 2013 om 0:16 het terrein weer is verlaten).

Om 00:03 uur belt [medeverdachte 4] [medeverdachte 1] waarin hij met zachte stem zegt: Hey, ik ben er. Op dat moment blijken de telefoons van zowel [medeverdachte 4] als [medeverdachte 1] in de omgeving van Autokliniek Zuid te zijn.

Om 01:37 uur voert [medeverdachte 1] een telefoongesprek met een onbekend gebleven persoon. [medeverdachte 1] zegt dat de chauffeur binnen is en alles is rustig. Om 1:38 uur belt [medeverdachte 1] [medeverdachte 6] en zegt: ze zijn nu in positie. Waarop [medeverdachte 6] zegt dat hij afwacht. [medeverdachte 1] vraagt hem naar de garage te komen over een half uur. De telefoon van [medeverdachte 1] bevindt zich op dat moment in de omgeving van het haventerrein. Uit het dossier blijkt dat met de portkey van [medeverdachte 10] om 1:19 uur opnieuw het ECT terrein is betreden (en om 1:52 het terrein weer is verlaten).

Om 01:58 uur belt [medeverdachte 1] met een onbekend gebleven persoon en zegt dat het veilig is en dat hij nu achter hem is. Om 02:03 uur belt [medeverdachte 1] deze persoon weer en zegt hem dat hij niet voor snelheid gepakt moet worden, Alji…Alji.. [medeverdachte 1] zegt dat ze met de auto naar de nachtwinkel moeten komen. Om 2:06 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 6] en zegt hem dat hij niet precies voor de garage moet komen. Om 2:14 uur belt [verdachte] [medeverdachte 1] en vraagt waar hij zit. [medeverdachte 1] zegt “hier links, ga links”, ok zegt [verdachte]. Om 02:22 uur belt [medeverdachte 1] [medeverdachte 6] en zegt: Oke, alles is oke, jouw vriend is bij mij. [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 6] hem moet bellen zodra [medeverdachte 6] bij de garage is. [medeverdachte 1] legt uit dat zij in dat park zijn en dat [medeverdachte 6] daar naar toe moet komen.

De rechtbank leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [medeverdachte 1] samen en in vereniging met [medeverdachte 4], [verdachte], [medeverdachte 6] voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor het uithalen van een partij cocaïne in de nacht van 9 op 10 juni 2013. Daartoe zijn gesprekken gevoerd, telefoons geregeld en is de toegangspas van [medeverdachte 10] ter beschikking gesteld.

Tot drie maal toe is het terrein van ECT betreden en mogelijk is daarbij een partij uitgehaald.

5.2.5

Zaak 22-25 mei 2013

[medeverdachte 1] belt op 23 mei 2013 en in de nacht die daarop volgt met een groot aantal personen, onder wie [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 4] en belegt diverse ontmoetingen met hen en met anderen.

Op verzoek van [medeverdachte 3] regelt [medeverdachte 2] op 23 mei 2013 via een transportbedrijf De Klerk een (droge) container en geeft het nummer daarvan in bedekte termen door aan [medeverdachte 3], die aangeeft gelijk daarna de Turk te zullen bellen ([medeverdachte 3] heeft verklaard daarmee [medeverdachte 1] te bedoelen).

Op donderdag 23 mei 2013 om 21:43 uur, rijdt een Renault busje het terrein van ECT op.

Er wordt gebruik gemaakt van de portkey van [getuige 1]. Het Renault busje rijdt bij een stack op een baan bestemd voor ECT personeel en zodra er een carrier op het busje afrijdt, probeert het busje het ECT terrein te verlaten. Bij de uitgang van ECT wordt de bestuurder van de bestelbus aangesproken door een beveiliger. De bestuurder overhandigt een portkey op naam van [getuige 1]. Als wordt gevraagd naar de legitimatie van de bijrijder, rijdt de bus dwars door de slagboom het terrein af. Zoals hiervoor reeds is overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte] op dat moment naast [getuige 1] in het busje zat.

Na deze gebeurtenis heeft [medeverdachte 1] omstreeks 22:43 uur contact met een aantal mensen waarin hij laat weten: “de omen schijnen achter hen te zitten, zij schuilen nu, maar zij zijn niet binnen” en tegen [medeverdachte 3] zegt hij: “het is een beetje chaos hier binnen”.

Een paar uur later, op 24 mei 2013 omstreeks 02:35 uur, belt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 4] en zegt hem over tien of vijftien minuten te vertrekken, de weg op te gaan, samen met een ander, ‘gewoon voor de zekerheid, daar ergens’. Vervolgens laat [medeverdachte 1] per SMS aan [verdachte] weten dat hij ‘eentje weer dezelfde plek laat staan rotonde”.

Uit onderzoek naar historische telefoongegevens blijkt dat het toestel van [medeverdachte 4] ongeveer 03:39 uur die nacht aanstraalt in de directe omgeving van de ECT Delta terminal.

Rond 03.10 uur is [verdachte] voor de tweede keer op het ECT terrein en rond 04:24 uur bevindt hij zich samen met een ander persoon in het stack. Ondanks veelvuldig heen- en weer gebel met [medeverdachte 1], die op zijn beurt weer anderen belt over de precieze locatie, kunnen zij niet vinden waarnaar ze op zoek zijn. Omdat het te druk is en het licht wordt, verlaten zij om ongeveer 05:16 uur onverrichter zake het terrein. [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 4] net daarvoor richting de poort gestuurd.

Uit tapgesprekken blijkt dat later die dag wederom een poging zal worden ondernomen. [medeverdachte 1] heeft die dag weer een reeks gesprekken en ontmoetingen met onder meer [verdachte] en [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] vraagt [medeverdachte 2] of hij weer voor een droge container kan zorgen.

Om 23:14 uur gaan opnieuw mensen het terrein van de ECT Delta terminal op. Omdat ze denken dat ze worden gevolgd door de politie verlaten ze rond 23:58 uur het terrein.

[medeverdachte 1] voert op 25 mei 2013 vlak voor 03:00 uur een aantal gesprekken met [medeverdachte 4]. Er wordt gesproken over de beveiliging en er komt naar voren dat [medeverdachte 4] de omgeving verkent of die rustig is. Omstreeks 03.20 uur die nacht wordt het terrein van de ECT Delta terminal voor de vierde keer betreden. Er worden drie containers geopend, maar er worden geen verdovende middelen aangetroffen. Rond 05:19 uur wordt het terrein weer verlaten.

[medeverdachte 1] heeft daarna nog contact met zowel [verdachte] als [medeverdachte 4]. Ook meldt [medeverdachte 1] in een telefoongesprek aan [medeverdachte 3]: “alle drie leeg”.

Uit onderzoek blijkt dat op 24 mei 2013 om 02:55 uur, om 23:14 uur en op 25 mei om 03:20 uur de portkeypas van [medeverdachte 9] is gebruikt om het ECT Delta terrein te betreden. Met diezelfde pas is op 24 mei 2013 om respectievelijk 05:16 uur en 23:58 uur, en op 25 mei 2013 om 05:19 uur het terrein weer verlaten. Op camerabeelden die zijn gemaakt bij het verlaten van het terrein blijkt dat niet [medeverdachte 9], maar een ander deze pas aanbiedt.

De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat [medeverdachte 1] in de periode van 22 tot 25 mei 2013 in nauwe samenwerking met [verdachte] en [medeverdachte 4] voorbereidingen heeft getroffen om cocaïne uit de een container van het ECT terrein te halen. [verdachte] is daartoe meermalen op het haventerrein geweest en [medeverdachte 4] hield onder meer in de gaten of de situatie veilig was.

[medeverdachte 3] moest middels [medeverdachte 2] containers regelen waarin de cocaïne onopgemerkt van het terrein af zou kunnen worden gereden.

In totaal lijkt het haventerrein viermaal te zijn betreden, de eerste keer – al dan niet onder druk – met behulp van [getuige 1] en de daarop volgende keren met gebruikmaking van de toegangspas van [medeverdachte 9]. Daarbij is het de verdachten niet gelukt om de juiste container te traceren, ofwel anderen zijn hen voor geweest en hadden de betreffende container al leeggehaald.

5.3

Medeplegen

Uit het hiervoor weergegeven samenstel van feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachten deze feiten in nauwe en bewuste samenwerkingen hebben begaan. Ieder heeft zijn eigen rol en aandeel in het geheel, maar allen hebben een wezenlijke bijdrage geleverd aan de voorbereidingshandelingen. Waarbij in het geval van [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [verdachte] nog gezegd kan worden dat ze bij de uiteindelijke uitvoering daarvan alle drie direct betrokken zijn geweest.

5.4

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 primair, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij in of omstreeks de periode van 23 juni 2013 tot en met 27 juni 2013, te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 379 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachte's mededader(s),

meermalen, in ieder geval éénmaal

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld en/of

- ( een) container(s) geregeld om de cocaïne van het ECT terrein af te voeren en/of

- perso(o)n(en) op en/of nabij het ECT terrein afgezet en/of laten afzetten en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- het ECT terrein (onbevoegd) betreden en/of

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s);

3. primair

hij op of omstreeks 30 juni 2013 te Rotterdam, althans Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), een hoeveelheid van ongeveer 302 kilogram cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2013 tot en met 30 juni 2013 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 302 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) toegangspas(sen) geregeld en/of verstrekt en/of

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen in tassen in een container laten plaatsen en/of

- die container opengebroken teneinde de tassen met verdovende middelen eruit te kunnen halen en/of

- zich voorgedaan als werknemer van een op het ECT terrein werkzaam bedrijf en/of

- zich gekleed in zogenaamde (nieuwe) veiligheidskleding (gelijkend op kleding die door medewerkers van bedrijven gevestigd op het ECT terrein wordt/worden gedragen) en/of

- ( onbevoegd) het terrein van de ECT betreden (opgereden met een auto Volkswagen Transporter, kenteken 49-VKH-4 en/of Seat Leon, kenteken 08-XF-RD) en/of;

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)daders;

5.

hij in de of omstreeks periode van 5 juni 2013 tot en met 7 juni 2013 te Rotterdam althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) meermalen, in ieder geval éénmaal

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld en/of

- ( een) container(s) geregeld om de cocaine van het ECT terrein af te voeren en/of

- een bestelbusje (volkswagen Caddy met kenteken 60-VJS-2) geregeld en/of gekocht en/of opgehaald en/of

- perso(o)n(en) op en/of nabij het ECT terrein afgezet en/of laten afzetten en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- ( onbevoegd) het ECT terrein betreden en/of

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s);

6.

hij in of omstreeks de periode van 9 juni 2013 tot en met 10 juni 2013 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

meermalen, in ieder geval éénmaal

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld en/of

- ( een) container(s) geregeld om de cocaine van het ECT terrein af te voeren en/of

- perso(o)n(en) op en/of nabij het ECT terrein afgezet en/of laten afzetten en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- ( onbevoegd) het ECT terrein betreden en/of

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s);

7.

hij in of omstreeks periode van 22 mei 2013 tot en met 25 mei 2013 te Rotterdam

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen,

in ieder geval éénmaal

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) meermalen, in ieder geval éénmaal

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld en/of

- ( een) container(s) geregeld om de cocaine van het ECT terrein af te voeren en/of

- perso(o)n(en) op en/of nabij het ECT terrein afgezet en/of laten afzetten en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- het ECT terrein (onbevoegd) betreden en/of

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 2, 4, 5, 6 en 7

tezamen en in vereniging met anderen een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van art. 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

3 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen op grote schaal en veelvuldig schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de invoer van cocaïne in Nederland, alsmede aan de invoer van 302 kilo cocaïne. Hij maakte deel uit van een groep personen die zich bezig hield met het uithalen van cocaïne uit containers die via de Rotterdamse haven ons land waren binnengekomen en op het haventerrein stonden om verder te worden vervoerd. De verdachte had hierin een belangrijke rol en komt uit het dossier naar voren als één van de drie hoofdpersonen. Samen met twee medeverdachten hield hij zich bezig met de organisatie van het geheel en fungeerde zo doende als contactpersoon voor andere verdachten, degenen die de containers, chauffeurs en toegangspassen moesten regelen. Ook is hij zelf meermalen aanwezig geweest op het ECT terrein bij (pogingen tot) het uithalen van de cocaïne. Het is buitengewoon verontrustend te constateren dat in de korte tijd die wordt bestreken door de tenlastelegging zoveel concrete uithaalacties, pogingen en voorbereidingen daartoe door de verdachte en zijn medeverdachten zijn ondernomen. Het lijkt erop dat de verdachte zich hiermee fulltime bezig hield.

Door aldus te handelen heeft de verdachte zich actief bezig gehouden met de (internationale) handel in verdovende middelen. De aangetroffen hoeveelheid van 302 kilo cocaïne was van dien aard, dat die bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en grootschalige handel. De invoer van dergelijke partijen vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Harddrugs zijn schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers. Bovendien leiden de handel in en het gebruik van harddrugs tot allerlei andere vormen van criminaliteit en maatschappelijke problemen.

Daarbij komt dat het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten ernstige schade heeft toegebracht aan de reputatie van de Rotterdamse haven, hetgeen uiteindelijk ook een nadeel kan opleveren voor de positie van Nederland in het internationale goederen- en handelsverkeer.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Voorts heeft de rechtbank heeft acht geslagen op de rapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 18 augustus 2014 en op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 december 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf mee dat de feiten waarvoor de verdachte thans wordt veroordeeld dateren uit 2013.

De verdachte heeft lang op zijn berechting moeten wachten en heeft ter zitting ook verklaard dat hij hiervan nadelige gevolgen heeft ondervonden. Weliswaar was zijn voorlopige hechtenis geschorst, maar het gegeven dat hij in onzekerheid verkeerde over de afloop van zijn strafzaak, heeft hem beperkt bij het invullen van zijn toekomstplannen.

Gelet hierop, en omdat de verdachte zal worden vrijgesproken van een aantal van de aan hem ten laste gelegde feiten, legt de rechtbank een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

9 Voorlopige hechtenis

De raadsvrouw heeft aanvankelijk verzocht bij een bewezenverklaring de schorsing van de verdachte door te laten lopen en niet te laten eindigen bij einduitspraak.

Nadat de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte bij beslissing van

15 februari 2016 is opgeheven is de raadsvrouw hier niet meer op teruggekomen.

10 Vordering tenuitvoerlegging

10.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 2 november 2010 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van openlijke geweldpleging, bedreiging, diefstal met geweld, diefstal met braak en opzetheling veroordeeld voor zover van belang tot jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, waarvan een gedeelte groot 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 17 november 2010. Uit de Justitiële Documentatie van

2 december 2015 kan worden afgeleid dat de proeftijd doorliep tot 23 december 2014.

10.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de TUL af te wijzen nu de voorwaardelijke straf is opgelegd voor andersoortige feiten.

10.3.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Dat dit andere feiten betreft dan waarvoor de voorwaardelijke straf is opgelegd doet daar niet aan af.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf. Verdachte is inmiddels ruim ouder dan achttien jaar. De rechtbank ziet derhalve aanleiding de jeugddetentie om te zetten in een gevangenisstraf.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op de reeds genoemde artikelen is gelet op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 14g, 47 en 77dd van het Wetboek van Strafrecht.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2, 3 primair, 4, 5, 6 en 7 en laste gelegde feiten zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 2 november 2010 van de meervoudige kamer in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de tijd van 6 maanden en bepaalt dat deze jeugddetentie wordt omgezet in gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.L. van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. C. Laukens en K.T. van Barneveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in de periode van 26 tot en met 27 juni 2013 te Rotterdam, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld

in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 379 kilogram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel

als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2A jo 10 OW)

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij

in of omstreeks de periode van 23 juni 2013 tot en met 27 juni 2013,

te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van ongeveer 379 kilogram cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachte's mededader(s),

meermalen, in ieder geval éénmaal

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt

en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun

mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen

en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld

en/of

- ( een) container(s) geregeld om de cocaine van het ECT terrein af te voeren

en/of

- perso(o)n(en) op en/of nabij het ECT terrein afgezet en/of laten afzetten

en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- het ECT terrein (onbevoegd) betreden en/of

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s);

(artikel 10A Opiumwet)

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

3. primair

hij

op of omstreeks 30 juni 2013 te Rotterdam, althans Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder

mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet),

een hoeveelheid van ongeveer 302 kilogram cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde (telkens) cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

(art. 2/A OW jo. art 47 Sr)

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

subsidiair

hij op of omstreeks 30 juni 2013 te Rotterdam, althans Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van ongeveer 302 kilogram (bruto) cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

(art. 2/B/C OW jo. Art. 47 Sr)

4.

hij

in of omstreeks de periode van 1 juni 2013 tot en met 30 juni 2013 te

Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet,

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van

ongeveer 302 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt

en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of verstrekken

en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) toegangspas(sen) geregeld en/of verstrekt en/of

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen in tassen in een container laten

plaatsen en/of

- die container opengebroken teneinde de tassen met verdovende middelen eruit

te kunnen halen en/of

- zich voorgedaan als werknemer van een op het ECT terrein werkzaam bedrijf

en/of

- zich gekleed in zogenaamde (nieuwe) veiligheidskleding (gelijkend op kleding

die door medewerkers van bedrijven gevestigd op het ECT terrein wordt/worden

gedragen) en/of

- ( onbevoegd) het terrein van de ECT betreden (opgereden met een auto

Volkswagen Transporter, kenteken 49-VKH-4 en/of Seat Leon, kenteken

08-XF-RD);

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)daders;

(art. 10a OW jo. art. 47 Sr)

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

5.

hij in of omstreeks periode van 5 juni 2013 tot en met 7 juni 2013 te

Rotterdam althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van een grote (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

meermalen, in ieder geval éénmaal

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt

en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun

mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen

en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld

en/of

- ( een) container(s) geregeld om de cocaine van het ECT terrein af te voeren

en/of

- een bestelbusje (volkswagen Caddy met kenteken 60-VJS-2) geregeld en/of

gekocht en/of opgehaald en/of

- perso(o)n(en) op en/of nabij het ECT terrein afgezet en/of laten afzetten

en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- ( onbevoegd) het ECT terrein betreden en/of

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s);

(artikel 10A Opiumwet)

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

6.

hij in of omstreeks de periode van 9 juni 2013 tot en met 10 juni 2013 te

Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van een grote (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

meermalen, in ieder geval éénmaal

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt

en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen

en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld

en/of

- ( een) container(s) geregeld om de cocaine van het ECT terrein af te voeren

en/of

- perso(o)n(en) op en/of nabij het ECT terrein afgezet en/of laten afzetten

en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- ( onbevoegd) het ECT terrein betreden en/of

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s);

(artikel 10A Opiumwet)

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

7.

hij in of omstreeks periode van 22 mei 2013 tot en met 25 mei 2013 te

Rotterdam

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen,

in ieder geval éénmaal

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van een grote (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

meermalen, in ieder geval éénmaal

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt

en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun

mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen

en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld

en/of

- ( een) container(s) geregeld om de cocaine van het ECT terrein af te voeren

en/of

- perso(o)n(en) op en/of nabij het ECT terrein afgezet en/of laten afzetten

en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- het ECT terrein (onbevoegd) betreden en/of

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s);

(artikel 10A Opiumwet)

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

8.

hij in de periode van 8 tot en met 10 augustus 2013 te Rotterdam, althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van een grote (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachte's mededader(s)

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt

en/of een of meer bespreking(en) en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun

mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen

en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of verstrekt en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of verstrekt en/of

- ( onbevoegd) het ECT terrein betreden;

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet