Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2404

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
C/10/476751 / HA ZA 15-590
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mag politie naast het landelijk register een eigen tolkenbestand hanteren? Zo ja, is de procedure deugdelijk en konden eisers verwijderd worden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/476751 / HA ZA 15-590

Vonnis van 23 maart 2016

in de zaak van

1. [eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. A.C. van der Bent,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon met wettelijke taak

DE POLITIE,

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. S.A.L. van de Sande.

Eisers worden tezamen aangeduid als zodanig dan wel als [eisers] ; elk voor zich worden zij [eiser] en [eiseres] genoemd. Gedaagde wordt aangeduid als de Politie.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 18 mei 2015 (tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening), met producties;

  • -

    conclusie van antwoord (zowel in de hoofdzaak als in het incident), met producties;

  • -

    tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 9 september 2015, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de brief met producties van mr. Van der Bent d.d. 29 september 2015;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 14 oktober 2015;

- de bij die gelegenheid aan beide zijden overgelegde pleitnotities respectievelijk –aantekeningen;

- de brief van [eisers] naar aanleiding van het proces-verbaal, die aan het proces-verbaal is gehecht;

- de brief van de Politie naar aanleiding van het proces-verbaal, die aan het proces-verbaal is gehecht.

Vonnis in het incident is gewezen op 11 november 2015, vonnis in de hoofdzaak is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

[eiser] en [eiseres] zijn reeds vele jaren (bijna 40 respectievelijk meer dan 30 jaar) werkzaam als tolk en vertaler Turks-Nederlands en vice versa. Zij hebben in die hoedanigheid elk voor diverse politiekorpsen gewerkt. Hun werkzaamheden hebben voor een belangrijk deel bestaan in het vertalen van telefoongesprekken die op basis van een daartoe strekkende machtiging werden afgeluisterd door de politie (tapgesprekken), een en ander in lopende strafrechtelijke onderzoeken.

2.2

[eiser] en [eiseres] staan elk sedert 2009 ingeschreven in het landelijk tolkenregister (RBTV) als bedoeld in art. 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de WBTV of de wet).

2.3

De Politie hanteert en hanteerde ook in 2012 een door haar samengesteld bestand van door de Politie in te schakelen tolken (hierna: het Tolkenbestand). Slechts tolken die zijn opgenomen in dat Tolkenbestand worden door haar ingezet voor tolk- en vertaalwerkzaamheden.

2.4

Op 11 april 2012 heeft [eiseres] op verzoek van het Interregionaal Tolken Coördinatiepunt namens de Politie een inlichtingenstaat Betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek Politie ingevuld en ondertekend. In de toelichting bij het formulier wordt aangegeven dat een antecedentenonderzoek plaats zal vinden door veiligheidsonderzoekers, dat door ondertekening toestemming daartoe gegeven wordt en dat de gegevens vertrouwelijk behandeld worden en niet aan derden ter beschikking worden gesteld. In dat formulier is onder het kopje Gegevens omtrent uw verleden de vraag bent u in het verleden wel eens in aanraking geweest met de Politie of justitie vanwege een misdrijf met Nee beantwoord. Het slot luidt:

Hierbij verklaar ik in te stemmen met het instellen van een betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek (…) het is mij bekend dat tolk- of vertaalwerkzaamheden voor de bij de Politietolkenregeling aangesloten politiekorpsen van Zuid-Oost en West Nederland niet kunnen plaatsvinden indien zou blijken dat dit formulier enige onwaarheid bevat.

2.5

Op 23 september 2011 is aan [eiser] een strafbeschikking van € 200 opgelegd in verband met overtreding van het (destijds geldende) art. 37 van de Gezondheids- en welzijnswet Dieren. Overtreding van art. 37 was destijds, ingevolge art. 121 jo. 122 van die wet, een misdrijf.

2.6

Op 20 augustus 2012 heeft [eiser] , naar aanleiding van een soortgelijk verzoek als dat onder 2.4 bedoeld, een eigen inlichtingenstaat ingevuld en ondertekend. In dat formulier is onder het kopje Gegevens omtrent uw verleden de vraag bent u in het verleden wel eens in aanraking geweest met de Politie of justitie vanwege een misdrijf met Nee beantwoord. Het slot luidt:

Hierbij verklaar ik in te stemmen met het instellen van een betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek (…) het is mij bekend dat tolk- of vertaalwerkzaamheden voor de bij de Politietolkenregeling aangesloten politiekorpsen van Zuid-Oost en West Nederland niet kunnen plaatsvinden indien zou blijken dat dit formulier enige onwaarheid bevat.

2.7

Een brief van Holland Casino aan [eiser] d.d. 21 maart 2013 luidt voor zover thans relevant als volgt:

“(…) In antwoord op uw brief van 20 maart 2013 waarin u verzoekt om een document waaruit blijkt dat u sinds augustus 2010 Holland Casino niet meer heeft bezocht doen wij u overzicht toekomen van bezoeken die in de afgelopen 5 jaar op uw naam werden geregistreerd. Op 2 augustus 2010 werd aan u, in het kader van ons preventiebeleid kansspelen, een entreeverbod opgelegd voor onbepaalde tijd. (…)”

2.8

Bij brieven van 3 juni 2013 heeft de Politie [eiser] en [eiseres] elk voor zich aangekondigd dat, kort samengevat, het voornemen bestond om het verzoek om te blijven optreden als tolken/vertalers af te wijzen. Zij hebben daarop op 12 juni 2013 en 8 juli 2013 schriftelijk een zienswijze kenbaar gemaakt, die zij op 10 juli 2013 mondeling hebben toegelicht.

2.9

De (divisiechef Recherche namens de) Politie heeft [eisers] op 22 juli 2013 bericht dat zij worden afgewezen als tolk/vertaler en worden geschrapt uit het Tolkenbestand en dus niet meer ingezet zullen worden voor werkzaamheden als tolk/vertaler door de Politie.

De beslissing ten aanzien van [eiser] luidt voor zover van belang:

“(…),

Per brief van 3 juni 2013 is aan u het voornemen kenbaar gemaakt om naar aanleiding van het betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek u af te wijzen als tolk/vertaler c.q. u te verwijderen uit het tolkenbestand.

Op 12 juni 2013 heeft u schriftelijk uw zienswijze kenbaar gemaakt. (…) Tijdens het gesprek op 10 juli 2013 heeft u in aanwezigheid van uw gemachtigde (…)

en uw partner, mevrouw [eiseres] een toelichting gegeven op uw zienswijze. Kort samengevat heeft u aangegeven dat de getrokken

conclusies over uw casinobezoek niet juist zijn. U heeft begin jaren 80 het casino

bezocht, daarna geruime tijd niet meer. In de periode 2009-2010 heeft u wel het casino bezocht en daarna zelf om een entreeverbod gevraagd, u was in die periode eenzaam, uw vrouw was in het buitenland. U heeft haar ook niet over het casinobezoek en entreeverbod geïnformeerd. De conclusie dat u gokverslaafd bent is niet juist en ook kwetsend. Uw financiële positie is in orde, u werkt al 37 jaar naar volle tevredenheid als tolk voor de politie (o.a. in Oosterhout, Hilversum, Breda en Utrecht) en bent niet chantabel. De vraag van de veiligheidsonderzoeker of u met politie en justitie in aanraking bent geweest wegens een misdrijf heeft u beantwoord met nee. U heeft niet de link gelegd met de politieregistraties over burenoverlast en dierenwelzijn. Tot slot heeft u opgemerkt dat het onderzoek lang heeft geduurd, telkens werden door de veiligheidsonderzoeker nieuwe vragen gesteld. Er is sprake van onzorgvuldigheden van de zijde van de veiligheidsonderzoeker, onder meer de verwisseling van huisnummers van panden.

Op basis van betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek, de door u ingediende

zienswijze en de mondelinge toelichting kom ik tot het volgende oordeel.

Tolken vervullen een cruciale rol bij de opsporing van strafbare feiten in Nederland.

Gelet op deze verantwoordelijkheid is het dan ook van bijzonder belang dat politie en justitie erop kunnen vertrouwen dat de betrouwbaarheid van de tolk boven iedere

twijfel is verheven. Dit is bij u niet het geval. Uit raadpleging van de politiesystemen is gebleken dat u, uw partner en uw dochter zestien maal staan geregistreerd in de

politiesystemen. Dit betreft de periode 22 juli 2009 tot 7 september 2012 en gaat over burenproblematiek en dierenwelzijn. Uit het justitieel documentatieregister is mij gebleken dat u op 23 september 2011 bij strafbeschikking een geldboete is opgelegd van € 200,00 ter zake overtreding van artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Tijdens het betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek heeft u in strijd met de waarheid verklaard dat u en uw gezinsleden nog nooit met politie en/of justitie in aanraking zijn geweest. Alleen al op deze grond, het in strijd met de waarheid verklaren, is verwijdering van u uit het tolkenbestand gerechtvaardigd. Daarbij neem ik ook in aanmerking dat de registraties in de politiesystemen niet van voorbijgaande aard zijn, de registraties strekken zich uit over een periode van meer dan drie jaar, hetgeen duidt op volhardend antisociaal gedrag.

Daarnaast zijn uw bezoeken aan het casino een risicofactor voor de politie. Uit de

rapportage van de veiligheidsonderzoeker blijkt dat u heeft aangegeven tot 1998

geregeld tweemaal per week het casino te hebben bezocht en daarna niet meer. Uit

het onderzoek is echter gebleken dat op 2 augustus 2010 door Holland Casino een

entreeverbod voor onbepaalde tijd is opgelegd. In de periode 1 februari 2009 tot 27 juli 2010 heeft u 79 keer Holland Casino bezocht. De ervaring leert dat bezoekers van casino’s in een chantabele positie terecht kunnen komen hetgeen een onaanvaardbaar risico voor de politieorganisatie vormt. Uw verwijten aan de veiligheidsonderzoeker dat hij niet de juiste gegevens in zijn rapportage heeft vermeld treffen geen doel. Ik heb geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de rapportage van de onderzoeker.

Tot slot stel ik vast dat uw afwachtende houding tijdens het onderzoek, u moest

herhaaldelijk worden aangespoord om (financiële) gegevens te verstrekken, ook voor mij een reden is om te twijfelen aan uw integriteit.

Gelet op bovenstaande ben ik van mening dat u onvoldoende betrouwbaar en geschikt bent om tolkwerkzaamheden voor de politie te verrichten. U zult worden verwijderd uit het tolkenbestand. Voor de goede orde bericht ik u dat de beslissing tot verwijdering uit het tolkenbestand geen publiekrechtelijke grondslag heeft.

(…)”

2.10

Het daaraan ten grondslag liggende rapport van het betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek (hierna: bgo) vermeldt onder meer:

“(…) Tot medio 1998 bezocht betrokkene geregeld 2-maal per week een casino. Hij heeft in die periode met kansspelen in totaal ongeveer 10.000 euro verloren. Toen is hij ermee gestopt. Tot medio 2000 heeft hij nog wel aan risicovol beleggen gedaan maar is daarmee toen na een verlies ook gestopt. Door het beleggingsverlies zijn

ze financieel niet in de problemen gekomen. Betrokkene zegt dat hij vanaf die tijd het gokken en risicovol beleggen heeft afgezworen. Zijn bij het gesprek aanwezige partner beaamde dit.

Opmerking onderzoeker:

Omdat zijn echtgenote [eiseres] tijdens het gesprek had verteld dat betrokkene alleen het casino in Scheveningen had bezocht en haar man alleen had gegokt tijdens hun verkeringtijd (betrokkene en zijn partner zijn op 18 oktober 1982 getrouwd) en het nu daarvan afwijkende antwoord van betrokkene en de bevestiging daarop van zijn echtgenote, werd betrokkene door onderzoeker op 5 maart 2013 telefonisch verzocht of hij vrijwillig informatie over eventuele casinobezoeken wilde opvragen bij het Holland Casino te Hoofddorp. Bovendien werd dit verzoek met een korte toelichting schriftelijk per mail op die dag naar hem toegezonden. Bij het telefonisch gesprek zegde betrokkene toe de gewenste informatie bij het Holland Casino op te vragen. Bij een later telefonisch contact over dit onderwerp vertelde betrokkene dat hij vanaf augustus 2010 een entreeverbod had bij het Holland Casino en dat hij dus vanaf die tijd geen casino meer had bezocht. Hierop heb ik betrokkene gevraagd toch de volledige registraties van zijn casinobezoek op te vragen. Hij zei wederom toe dat te zullen doen.

Bij een volgend telefonisch contact zei betrokkene dat hij uit privacyoverwegingen liever niet de lijst met bezoeken aan het Holland Casino wilde meesturen. Onderzoeker heeft aan betrokkene gevraagd toch de volledige gegevens van Holland Casino aan te leveren om een juiste beoordeling te kunnen maken.

Op 11 april 2012 stuurde betrokkene per brief de opgevraagde informatie van het Holland Casino. Uit de bijgevoegde brief bleek dat betrokkene op 20 maart 2013 naar het Holland Casino een brief had verstuurd met het verzoek om een document waaruit blijkt dat hij sinds augustus 2010 niet meer Holland Casino had bezocht. Hij had niet gevraagd om de registraties die daarvoor over hem door Holland Casino waren vastgelegd.

Op het schriftelijk verzoek werd toch door Holland Casino een overzicht van zijn casinobezoeken van de afgelopen 5 jaar bijgevoegd. Aan de brief van Holland Casino zat één bijlage met 79 bezoekregistraties in de periode van 1 februari 2009 tot 27 juli 2010 gehecht. Over het jaar 2008 (5 jaar terug) was geen registratie bijgevoegd.

Voorts vermeldt de brief dat op 2 augustus 2010 aan betrokkene in het kader van het preventiebeleid kansspelen een entreeverbod werd opgelegd voor onbepaalde tijd.

Aan de hand van het preventiebeleid van Holland Casino blijkt dat een entreeverbod kan worden opgelegd ter bescherming van de bezoeker/deelnemers op diens verzoek maar ook op initiatief van het Holland Casino op basis van incidenten c.q. het in strijd handelen met de huis- en spelreglementen. Op basis van het groot aantal bezoeken aan het Holland Casino en het opgelegde entreeverbod is de conclusie gerechtvaardigd dat betrokkene door zijn gokken over een langere periode in hoge mate onverantwoord en risicovol gedrag vertoonde en hij naar redelijkheid als gokverslaafde is c.q. was aan te merken. Daardoor is er een gerede twijfel aanwezig dat betrokkene zodanig kwetsbaar is dat hij zijn werkzaamheden als tolk/vertaler voor de politie niet onafhankelijk kan uitvoeren.

Zijn aantoonbaar onjuiste antwoorden op specifieke vragen over dit onderwerp tonen in ieder geval aan dat betrokkene niet eerlijk is geweest met betrekking tot zijn gokgedrag in die periode. (…)”

2.11

De beslissing ten aanzien van [eiseres] luidt voor zover van belang:

“(…) juni 2013 is aan u het voornemen kenbaar gemaakt om naar aanleiding

van het betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek u af te wijzen als tolk/vertaler

c.q. u te verwijderen uit het tolkenbestand.

Op 12 juni 2013 heeft u schriftelijk uw zienswijze kenbaar gemaakt. (…) Tijdens het gesprek op 10 juli 2013 heeft u in aanwezigheid van uw gemachtigde (…)en uw partner (…) antwoord heeft gegeven op de gestelde vragen van de veiligheidsonderzoeker Het is onjuist dat u wordt tegengeworpen dat u de veiligheidsonderzoeker niets heeft verteld over het casinobezoek van uw partner en het daarop volgende entreeverbod. U heeft tijdens de mondelinge toelichting uitgebreid verklaard over de op dat moment aanwezige familieomstandigheden, u was op dat moment niet in Nederland en was niet op de hoogte van het casinobezoek van uw partner: Uw partner heeft u hierover niet ingelicht. Tevens heeft u verklaard over de burenproblematiek en het dierenwelzijn. U heeft er niet bij stil gestaan dat het beantwoorden van de vraag of u met politie en justitie in aanraking bent geweest in relatie staat tot de meldingen over blaffende honden en het vervuilde kippenhok. Naar uw mening is er op deze punten ook geen relatie met uw integriteit en betrouwbaarheid als tolk.

Op basis van betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek, de door u ingediende

zienswijze en de mondelinge toelichting kom ik tot het volgende oordeel.

Tolken vervullen een cruciale rol bij de opsporing van strafbare feiten in Nederland.

Gelet op deze verantwoordelijkheid is het dan ook van bijzonder belang dat politie en justitie erop kunnen vertrouwen dat de betrouwbaarheid van de tolk boven iedere

twijfel is verheven. Dit is bij u niet het geval. Uit raadpleging van de politiesystemen is gebleken dat u, uw partner en uw dochter zestien maal staan geregistreerd in de

politiesystemen. Dit betreft de periode 22 juli 2009 tot 7 september 2012 en gaat over burenoverlast en dierenwelzijn en op zakelijk gebied (panden e.d.). Tijdens het betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek heeft u in strijd met de waarheid verklaard dat u en uw gezinsleden nog nooit met politie en/of justitie in aanraking zijn geweest. Alleen al op deze grond, het in strijd met de waarheid verklaren, is verwijdering van u uit het tolkenbestand, gerechtvaardigd. Daarbij neem ik ook in aanmerking dat de registraties in de politiesystemen niet van voorbijgaande aard zijn, de registraties strekken zich uit over een periode van meer dan drieënhalf jaar en ook nog recent zijn (15 maart 2013), hetgeen duidt op volhardend antisociaal gedrag.

Daarnaast stel ik vast dat uw afwachtende houding tijdens het onderzoek, u moest herhaaldelijk worden aangespoord om (financiële) gegevens te verstrekken, ook voor mij een reden is om te twijfelen aan uw integriteit.

Gelet op bovenstaande ben ik van mening dat u onvoldoende betrouwbaar en geschikt bent om tolkwerkzaamheden voor de politie te verrichten. Voor de goede orde bericht ik u dat de beslissing tot verwijdering uit het tolkenbestand geen publiekrechtelijke grondslag heeft. (…)”

2.12

Sedert deze beslissingen zijn [eiseres] en [eiser] niet meer als tolk/vertaler ingezet door de Politie.

2.13

Tegen de beslissing om [eiser] en [eiseres] niet meer op te nemen in het Tolkenbestand dan wel hen daaruit te verwijderen staat geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel open. Dat heeft de bestuursrechter in een daartoe aangespannen procedure vastgesteld.

2.14

Bij brief van 1 oktober 2014 heeft [eiser] verzocht om hem de regels en voorwaarden kenbaar te maken waaraan hij en [eiseres] zouden moeten voldoen om weer te worden toegelaten. Bij brief van 10 oktober 2014 heeft de Politie de ontvangst bevestigd, laten weten deze brief als een nieuw verzoek te beschouwen, en [eisers] de gedragscode tolken bij inzet voor politiediensten, het protocol betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek politie 2014 (hierna: bgo 2014) en ) en de brochure betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek externen toegezonden.

Het inmiddels, op 1 januari 2014 in werking getreden, bgo 2014 luidt voor zover relevant als volgt:

De korpschef van de politie,

Gelet op;

-het bepaalde in de artikelen 8a en 8b van het Besluit algemene rechtspositie politie, de artikelen 4a en 4b van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie;

-de Regeling betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek politie (Stcrt. 17, 8 januari 1999, laatstelijk gewijzigd Stcrt. 62, 30 maart 2004);

-de taakstelling voor de politie in artikel 3 van de Politiewet 2012;

(…)

Paragraaf 4 Beoordelingscriteria en Advies

Artikel 7

Door de korpschef kan nadere invulling worden gegeven aan de beoordelingscriteria.

Artikel 8

(…)

2. Over de resultaten van het BGO wordt door de medewerker als bedoeld in artikel 2 onder 3, schriftelijk aan het hoofd van de afdeling VIK gerapporteerd. (…)

(…)

4. Er wordt in elk geval ‘negatief’ geadviseerd indien:

a. Feiten of omstandigheden worden aangetroffen waarbij de betrouwbaarheid en geschiktheid van de betrokkene in twijfel kan worden getrokken of een onaanvaardbaar risico voor de politieorganisatie kan vormen.

(…)”

De toelichting bij het BGO 2014 vermeldt voor zover van belang:

“(…) Doelstelling

De doelstelling van een betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek is om al ‘aan de poort’ te beoordelen of een betrokkene in relatie tot de beoogde functie of de beoogde werkzaamheden met betrekking tot diens betrouwbaarheid en integriteit een risico voor de organisatie kan gaan vormen.

Wet- en regelgeving

De voor het betrouwbaarheids- en geschiktheidonderzoek van belang zijnde regelgeving wordt naast het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Grondwet bepaald door de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp),de Politiewet 2012, het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), het Protocol Betrouwbaarheids en geschiktheidsonderzoek politie en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg).

Daarnaast zijn in dit verband de Wet politiegegevens (Wpg) en het Besluit politiegegevens van belang.

(…)”

3 Het geschil

[eisers] vorderen, kort samengevat en uitvoerbaar bij voorraad, dat voor recht wordt verklaard dat de Politie onrechtmatig heeft gehandeld door eisers te onderwerpen aan een betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek, door het ondergaan van dat onderzoek als eis voor opname in het Tolkenbestand te stellen, door vermelding in het Tolkenbestand als voorwaarde voor tolk/vertaalwerk voor de Politie als voorwaarde te stellen en door hen te verwijderen uit het Tolkenbestand; voorts vorderen zij schadevergoeding op te maken bij staat alsmede een gebod tot het treffen van zodanige maatregelen dat eisers feitelijk in staat worden gesteld tot het verrichten van werk als tolk/vertaler en deze werkzaamheden ook daadwerkelijk te verrichten in opdracht van de Politie, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Politie in de proceskosten, met nakosten.

De Politie heeft gemotiveerd verweer gevoerd; het verweer strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

Op de stellingen in dat kader zal hierna, voor zoveel nodig, worden teruggekomen.

4 De beoordeling

4.1

Het geschil is voor beide partijen zeer principieel van aard. Ter discussie staat in het bijzonder of het de Politie vrijstond om, naast het RBTV op basis van de wet, een eigen, afwijkend Tolkenbestand op te stellen en voor daadwerkelijke inschakeling van een tolk/vertaler voor werk bij de Politie te vergen dat deze in dat Tolkenbestand vermeld is. Daarnaast is in geschil of het onderzoek (bgo) dat de Politie daartoe heeft ingesteld verplicht gesteld kon worden, of dat naar behoren is geschied en of er, in dit concrete geval, toereikende redenen waren om eisers te verwijderen uit althans niet meer op te nemen in het Tolkenbestand.

4.2

algemeen

Aangaande de toelaatbaarheid van het bgo en het stellen van de eis van het ondergaan van een bgo als voorwaarde voor opname in het Tolkenbestand hebben [eisers] aangevoerd dat dergelijke ingrijpende beslissingen een wettelijke grondslag behoeven.

Dat standpunt is, zoals de Politie terecht betoogt, niet juist. Het inschakelen van een tolk is een civielrechtelijke overeenkomst van opdracht. Het staat in het algemeen een opdrachtgever vrij om, zonder specifieke wettelijke grondslag, bepaalde voorwaarden te stellen aan de geschiktheid van de beoogd opdrachtnemer. Het staat in beginsel ook de Politie -een rechtspersoon met een in de wet neergelegde taak van algemeen maatschappelijk belang- vrij om in dat kader te vergen dat door haar in te zetten tolken/vertalers aan zekere eisen voldoen, zonder dat daartoe enige specifieke wettelijke grondslag nodig is. De jurisprudentie waarop [eisers] zich beroepen (HR 27 juni 1986, AB 1987, 241) ziet op een wezenlijk andere verhouding en doet daarom aan het vorenstaande niet af.

In hoeverre het de Politie in dit geval vrij stond de eisen te stellen die zij heeft gesteld komt hierna aan de orde.

4.3

Daarnaast stellen [eisers] dat het bgo een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer in de zin van art. 8 EVRM oplevert. Dat is op zichzelf, naar ook de Politie erkent, juist in die zin dat een onderzoek wordt ingesteld naar zaken die tot de persoonlijke levenssfeer behoren.

De Politie heeft echter niet, als deel van het openbaar gezag, inbreuk gemaakt op die levenssfeer, doch heeft [eisers] als toekomstig opdrachtgever gevraagd om vragen te beantwoorden en om toestemming om, bijvoorbeeld, de politieregistratie op te vragen. [eisers] hebben die vragen beantwoord en die toestemming gegeven. Dat een burger toestemming geeft om dergelijke persoonlijke gegevens te verschaffen en dat de betreffende dienst deze dan kan afgeven is in Nederland op de wet gegrond. Daaraan doet niet af dat [eisers] die toestemming alleen gegeven hebben omdat zij te horen hadden gekregen dat zij anders niet in het Tolkenbestand opgenomen zouden kunnen worden. [eisers] stellen niet dat druk is uitgeoefend. [eisers] wilden, met het oog op het verwerven van inkomsten, opdrachten van de Politie verwerven en hebben daarom ondubbelzinnig toestemming gegeven. Dat is niet hetzelfde als toestemming verlenen onder druk, maar een eigen, door zakelijke belangen ingegeven keuze. De uitspraak van het HvJEU in de zaak Schwarz (17 oktober 2013, AB 2014/127) waarop [eisers] zich beroepen kan hen niet baten; van een onmisbaarheid van een toelating als tolk vergelijkbaar met de in die zaak aangevoerde onmisbaarheid van een paspoort is immers geen sprake.

Op overeenkomstige gronden moet ook het argument dat gehandeld is in strijd met art. 8 Wbp stranden (nog daargelaten het bepaalde in art. 8 a van de Wbp).

Dat/of de gegevens van [eisers] -volgens de onweersproken stellingen van de Politie contactgegevens, VAR-nummer, bankrekeningen, taal en RBTV- gegevens- ook al in het RBTV zijn geregistreerd doet niet ter zake, nu niet valt in te zien in welke zin in strijd met subsidiariteit en proportionaliteit is gehandeld door deze

-mogelijke- doublure.

4.4

Voorts hebben [eisers] aangevoerd dat de wet een uitputtende regeling bevat op het punt van de toelating van tolken/vertalers, zodat het de Politie niet vrijstond daarnaast een eigen regeling te treffen.

Die stelling faalt. Het stond en staat de Politie vrij een eigen regeling in te voeren. Dit wordt als volgt toegelicht.

4.4.1

De Memorie van Toelichting bij de WBTV luidt, voor zover van belang:

(…) Bij hun werkzaamheden voor justitie (IND, Openbaar Ministerie en de gerechten), de politie en Koninklijke Marechaussee, maar ook daarbuiten, komen tolken en vertalers in aanraking met vertrouwelijke gegevens en worden zij geacht een onpartijdige positie in te nemen. Het waarborgen van de integriteit van tolken en vertalers vormt dan ook een belangrijk onderdeel van dit wetsvoorstel. De gevolgen van misbruik van vertrouwelijke gegevens door een tolk of vertaler of indien deze geen onpartijdige positie inneemt zijn doorgaans groot. Het kan ertoe leiden dat een politie- of gerechtelijk onderzoek moet worden stopgezet of dat bijvoorbeeld bij de IND het vluchtverhaal van een asielzoeker onjuist wordt weergegeven met alle gevolgen van dien. De integriteit van ingeschakelde tolken en vertalers valt niet los te zien van het begrip kwaliteit. Bij partijdigheid van een tolk of vertaler of zelfs al bij de schijn daarvan is ook de integriteit van de betrokken tolk/vertaler onmiddellijk in het geding.

Het wetsvoorstel biedt enkele waarborgen ten aanzien van de integriteit in de vorm van een geheimhoudingsverplichting, een eed, een klachten- en doorhalingsregeling. De borging van de integriteit is niet enkel een onderwerp wat de wetgever zich dient aan te trekken. Ook de beroepsgroep is hiervoor verantwoordelijk. Via het opstellen van een gedragscode kan de beroepsgroep hieraan een belangrijke bijdrage leveren. Tolk- en vertaalopleidingen kunnen aandacht besteden aan het integriteitsaspect, waardoor op dit punt een waardevolle bijdrage kan worden geleverd. Bij de opleidingen die thans reeds bestaan ten aanzien van tolken en vertalers vormt het integriteitsaspect een belangrijk facet van de opleiding.

De afnemers van tolk- en vertaaldiensten hebben eveneens een belangrijke rol op het punt van de integriteit van tolken en vertalers. Zij dienen de tolk of vertaler in staat te stellen zijn werk kwalitatief goed en integer te verrichten. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat een tolk in staat wordt gesteld een volledige weergave van hetgeen gezegd is te geven of dat hij in staat wordt gesteld om een verduidelijking van de vraag te vragen of verduidelijking van hetgeen gezegd is. Bij de opleiding van rechters wordt ook aandacht geschonken aan de omgang met tolken tijdens de terechtzitting. Afnemers van tolk- en vertaaldiensten dienen zich ook te hoeden voor tolken en vertalers die een gekleurde weergave geven van hetgeen een verdachte, vreemdeling, ambtenaar of rechter uitspreekt. Het is immers aan een tolk om een getrouwe weergave te geven van hetgeen hij dient te vertolken. Enige kleuring inzake eigen politieke of persoonlijke gevoelens dient achterwege te blijven. Dit geldt evenzeer voor vertalers.

Ondanks de belangrijke rol die tolken en vertalers binnen het rechtsbestel innemen, bevat de wet- en regelgeving nauwelijks waarborgen ten aanzien van de kwaliteit en integriteit van deze beroepsbeoefenaren.

Dit wetsvoorstel introduceert een afnameplicht voor justitiële diensten, de rechterlijke macht, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Koninklijke Marechaussee, het Openbaar Ministerie en de politie in het kader van het straf- en vreemdelingenrecht. Op deze wijze wordt tegemoet gekomen aan de wens van de tolken en vertalers die thans in het kwaliteitsregister zijn opgenomen. Deze tolken en vertalers zijn gehouden te voldoen aan kwaliteitseisen en nemen deel aan bij- en nascholing. Indien de hiervoor genoemde instanties niet gehouden zijn tot het inschakelen van tolken en vertalers die zich inzetten voor de kwaliteit van hun beroepsuitoefening zal de motivatie om hieraan te werken snel verdwijnen. Het behoeft geen betoog dat dit mede gezien de aanbevelingen van de Nationale ombudsman een ongewenste ontwikkeling zou zijn.

Veel instanties die thans tolken en vertalers inzetten hanteren eigen lijsten. De afnameplicht die is gekoppeld aan het register voorkomt dat een tolk of vertaler die in een bepaalde plaats, arrondissement of provincie van een dergelijke lijst verwijderd is zich «gewoon» in een andere plaats, arrondissement of provincie kan aanmelden en werkzaamheden kan verrichten. Met het landelijk systeem zal een doorhaling van de inschrijving van een tolk of vertaler in het register voor het gehele land gelden. (…)”

4.4.2

Voorts blijkt uit de wetgeschiedenis dat overwogen is een wettelijke basis voor een AMvB, met nadere (detail)regels, op te nemen, doch dat daarvan is afgezien. Dat wordt door als volgt toegelicht:

(…) Het College stelt voor de integriteit van gerechtstolken en beëdigd vertalers verder te borgen via het opnemen in het wetsvoorstel van een grondslag voor een algemene maatregel van bestuur waarmee de criteria voor de integriteit nader kunnen worden uitgewerkt. Het College suggereert dat in deze algemene maatregel van bestuur elementen als betrouwbaarheid, beschikbaarheid en transparantie een rol kunnen spelen. Dat de door het College genoemde elementen een belangrijke rol spelen wordt onderschreven. Deze elementen die kunnen worden gevat onder de term attitude komen aan de orde bij de te volgen opleiding van de gerechtstolk en beëdigd vertaler. Het treffen van waarborgen ten aanzien van de integriteit ligt niet enkel op de weg van de wetgever. Ook de beroepsgroep zelf is hiervoor verantwoordelijk. Via het opstellen van een gedragscode kan de beroepsgroep hieraan een belangrijke bijdrage leveren. In dat kader lijkt opname in een algemene maatregel van bestuur in dit stadium overbodig(…).

4.4.3

Artikel 31 van de wet luidt, voor zover van belang: Een dienst of instantie als bedoeld in artikel 28, eerste en tweede lid, (de Politie is een dergelijke dienst, opm.rb) kan indien de bijzondere aard van de werkzaamheden dit vereist van een beëdigde tolk verlangen dat deze voorafgaande aan zijn inzet een recente verklaring omtrent het gedrag overlegt.

Deze bepaling is als volgt toegelicht:

De situatie kan zich voordoen dat het gewenst is een gerechtstolk in te zetten bij een onderzoek door de politie of justitie dat van bijzondere aard is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan taponderzoek. Het kan hierbij gewenst zijn dat de gerechtstolk een recente verklaring omtrent het gedrag overlegt, zodat duidelijk wordt dat de integriteit van de tolk niet in het geding is. (…). Indien een gerechtstolk niet wenst te voldoen aan een verzoek een zeer recente verklaring omtrent het gedrag over te leggen, behoeft het geen betoog dat de desbetreffende dienst dan kan besluiten de gerechtstolk voor de werkzaamheden van bijzondere aard niet in te schakelen.

In het kader van deze bepaling is in de discussie in het parlement voorts aan de orde geweest hoe zich deze verhoudt tot de inschrijving in het register, waarvoor immers ook al een verklaring omtrent het gedrag vereist is. In de Memorie van Antwoord bij de behandeling in de Eerste Kamer, in september 2007, is daaromtrent het volgende opgemerkt:

De inschrijving in het register geldt voor vijf jaar. In bijzondere gevallen kan een opdrachtgever echter – op grond van artikel 31 of 33 – verlangen dat de tolk of vertaler toch nog een nieuwe verklaring omtrent het gedrag overlegt, namelijk indien de bijzondere aard van de werkzaamheden dit vereist. Hier is het woord «recent» opgenomen om zeker te stellen dat de tolk of vertaler niet zomaar kan volstaan met de verklaring die destijds is afgegeven met het oog op de inschrijving in het register. De opdrachtgever kan er immers belang bij hebben dat het gedrag van betrokkene juist van de afgelopen jaren, maanden of zelfs weken wordt betrokken bij de afgifte van de verklaring. Daarom is in de artikelen 31 en 33 géén specifieke tijdsbepaling opgenomen over de recentheid van de verklaring: hoe recent de verklaring omtrent het gedrag moet zijn, wordt bepaald door degene die inzicht in de integriteit wil hebben, in casu de opdrachtgever.

4.4.4

Uit de wet en de wetsgeschiedenis blijkt, dat [eisers] terecht stellen (en de Politie ten onrechte weerspreekt) dat de wetgever met de wet tenminste mede hetzelfde doel heeft willen bereiken als de Politie met haar Tolkenbestand en daartoe vereist bgo, te weten het waarborgen van de integriteit van de tolken/vertalers. Daaruit blijkt echter evenzeer, dat de wetgever dat onderwerp met de wet niet uitputtend heeft willen regelen. In tegendeel, het uitgangspunt is uitdrukkelijk dat de opdrachtgever (een dienst zoals de Politie ) een eigen verantwoordelijkheid heeft, houdt en serieus neemt als het gaat om de integriteit van de in te zetten tolken/vertalers. Anders dan [eiser] betogen bestaat er dus geen exclusieve publiekrechtelijke regeling met toepassing waarvan het doel, het waarborgen van de integriteit van tolken/vertalers, geacht moet worden bereikt te zijn en waarbuiten het de Politie niet vrijstond dat zelf aanvullend regelen. Voor de opname van tolken/vertalers in het RBTV is een dergelijk diepgaand onderzoek als de Politie in deze zaken jegens [eisers] heeft ingesteld niet noodzakelijk geacht. Daarbij moet bedacht worden, dat de inzet van tolken in velerlei zaken gebeurt, waarbij sommige zaken een veel groter integriteitsrisico kennen dan andere. De wetgever heeft daar, blijkens de citaten hiervoor, in elk geval in zoverre oog voor gehad dat expliciet de mogelijkheid is geboden voor het opvragen van een recente verklaring omtrent het gedrag. Impliciet blijkt uit de toelichting op het niet voorzien in een AMvB dat de wetgever de opdrachtgever een zekere vrijheid op het punt van nadere eisen heeft willen laten. Daaruit vloeit voort dat de Politie zo nodig een eigen afweging mag maken, die ertoe leidt dat een in het register ingeschreven tolk/vertaler toch niet wordt ingeschakeld. Ook de toelichting op art. 31 wijst in die richting.

Voldoende specifieke passages in de wetsgeschiedenis of andere gegevens die steun bieden aan de gedachte dat de wetgever dit onderwerp met deze wet uitputtend heeft willen regelen ontbreken.

4.5

eisen aan de procedure

Een beslissing om, in aanvulling op de wet, tolken/vertalers die in het RBTV zijn geregistreerd niet op te nemen in het Tolkenbestand mag, gelet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaraan de Politie zich, naar terecht in confesso is, ook in zijn rol van civielrechtelijk opdrachtgever dient te houden, echter niet willekeurig en lichtvaardig genomen worden.

Er dient voorzien te zijn in een zorgvuldige procedure en getoetst te worden aan criteria die in redelijkheid relevant zijn voor de te nemen beslissing.

4.6

De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de onder 2.9 en 2.11 vermelde beslissingen de bgo 2014 nog niet in werking was getreden. De Politie heeft ook geen eerdere regeling genoemd waarin destijds op vergelijkbare wijze de procedure en de criteria waren vastgelegd. De Politie stelt echter, dat de regels en procedure van de bgo 2014 in feite ook in 2013 werden en in het geval van [eisers] zijn toegepast. [eisers] hebben dat niet (gemotiveerd) betwist. De rechtbank zal daarvan dan ook uitgaan.

Hoewel het, uit een oogpunt van rechtszekerheid, de voorkeur verdient om de procedure en de criteria vast te leggen in een regeling -zoals inmiddels gebeurd is in de bgo 2014- is de enkele omstandigheid dat dat, ten tijde van de besluiten in 2013, nog niet gebeurd was, niet voldoende om de genomen besluiten onrechtmatig te achten. Het komt erop aan of de in feite toegepaste procedure en de aangelegde criteria deugdelijk zijn. Weliswaar hebben [eisers] gevraagd naar de aangelegde criteria en daarop slechts een verwijzing naar een folder gekregen, maar dat zag op een eventuele nieuwe toelating. Voordat de korpschef de beslissingen had genomen was voldoende kenbaar waarnaar de belangstelling van de Politie uitging. Dat bleek immers zowel uit de formulieren als uit de vragen van de onderzoeker.

4.7

De gevolgde procedure acht de rechtbank zorgvuldig, op grond van het volgende.

Er is eerst aan [eisers] gevraagd een formulier in te vullen met een aantal vragen. Het was kenbaar waartoe dat formulier strekte, de vragen waren helder en [eisers] hebben dat beiden, elk voor zich, ingevuld en getekend. Vervolgens zijn er naar aanleiding van dat formulier nadere vragen gesteld en is de onderzoeker met [eisers] in gesprek gegaan. Van dat gesprek is een verslag opgesteld, waarop [eisers] hebben kunnen reageren. Daarna zijn de beslissingen van juli 2013 genomen, die helder en begrijpelijk geformuleerd zijn.

Dat [eisers] op 10 juli 2013 onvoldoende gelegenheid hebben gekregen om hun zienswijze naar voren te brengen blijkt niet. In tegendeel, in de beslissingen wordt verwezen naar hetgeen zij toen te berde hebben gebracht. Daarbij komt, dat [eisers] ook niet, zeker niet concreet en onderbouwd, hebben toegelicht wat zij nog meer naar voren hadden willen brengen en waarom en hoe dat de beslissing zou hebben beïnvloed.

[eisers] maken bezwaar tegen de werkwijze van de onderzoeker, maar dat bezwaar richt zich met name op zijn weging en waardering van op zich vaststaande feiten en zijn daarop gebaseerde negatieve adviezen. Voor zover zij menen dat zijn weergave van wat er destijds in het gesprek besproken is onjuist en/of onvolledig is gaat het niet zozeer om de inhoud van de mededelingen, maar om de duiding daarvan. Die duiding stond de onderzoeker echter vrij. Daarbij komt, dat die kritiekpunten aan de korpschef zijn voorgelegd, zodat hij die heeft kunnen betrekken bij zijn besluitvorming, hetgeen ook is gebeurd.

4.8

In confesso is dat de vaktechnische kwaliteit (taalbeheersing) van [eisers] goed was. Het ging de Politie om de integriteit en betrouwbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat de door middel van het bgo-formulier en het daarop gevolgde onderzoek, inclusief het gesprek met de onderzoeker, onderzochte aspecten in beginsel relevant kunnen zijn voor een oordeel over de vraag of inschakeling van [eisers] een integriteitsrisico meebracht. In die zin zijn de criteria dan ook deugdelijk. Dat geldt in het bijzonder voor de hier aan de orde zijnde criteria, te weten het in aanraking gekomen zijn met politie en justitie en, bij [eiser] , frequent casinobezoek. Dat de Politie gegevens op die punten heeft meegewogen in de beslissing om [eisers] niet in het Tolkenbestand te vermelden is op zichzelf dan ook niet onrechtmatig.

4.9

Van de Politie mocht echter wel verwacht worden dat bij het toetsen aan die criteria rekening gehouden zou worden met de aard en ernst van wat er was vastgesteld. Dat diende voorts voor [eiseres] en [eiser] afzonderlijk te geschieden. Voor zover de Politie zich op het standpunt stelt dat de enkele omstandigheid dat [eiser] en [eiseres] getrouwd zijn meebrengt dat bedenkingen tegen de een ook van invloed zijn op de beoordeling van de opname in het Tolkenbestand van de ander is dat standpunt onvoldoende toegelicht. De verwijzing naar de Wet veiligheidsonderzoeken volstaat niet, nu de Politie zelf erkent dat die wet niet van toepassing is. Deze stelling strookt ook niet met de twee separate beslissingen ten aanzien van [eiseres] en [eiser] .

4.10

[eiseres]

Voor [eiseres] gaat het dan in concreto, naar blijkt uit de beslissing, om drie elementen, te weten de politiemeldingen wegens, kort samengevat, geluidsoverlast en verwaarlozing van huisdieren, het niet voldoende voortvarend verstrekken van nadere informatie en het onwaarheid spreken in de vorm van het onjuist beantwoorden van de vraag naar contacten met politie en justitie tijdens het gesprek met de onderzoeker. (De vermelding van politiecontacten in verband met panden is onduidelijk en heeft geen kenbare rol in de beslissing gespeeld).

4.10.1

De rechtbank is van oordeel dat deze elementen, elk voor zich noch in onderlinge samenhang bezien, voldoende zwaarwegend zijn om [eiseres] niet langer als tolk in het Tolkenbestand te vermelden, een en ander tegen de achtergrond van het vaststaande, zeer langdurig tot tevredenheid verricht zijn van tolk- en vertaalwerkzaamheden door haar. Dit wordt als volgt toegelicht.

4.10.2

De door [eiseres] gegeven toelichting aangaande de geluidsoverlast, dat het gaat om meldingen van één buurman met wie de verhouding te wensen overlaat, is door de Politie niet weersproken en uit de overgelegde stukken valt steun voor die stelling te putten in die zin dat omtrent meerdere melders niets blijkt en dat buurtbemiddeling met een buurman is aangeboden. Deze geluidsoverlast kan in redelijkheid geen aanleiding geven tot aarzeling over de integriteit. Daarbij geldt, dat ook sprake is van geluidsoverlast veroorzaakt door een volwassen dochter en dat [eiseres] niet verantwoordelijk is voor hetgeen haar volwassen dochter heeft gedaan of nagelaten, in die zin dat het genoemde ongewenste gedrag van de dochter -wat daarvan verder zij- reden kan zijn om te twijfelen aan de integriteit van de moeder.

Datzelfde geldt voor de overtredingen van de regels die strekken tot bescherming van dierenwelzijn. Het gaat hier, naar uit de stukken valt op te maken, om verwaarlozing van huisdieren; er zijn geen aanwijzingen voor opzet of bijzondere ernst. Hoewel dit vanzelfsprekend onjuist gedrag is valt een connectie met een (dreigend) integriteitsprobleem niet aan te wijzen.

Geluidsoverlast en dierenverwaarlozing zijn ook niet asociaal in de zin van gevaar voor de integriteit opleverend, ook niet als het de in de onderhavige zaak bedoelde incidenten betreft die zich over een langere periode hebben voorgedaan.

4.10.3

Dat [eiseres] niet voldoende voortvarend nadere informatie heeft verstrekt valt uit de beschikbare stukken noch uit hetgeen ter zitting is medegedeeld op te maken. De Politie heeft ook niet concreet aangegeven waarop gedoeld wordt, anders dan dat zij talmde met het verstrekken van financiële informatie. In dat verband is van belang dat het ontbreken van een deugdelijk op schrift gestelde regeling met heldere termijnen aan de Politie valt aan te rekenen, en [eiseres] niet kan worden tegengeworpen. Hoe het ook zij, kennelijk is uiteindelijk alle gevraagde informatie verkregen en ziet de Politie kennelijk in de financiële situatie geen gevaar voor de integriteit, nu die in de beslissing niet wordt genoemd.

4.10.4

Ten slotte acht de rechtbank de verklaring die [eiseres] heeft gegeven voor het -naar vast staat, onjuist- ontkennend beantwoorden van de vraag naar contacten met politie en justitie, te weten dat zij die vraag zo had begrepen dat die zag op misdrijven, aannemelijk en redelijk, in achtnemend de verwijzing naar het bgo-formulier.

Zonder uitdrukkelijke toelichting, waarvan niet is gesteld of gebleken dat die door de onderzoeker is gegeven, behoefde [eiseres] niet te begrijpen dat de reikwijdte van die vraag in het gesprek van juli 2013 ruimer was dan uit het formulier bleek. Dat gesprek vond immers plaats in vervolg op dat formulier. De politieregistraties zien ook niet op voorvallen waarvan het [eiseres] zonder meer duidelijk moest zijn dat deze relevant zouden kunnen zijn in het kader van het bgo.

4.11

Ook in combinatie leggen de besproken argumenten onvoldoende gewicht in de schaal. Bij het vormen van een totaaloordeel dient immers alle informatie meegewogen te worden, en dan komt aan het ruim dertig jaar naar behoren functioneren een groter gewicht toe dan aan deze elk voor zich te lichte elementen.

Dat betekent, dat de korpschef geen redelijke grond of rechtvaardiging had voor de blijkens het beslissing van juli 2013 bestaande twijfel aan de integriteit van [eiseres] . Nu duidelijk was dat [eiseres] die opname wenste en daarbij ook een redelijk belang had, had de Politie [eiseres] in het Tolkenbestand had moeten zetten dan wel laten staan.

4.12

plicht tot inschakelen?

Die conclusie rechtvaardigt echter niet dat de Politie [eiseres] ook weer moet inschakelen bij een nieuwe opdracht.

Voor zover de Politie met de opmerking ter zitting dat een instructie gegeven kan worden om [eiseres] , ook als zij weer in het Tolkenbestand staat, niet meer in te zetten heeft bedoeld dat de Politie niet bereid is zich neer te leggen bij het oordeel van de rechter is dat vanzelfsprekend voor een instantie als de Politie niet aanvaardbaar en is een daarop gerichte gedragswijze onrechtmatig.

Voor zover de Politie echter heeft willen aangeven dat zij, als civielrechtelijk opdrachtgever, bij elke nieuwe opdracht de meest geschikte tolken/vertalers mag inzetten heeft zij daarin gelijk. De enkele opname in het Tolkenbestand levert voor [eiseres] niet het recht op om ingezet te worden bij tolken/vertalers werk voor de Politie. Voor een dergelijk recht van [eiseres] en een daarmee corresponderende plicht van de Politie ontbreekt een wettelijke basis. Er bestaat ook geen algemeen aanvaarde maatschappelijke norm van die inhoud.

4.13

[eiser]

Hetgeen is overwogen omtrent de contacten met politie en justitie omtrent geluidsoverlast geldt voor hem mutatis mutandis evenzeer als voor [eiseres] . Anders dan [eiseres] had hij echter een strafbeschikking wegens een misdrijf betaald in verband met overtreding van art. 37 van de Gezondheids- en welzijnswet Dieren. Dat betekent, dat hij dat ook al bij het invullen van het formulier had moeten vermelden en derhalve opnieuw bij het gesprek met de onderzoeker. Deze verzwijging kon de Politie in redelijkheid te denken geven.

De gegevens omtrent het casinobezoek -79 bezoeken in 18 maanden, € 10.000 verspeeld- zijn daarnaast in redelijkheid te beschouwen als een aanwijzing voor een (voormalige) gokverslaving. Omdat daaruit een gevaar voor chantage en dus een integriteitsprobleem zou kunnen voortvloeien kon de Politie dit in redelijkheid relevant achten voor het al dan niet opnemen van [eiser] in het Tolkenbestand. Ook de gang van zaken rond het al dan niet zelf aangevraagde casinoverbod en, in het bijzonder, de niet toereikende reactie van [eiser] toen hem werd gevraagd met meer bewijsmateriaal op dat punt te komen mocht de Politie meewegen, omdat daaruit minst genomen een zekere aarzeling bij [eiser] over het geven van een volledig beeld blijkt.

In het geval van [eiser] weegt tegen die aarzelingen, als alle gegevens in ogenschouw worden genomen, onvoldoende op dat hij al lange tijd probleemloos als tolk/vertaler had gefunctioneerd.

Ten aanzien van [eiser] kon de Politie derhalve in redelijkheid beslissen hem niet in het Tolkenbestand op te nemen dan wel hem daaruit te verwijderen.

4.14

Gevolgen voor de vorderingen

Het voorgaande betekent dat de vorderingen onder i, iii en iv niet toewijsbaar zijn, ten aanzien van [eisers] Het onderwerpen van [eisers] aan het bgo en het stellen van het ondergaan van dat bgo als voorwaarde voor opname in het Tolkenbestand was jegens [eisers] niet onrechtmatig (i en iii), en het opgenomen zijn in het Tolkenbestand als voorwaarde stellen voor het inschakelen als tolken/vertalers was dat evenmin (iv).

Het feitelijk in staat stellen te worden benaderd (v) is ten aanzien van [eiser] niet toewijsbaar, maar ten aanzien van [eiseres] (vi) wel, want die vordering komt neer op (her)opname in het Tolkenbestand.

Vordering (vi) is weliswaar deels jegens [eiseres] toewijsbaar, doch [eiseres] kan geen aanspraak maken op het daadwerkelijk verrichten van werkzaamheden als tolk/vertaler omdat de Politie, ook als [eiseres] weer in het Tolkenbestand staat, niet gehouden is haar weer daadwerkelijk in te zetten door haar een opdracht te verlenen en het werk te laten uitvoeren. De vordering wordt toegewezen als na te melden. Voor een dwangsom, die met name zin zou hebben voor het gedeelte van de vordering dat niet toewijsbaar is, is dan ook geen ruimte.

Vordering ii is alleen jegens [eiseres] toewijsbaar. De rechtbank acht het belang van eerherstel, dat zij daaraan ter zitting ten grondslag heeft gelegd, voldoende.

4.15

Omdat de Politie jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld komt jegens haar vordering vii, strekkende tot schadevergoeding op te maken bij staat, aan de orde. Voor verwijzing naar de schadestaat is noodzakelijk, maar ook voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is.

Dat [eiseres] feitelijk niet meer is ingezet en dat de oorzaak daarvan tenminste mede was gelegen in de omstandigheid dat zij niet in het Tolkenbestand voorkwam staat vast. Daarmee is de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk.

Ten aanzien van [eiser] is deze vordering niet toewijsbaar. Dat hij schade heeft geleden omdat [eiseres] ten onrechte niet in het Tolkenbestand is gezet is niet gemotiveerd gesteld. Dat tenminste een deel van de inkomsten van de vof bestonden uit het honorarium dat [eiseres] voor tolken/vertalerswerk bij de Politie had gekregen en in de toekomst zou krijgen brengt nog niet mee dat hij als vennoot van de vof zelf, direct, relevante schade lijdt.

4.16

Voor zover het [eiseres] betreft zijn partijen over en weer deels in het ongelijk gesteld. Voor [eiser] geldt, dat hij weliswaar in het ongelijk is gesteld, doch de advocaat van de Politie heeft ten aanzien van zijn vordering niet (of nauwelijks) werkzaamheden verricht die hij niet toch al verrichtte en moest verrichten in verband met het verweer tegen de vordering van [eiseres] . Daarin ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank,

verklaart voor recht dat de Politie jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door [eiseres] op basis van het betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek uit het Tolkenbestand te verwijderen en gelast de Politie haar binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis alsnog in dat bestand op te nemen;

veroordeelt de Politie tot vergoeding van de door [eiseres] geleden schade ten gevolge van het ten onrechte uit het Tolkenbestand verwijderen van [eiseres] , nader op te maken bij staat;

compenseert de proceskosten in dier voege dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016.

106/2323