Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2396

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
01-04-2016
Zaaknummer
C/10/461757 / HA ZA 14-1055
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een groep vennootschappen wenst de renteswapovereenkomsten die zij met Rabobank Rotterdam heeft gesloten ter afdekking van het renterisico te ontbinden/vernietigen omdat Rabobank Nederland de Euribor-tarieven heeft gemanipuleerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/963
NTHR 2016, afl. 3, p. 188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/461757 / HA ZA 14-1055

Vonnis van 16 maart 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINTER SHARED SERVICES B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

eiseres,

advocaat mr. C.H.J.M. Abeln te Amsterdam,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

als rechtsopvolgster onder algemene titel van de gedagvaarde partijen

COÖPERATIEVE RABOBANK ROTTERDAM U.A., gevestigd te Rotterdam, en COÖPERATIEVE CENTRALE RAIFFEISEN-BOERENLEENBANK B.A.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. W.L. Stolk te Rotterdam.

waarin zijn tussengekomen

1. de commanditaire vennootschap

CV SCHEEPVAARTONDERNEM1NG FLINTERBIRKA,

2. de commanditaire vennootschap

CV SCHEEPVAARTONDERNEM1NG FLINTERHUNZE,

3. de commanditaire vennootschap

CV SCHEEPVAARTONDERNEMING FLINTERLINGE,

4. de commanditaire vennootschap

CV SCHEEPVAARTONDERNEM1NG FLINTERSTREAM,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINTERZEE B.V.,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINTERHAVEN B.V.,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINTEREEMS B.V.,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINTERMAAS B.V.,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINTERSPRING B.V.,

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINTERSCHELDE B.V.,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINTERSUOMI B.V.,

12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINTERSPACE B.V.,

13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINTERSURF B.V.,

14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINTER MANAGEMENT B.V.,

allen gevestigd te Barendrecht,

advocaat mr. C.H.J.M. Abeln te Amsterdam,

Partijen zullen hierna Flinter Shared Services, Rabobank, Rabobank Rotterdam, Rabobank Nederland en de Flintervennootschappen genoemd worden. Flinter Shared Services en de Flintervennootschappen zullen hierna gezamenlijk Flinter Shared Services c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 oktober 2014, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst van de Flintervennootschappen;

  • -

    de conclusie van repliek tevens akte aanpassing van eis en grondslag van Flinter Shared Services, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst van Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland;

  • -

    het tussenvonnis van 22 april 2015, waarbij de Flintervennootschappen is toegestaan tussen te komen in de hoofdzaak;

  • -

    de conclusie van eis in de tussenkomst van de Flintervennootschappen;

  • -

    de conclusie van dupliek in de hoofdzaak tevens conclusie van antwoord in de tussenkomst van Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland;

  • -

    het vonnis (in de vorm van een brief) van 13 augustus 2015, waarbij een zitting is bepaald die het karakter heeft van zowel een comparitie van partijen als een pleidooi;

  • -

    de akte van Rabobank;

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 21 januari 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.2.

Flinter Shared Services en de Flintervennootschappen maken deel uit van het Flinter concern. Flinter Groep B.V. (hierna: Flinter Groep) houdt alle aandelen in Flinter Shared Services en de Flintervennootschappen, alsmede in de overige vennootschappen binnen het Flinter concern. [persoon 1] en [persoon 2] zijn beiden statutair bestuurder van Flinter Shared Services c.s.

De Flintervennootschappen zijn eigenaar van een deel van de schepen van het Flinter concern. De schepen worden wereldwijd ingezet voor bevrachting. In 2007 bedroeg de bruto omzet van het Flinter concern ruim € 84.000.000,00.

2.3.

Rabobank Rotterdam oefent het bankbedrijf uit. Zij was tot 1 januari 2016 een zelfstandig opererende coöperatie en maakte deel uit van de Rabobank groep. Ook Rabobank Nederland maakte tot 1 januari 2016 als zelfstandige bank deel uit van de Rabobank groep. Op genoemde datum zijn Rabobank Nederland en alle lokale Rabobanken gefuseerd. Rabobank is als nieuwe rechtspersoon rechtsopvolgster onder algemene titel.

2.4.

Rabobank Nederland is van 1998 tot januari 2013 lid geweest van het Contribuantpanel voor Euribor, een referentietarief dat onder bescherming van de Europese Federatie van Banken staat. Op basis van dit tarief bieden primaire banken interbancaire termijndeposito's in eurobedragen aan ander primaire banken binnen de eurozone aan. Het Contribuantpanel bestond destijds uit 42 tot 48 banken. Ieder panellid moet iedere beursdag het tarief indienen waarvoor zij verwacht dat de hiervoor genoemde termijndeposito's zullen worden aangeboden. De hoogste en laagste 15% van alle ingediende tarieven worden van de berekening uitgesloten en van de overblijvende tarieven wordt het gemiddelde genomen om voor iedere looptijd (tot maximaal twaalf maanden) de resulterende Euribor fix te formuleren.

2.5.

In de periode van 2004 tot en met 2008 hebben de (afzonderlijke) Flintervennootschappen voor de bouw van de schepen Flinterbirka, Flinterhunze, Flinterlinge, Flinterstream, Flinterzee, Flinterhaven, Flintereems en Flintermaas leningen met Rabobank Rotterdam afgesloten (hierna: de financieringsovereenkomsten). Over de geleende bedragen wordt/werd een variabele rente, gebaseerd op Euribor, vermeerderd met een opslag betaald.

2.6.

De (afzonderlijke) Flintervennootschappen hebben ook renteswapovereenkomsten met Rabobank Rotterdam gesloten. Deze rentswapovereenkomsten zijn gekoppeld aan de hiervoor in 2.5 genoemde schepen die het Flinter concern voornemens was te laten bouwen en ook heeft laten bouwen. Tussen de (afzonderlijke) Flintervennootschappen en Rabobank Rotterdam is daartoe steeds een Overeenkomst Financiële Derivaten gesloten, gevolgd door een Bevestiging Renteswap (hierna gezamenlijk: de renteswapovereenkomsten). Met de renteswap ruilde de betreffende Flintervennootschap een variabele rente, gebaseerd op Euribor, tegen een vaste rente.

2.7.

De (afzonderlijke) Flintervennootschappen hebben ook renteswapovereenkomsten met Rabobank Rotterdam gesloten voor de te bouwen schepen Flinterspring, Flinterschelde, Flintersuomi, Flinterspace en Flintersurf. De Flintervennootschappen hebben de bouwcontracten van die schepen geannuleerd met als gevolg dat daarvoor geen leningen nodig waren en dat met de aan deze schepen gekoppelde renteswapovereenkomsten geen renterisico werd afgedekt.

2.8.

De algemene voorwaarden voor financiële derivaten van de Rabobank bevatten onder meer de volgende bepaling:

"Verzuim van de Bank

Artikel 10

10.1

In ieder van de navolgende gevallen doet zich ten aanzien van de Bank een Verzuim voor, zonder dat enige sommatie of ingebrekestelling is vereist:

[…]

(b) de Bank schendt enige op haar rustende verplichting uit hoofde van de Overeenkomst om zich van bepaalde (rechts-)handelingen te onthouden;

[…]

10.2

De Bank verbindt zich de Klant onverwijld op de hoogte te stellen indien één of meer van de gevallen, genoemd in 10.1 (a) tot en met 10.1 (f) zich voordoet.

Gevolgen van Verzuim

Artikel 11

Indien zich ten aanzien van één van de partijen een Verzuim voordoet, heeft de andere partij het

recht, maar niet de plicht, een Vervroegde Vervaldag vast te stellen. […]"

2.9.

Vanwege betalingsproblemen hebben Flinter Groep en een aantal van haar dochtervennootschappen op 30 augustus 2012 een "Standstill Agreement" gesloten met hun voornaamste crediteuren, waaronder ABN AMRO Bank, ING Bank en Rabobank Rotterdam. Daarin is onder meer opgenomen dat de renteswapovereenkomsten die niet dienden ter afdekking van een renterisico bij deze overeenkomst vóór het einde van de looptijd werden beëindigd. In de overeenkomst (hierna: de Standstill Agreement) is onder meer het volgende vermeld:

"3.4 Rabobank

( a) Rabobank swaps

By a letter from Rabobank dated 8 June 2012, which was signed for acceptance on 11 June 2012 by Flinter Groep B.V., Flinter Management B.V., Flinterspace B.V. and Flintersurf B.V., it was agreed to terminate five interest swap transactions (the "Rabobank Swaps"). The negative market value payable by the relevant ING-Flinter Companies to Rabobank under the Rabobank Swaps was EUR 5,820,000,00. This amount was reduced with EUR 1,189,979.90 as a result of Rabobank off-setting a pledged deposit in the name of Flinter Groep B.V. Therefore an amount of EUR 4,630,020.10 (the "Remaining Amount") remains to be paid under the Rabobank Swaps.

( b) Rabobank 75% swap discount

(i) Subject to (A) all ING Flinter Companies hereby agreeing to be jointly and severally liable for the payment of the amounts due under the Rabobank Swaps and (B) all payments being made ultimately on the dates referred to in paragraph (ii) below, Rabobank hereby agrees to waive 75% of the Remaining Amount."

2.10.

Na onderzoek heeft het Department of Justice van de Verenigde Staten vastgesteld dat medewerkers van Rabobank Nederland de opgave van tarieven als bedoeld in 2.4 hebben gemanipuleerd: op verzoek van handelaren hebben zij bijgestelde tarieven opgegeven. Op 29 oktober 2013 heeft het Department een "Uitgestelde Vervolgingsovereenkomst" met Rabobank Nederland gesloten (hierna: de Uitgestelde Vervolgingsovereenkomst). Daarin is - in het Nederlands vertaald - onder meer het volgende opgenomen, waarbij Rabobank Nederland als Rabobank is aangeduid:

"2. Rabobank geeft toe, accepteert en erkent dat zij op grond van Amerikaans recht verantwoordelijk is voor de handelingen van haar functionarissen, directeuren, werknemers en agenten als ten laste gelegd in de aanklacht, en als nader uiteengezet in de Feitelijke Uiteenzetting hierbij gevoegd als Bijlage A en als zodanig bij wege van verwijzing onderdeel uitmakend van deze Overeenkomst, en dat de beschuldigingen uiteengezet in de aanklacht en de feiten uiteengezet in Bijlage A juist

en nauwkeurig zijn.

Mocht het Ministerie de vervolging, uitgesteld op grond van deze Overeenkomst, nastreven dan komt Rabobank overeen dat zij de ontvankelijkheid van de Feitelijke Uiteenzetting noch zal betwisten noch zal tegenspreken in welke procedure dan ook, inclusief bekentenis- of strafopleggingsprocedures. Noch deze Overeenkomst, noch Bijlage A, noch de strafrechtelijke aanklacht vormt een definitieve beslechting van de in dergelijke documenten behandelde onderwerpen.

[…]

Publieke Verklaringen door Rabobank

18. Rabobank komt uitdrukkelijk overeen dat zij geen publieke verklaring, in een rechtszaak dan wel anderszins, zal doen, door middel van huidige of toekomstige advocaten, functionarissen, directeuren, werknemers, agenten of andere personen bevoegd namens Rabobank of haar dochtermaatschappijen of gelieerde maatschappijen te spreken, waarbij de acceptatie van verantwoordelijkheid door Rabobank als hierboven aangeduid of de feiten als nader uiteengezet in de Feitelijke Uiteenzetting worden tegengesproken. Een dergelijke tegenstrijdige verklaring zal, onderhevig aan herstelrechten van Rabobank als hieronder aangeduid, een schending van deze Overeenkomst vormen en Rabobank zal nadien het onderwerp van vervolging zijn als nader aangeduid in randnummers 13-16 van deze Overeenkomst."

2.11.

In de als bijlage A bij de Uitgestelde vervolgingsovereenkomst gevoegde "Statement of Facts" (hierna: de Statement of Facts) is onder meer het volgende vermeld.

"63. The trader requests on the Euribor desk were made both to advance the traders'

trading positions and to maintain the appearance of consistency in Rabobank's submissions. […]

94. Because of the high value of the notional amounts underlying derivatives transactions tied to LIBOR and Euribor, even very small movements in those rates could have had a significant positive impact on the profitability of a trader's trading portfolio, and a correspondingly negative impact on their counterparties' trading positions.

[…]

RABOBANK'S ACCOUNTABILITY

98. Rabobank acknowledges that the wrongful acts taken by the participating employees in furtherance of the misconduct set forth above were within the scope of their employment at Rabobank. Rabobank acknowledges that the participating employees intended, at least in part, to benefit Rabobank through the actions described above. Rabobank acknowledges that due to this misconduct. Rabobank, including the Rabobank branches or agencies in the United States, have been exposed to substantial financial risk, and partly as a result of the penalties imposed by this deferred-prosecution agreement and under agreements reached with other government authorities, has suffered actual financial loss."

2.12.

Bij op 2 oktober 2014 opgemaakte akte van cessie hebben de Flintervennootschappen al hun vorderingen - inclusief nevenrechten - uit onverschuldigde betaling/ongedaanmakingsverplichtingen c.q. onrechtmatige daad op Rabobank Rotterdam en/of Rabobank Nederland overgedragen aan Flinter Shared Services.

De Flintervennootschappen hebben deze vorderingen nogmaals gecedeerd op 5 maart 2015 en daarbij ook de vorderingen uit toerekenbare tekortkoming overgedragen aan Flinter Shared Services.

3 Het geschil

3.1.

Flinter Shared Services vordert na wijziging van eis dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

ter zake Euriborfraude

primair

1. verklaart [voor recht, toevoeging rb.] dat Rabobank Rotterdam zich heeft schuldig gemaakt aan schending van de zorgplicht en toerekenbare tekortkomingen en dat Rabobank Rotterdam en/of Rabobank Nederland zich jegens Flinter Shared Services tevens hebben schuldig gemaakt aan onrechtmatige daad;

2. alle Overeenkomsten Financiële Derivaten en Bevestigingen Renteswaps van de respectievelijke Flintervennootschappen, alsmede artikel 3.4 van de Standstill Agreement op grond van de toerekenbare tekortkoming door Rabobank Rotterdam in verband met de schending van de contractuele en/of algemene bancaire bijzondere zorgplichten en/of handelen in strijd met artikel 10 en 11 van de Algemene Voorwaarden voor Financiële Derivaten ontbindt met bepaling dat Flinter Shared Services c.s. recht hebben op ongedaanmakingsverplichtingen en anderzijds bevrijd zullen zijn uit de betalingsverplichtingen;

ten aanzien van primair sub 2. subsidiair

3. alle Overeenkomsten Financiële Derivaten en Bevestigingen Renteswaps en artikel 3.4 van de Standstill Agreement op grond van bedrog, althans dwaling, vernietigt en verklaart voor recht dat Flinter Shared Services c.s. recht hebben op de daaruit voortvloeiende ongedaanmakingsverplichtingen en anderzijds bevrijd zullen zijn uit de betalingsverplichtingen;

ten aanzien van primair sub 1. en 2. en subsidiair sub 3.:

4. Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland dienovereenkomstig wegens de uit ontbinding en/of vernietiging voortvloeiende ongedaanmakingsverplichtingen, althans op grond van onrechtmatige daad veroordeelt tot het betalen aan Flinter Shared Services c.s. van € 7.054.407,00, te vermeerderen met de nog door Flinter Shared Services c.s. vanaf het derde kwartaal 2014 aan Rabobank Rotterdam betaalde bedragen, alles te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de afsluitdata van de respectievelijke Overeenkomsten Financiële Derivaten en Bevestigingen Renteswaps, althans vanaf 24 september 2014, althans 8 oktober 2014, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, alsmede te vermeerderen met de schadevergoeding welke gelijk is aan de hoogste positieve waarde die de Overeenkomsten Financiële Derivaten en Bevestigingen Renteswaps in de periode na afsluitdata hebben gehad, op te maken bij staat;

5. voor wat betreft de hieruit voortvloeiende betalingsverplichtingen: des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten;

6. Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder begrepen een bedrag voor het salaris van de advocaat van eiseressen alsmede tot betaling van nakosten zijnde € 131,00 dan wel, indien betekening van het ten deze te wijzen vonnis plaatsvindt, een bedrag van € 199,00 onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen veertien dagen na de dag waarop het vonnis is gewezen aan (de advocaat van) Flinter Shared Services c.s. zal zijn voldaan, daarover vanaf de veertiende dag wettelijke rente verschuldigd is.

3.2.

De Flintervennootschappen vorderen dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

a. voor recht verklaart dat, op grond van de in de inleidende dagvaarding en in de conclusie van repliek zijdens Flinter Shared Services in de hoofdzaak beschreven feiten en omstandigheden en aangevoerde rechtsgronden welke de Flintervennootschappen zich tot de hare maken, Rabobank Rotterdam zich jegens de Flintervennootschappen schuldig heeft gemaakt aan schending van de zorgplicht en toerekenbare tekortkomingen alsmede dat Rabobank Rotterdam en/of Rabobank Nederland zich jegens de Flintervennootschappen schuldig hebben gemaakt aan onrechtmatig handelen;

de door de Flintervennootschappen met Rabobank Rotterdam gesloten Overeenkomsten Financiële Derivaten en Bevestigingen Renteswaps ontbindt op grond van de toerekenbare tekortkoming door Rabobank Rotterdam in verband met de schending van de contractuele en/of algemene bancaire bijzondere zorgplichten en/of handelen in strijd met artikel 10 en 11 van de Algemene Voorwaarden voor Financiële Derivaten;

art. 3.4 van de Standstill Agreement d.d. 30 augustus 2012 ontbindt op grond van toerekenbare tekortkoming door Rabobank Rotterdam in verband met schending van de contractuele en/of algemene bancaire bijzondere zorgplichten en/of handelen in strijd met artikel 10 en 11 van de Algemene Voorwaarden voor Financiële Derivaten;

ten aanzien van primair sub b. en c. subsidiair:

alle Overeenkomsten Financiële Derivaten en Bevestigingen Renteswaps die de Flintervennootschappen met Rabobank Rotterdam zijn aangegaan, alsmede artikel 3.4 van de Standstill Agreement vernietigt op grond van bedrog, althans dwaling;

ten aanzien van primair sub a., b., c en subsidiair sub d.:

voor recht verklaart dat Flinter Shared Services door de cessies recht heeft op de daaruit voortvloeiende ongedaanmakingsverplichtingen en dat de Flintervennootschappen bevrijd zullen zijn uit de hieruit voor hen voortvloeiende betalingsverplichtingen;

Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland veroordeelt, hoofdelijk des de een betalende de ander zal zijn gekweten, in de kosten van dit geding waaronder begrepen een bedrag voor het salaris van de advocaat van de Flintervennootschappen alsmede tot betaling van nakosten zijnde € 131,00 dan wel, indien betekening van het te wijzen vonnis plaatsvindt, een bedrag van € 199,00 onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen veertien dagen na de dag waarop het vonnis is gewezen aan (de advocaat van) eiseressen zal zijn voldaan, daarover vanaf de veertiende dag wettelijke rente verschuldigd is.

3.3.

Het verweer van Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland strekt tot afwijzing van de vorderingen van zowel Flinter Shared Services als de Flintervennootschappen en - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Flinter Shared Services en de Flintervennootschappen in de kosten van het geding, de nakosten daaronder begrepen.

3.4.

Op de stellingen van alle partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

inleidende overwegingen

4.1.

De door Flinter Shared Services ingestelde vorderingen worden hierna zoveel mogelijk gezamenlijk met de vorderingen van de tussengekomen partijen - de Flintervennootschappen - behandeld. Hiervoor ziet de rechtbank aanleiding omdat de Flintervennootschappen, hoewel zij als tussengekomen partijen een eigen vordering hebben ingesteld, in wezen hetzelfde beogen als Flinter Shared Services. De Flintervennootschappen hebben hun vorderingen op Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland immers aan Flinter Shared Services gecedeerd en wensten enkel tussen te komen om discussies over de reikwijdte van de cessie te vermijden.

4.2.

Tussen Flinter Shared Services c.s. enerzijds en Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland anderzijds is kort samengevat in geschil of de manipulatie van de Euribor tarieven door medewerkers van Rabobank Nederland gevolgen moet hebben voor de door de Flintervennootschappen met Rabobank Rotterdam gesloten renteswapovereenkomsten. Flinter Shared Services c.s. hebben ter zitting de grondslag van hun vordering uitdrukkelijk hiertoe beperkt. De rechtbank zal hierna daarom niet ingaan op stellingen van Flinter Shared Services c.s. die daar niet op zien.

4.3.

Flinter Shared Services c.s. hebben ter zitting aangevoerd dat ook de financieringsovereenkomsten moeten worden ontbonden indien de rechtbank van oordeel mocht zijn dat er een juridische samenhang bestaat tussen die overeenkomsten en de renteswaps en dat dan - in verband met de restitutieverplichtingen - bepaald moet worden wat de waarde is van de door de Flintervennootschappen ontvangen prestatie.

Dit is aan te merken als een wijziging van (de grondslag van) de eis. De rechtbank laat deze eiswijziging buiten beschouwing. Op grond van art. 130 Rv dient een wijziging van eis of de gronden daarvan immers schriftelijk bij conclusie of akte plaats te vinden.

4.4.

Flinter Shared Services c.s. zijn primair van mening dat de renteswapovereenkomsten moeten worden ontbonden wegens tekortkomingen. Subsidiair stellen zij dat de renteswapovereenkomsten moeten worden vernietigd wegens bedrog, althans dwaling. Daarnaast heeft Rabobank Nederland in de visie van Flinter Shared Services c.s. onrechtmatig gehandeld.

Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland hebben bestreden dat er aanleiding is voor ontbinding, althans vernietiging van de renteswapovereeenkomsten. Zij hebben voorts betoogd dat geen sprake is van een onrechtmatige daad van Rabobank Nederland.

Hierna worden eerst de primaire vorderingen van Flinter Shared Services c.s. tot ontbinding van de renteswapovereenkomsten en de Standstill Agreement wegens tekortkomingen en schending van zorgplichten door Rabobank Rotterdam besproken.

ontbinding wegens tekortkomingen en/of schending van zorgplichten

4.5.

Flinter Shared Services c.s. hebben aangevoerd dat Rabobank Rotterdam in strijd heeft gehandeld met a) art. 2 van de Algemene Bankvoorwaarden door geen rekening te houden met de belangen van Flinter Shared Services c.s. en/of b) de zorgplicht door te handelen op een wijze die de belangen van Flinter Shared Services c.s. ernstig kan schaden. Daarnaast heeft Rabobank Rotterdam in de visie van Flinter Shared Services c.s. c) haar in art. 10 van de Algemene Voorwaarden voor Financiële Derivaten opgenomen mededelingsplicht geschonden en/of d) is zij tekortgeschoten door onrechtmatig te handelen.

Flinter Shared Services c.s. hebben ter onderbouwing van hun standpunt naar voren gebracht dat medewerkers van Rabobank Nederland de Euribor tarieven hebben gemanipuleerd en dat dit zowel aan Rabobank Nederland als aan Rabobank Rotterdam is toe te rekenen, dan wel dat Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland met elkaar vereenzelvigd moeten worden. Voorts heeft Rabobank Rotterdam de gemanipuleerde Euribor tarieven gehanteerd zonder daarover mededeling aan de Flintervennootschappen te doen. Flinter Shared Services c.s. stellen dat dit grond oplevert voor ontbinding van de renteswapovereenkomsten en dat in het verlengde daarvan ook art. 3.4 van de Standstill Agreement ontbonden moet worden.

4.6.

In de Uitgestelde Vervolgingsovereenkomst is vermeld dat medewerkers van Rabobank Nederland de Euribor tarieven hebben gemanipuleerd. Nu Flinter Shared Services c.s. niet hebben aangevoerd dat ook Rabobank Rotterdam betrokken was bij die manipulaties en er geen aanwijzingen zijn dat Rabobank Rotterdam daarmee op enig wijze bekend is geworden, is ontbinding van de renteswaps op de aangevoerde gronden slechts mogelijk als het handelen van de medewerkers van Rabobank Nederland kan worden toegerekend aan Rabobank Rotterdam dan wel dat die handelingen kunnen worden toegerekend aan Rabobank Nederland, en Rabobank Rotterdam met Rabobank Nederland vereenzelvigd kan worden. Alleen dan is er grond voor de hiervoor in 4.5 als a) tot en met d) aangeduide verwijten aan Rabobank Rotterdam.

4.7.

Tussen Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland bestond in de relevante periode een identiteitsverschil; zij waren rechtssubjecten die zelfstandig aan het rechtsverkeer deelnamen (zelfstandige coöperaties). Slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden aanvaard dat deze coöperaties met elkaar vereenzelvigd worden. Flinter Shared Services c.s. heeft in dat verband aangevoerd dat Rabobank Nederland in de Uitgestelde Vervolgingsovereenkomst mede namens Rabobank Rotterdam een regeling heeft getroffen, het Rabobank concern feitelijk geheel met elkaar is geïntegreerd en Rabobank Nederland en Rabobank Rotterdam in hun contacten met de Flintervennootschappen als eenheid van onderneming hebben opgetreden. Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland maken daarom in de visie van Flinter Shared Services c.s. misbruik van identiteitsverschil.

4.8.

Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland hebben terecht naar voren gebracht dat zij niet kunnen worden vereenzelvigd. Die vereenzelviging kan niet worden gebaseerd op de Uitgestelde Vervolgingsovereenkomst. Daarin is ten aanzien van lokale Rabobanken als Rabobank Rotterdam enkel opgenomen dat is toegezegd dat zij geen publieke verklaring zullen afleggen waarin zij de door het Department of Justice van de Verenigde Staten vastgestelde feiten en de aansprakelijkheid daarvoor van Rabobank Nederland tegenspreken. Dat Rabobank Nederland namens de lokale Rabobanken een dergelijke toezegging heeft gedaan, betekent nog niet dat de verantwoordelijkheid voor de manipulaties op alle lokale Rabobanken rust.

Voorts moeten de verschillende rollen van Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland voor de Flintervennootschappen duidelijk zijn geweest. Flinter Shared Services c.s. hebben immers aangevoerd dat Rabobank Rotterdam de contractspartij van de Flintervennootschappen was en dat Rabobank Nederland informatie verstrekte over (de achtergrond en werking van) renteswaps. Flinter Shared Services c.s. hebben daarbij niet betoogd dat Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland werden vertegenwoordigd door dezelfde personen waardoor verwarring zou kunnen ontstaan. Gelet op dit alles is geen sprake van een feitelijke, nauwe verwevenheid en hebben Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland geen misbruik gemaakt van het identiteitsverschil dat destijds tussen hen bestond. Daaraan doet niet af dat Flinter Shared Services c.s. in hun argumentatie niet steeds duidelijk onderscheid hebben gemaakt tussen Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland, maar één van beide regelmatig - gemakshalve - met Rabobank hebben aangeduid.

4.9.

Flinter Shared Services c.s. hebben over toerekening van de kennis en gedragingen van de medewerkers van Rabobank Nederland aan Rabobank Nederland onder meer aangevoerd dat Rabobank Nederland in de Uitgestelde Vervolgingsovereenkomst heeft erkend aansprakelijk te zijn en dat daarom de manipulaties door haar medewerkers aan haar moeten worden toegerekend. Vervolgens moeten die manipulaties in de visie van Flinter Shared Services c.s. aan Rabobank Rotterdam worden toegerekend. Dit volgt volgens hen uit de Uitgestelde Vervolgingsovereenkomst en uit zowel art. 6:76 BW als art. 6:171 BW.

4.10.

Voor beantwoording van de vraag of de renteswapovereenkomsten kunnen worden ontbonden is allereerst relevant of de manipulaties aan Rabobank Rotterdam kunnen worden toegerekend. Immers, als zij wel aan Rabobank Nederland kunnen worden toegerekend maar niet aan Rabobank Rotterdam is er geen grond voor ontbinding. Daarom wordt er bij de beantwoording van de hiervoor geformuleerde vraag (vooralsnog) veronderstellenderwijs van uitgegaan dat de manipulaties aan Rabobank Nederland kunnen worden toegerekend.

4.10.1.

Gelet op hetgeen in 4.8 over de Uitgestelde Vervolgingsovereenkomst is overwogen, volgt uit die overeenkomst niet dat de manipulaties van medewerkers van Rabobank Nederland aan Rabobank Rotterdam kunnen worden toegerekend. Dat Rabobank Nederland mede namens - onder meer - Rabobank Rotterdam de toezegging heeft gedaan dat de aansprakelijkheid van Rabobank Nederland niet zal worden tegengesproken, houdt niet in dat Rabobank Rotterdam aansprakelijkheid voor de manipulaties op zich heeft genomen.

4.10.2.

Indien Rabobank Rotterdam bij de uitvoering van verbintenissen uit de renteswapovereenkomsten gebruik heeft gemaakt van de hulp van Rabobank Nederland, is zij - in voorkomend geval - voor gedragingen van Rabobank Nederland aansprakelijk als waren het haar eigen gedragingen.

Flinter Shared Services c.s. hebben daarover aangevoerd dat Rabobank Nederland betrokken was bij de uitvoering van de renteswaps omdat haar medewerkers opgaven deden ter vaststelling van de Euribor tarieven. Deze werkzaamheden zijn echter niet verricht omdat Rabobank Rotterdam die medewerkers daarvoor bij de uitvoering van de renteswapovereenkomsten inschakelde; de werkzaamheden werden niet verricht onder verantwoordelijkheid van Rabobank Rotterdam. Zij heeft enkel het Euribor tarief gehanteerd dat is vastgesteld aan de hand van opgaven van alle leden van het Contribuantpanel. Rabobank Nederland kan daarom niet gezien worden als hulppersoon bij de uitvoering van verbintenissen uit de renteswapovereenkomsten en de manipulaties kunnen daarom niet op grond van art. 6:76 BW aan Rabobank Rotterdam worden toegerekend.

De overigens door Flinter Shared Services c.s. aangevoerde omstandigheden, te weten dat het moeilijk kan zijn om te bepalen of degene die schade heeft veroorzaakt al dan niet onderschikt is, dat het bedrijfsmatig verrichte en op profijt gerichte activiteiten betreft en dat een ondernemer het bedrijfsrisico als één risico dient te verzekeren en schadebeperkende maatregelen dient te nemen, behoeven gelet op het hiervoor gegeven oordeel geen (verdere) bespreking.

4.10.3.

Indien Rabobank Rotterdam opdracht heeft gegeven aan Rabobank Nederland om voor haar werkzaamheden te verrichten in de uitoefening van haar bedrijf, is zij - in beginsel - voor fouten van Rabobank Nederland aansprakelijk. Zoals hiervoor in 4.10.2 is geoordeeld zijn de opgaven ter vaststelling van de Euribor tarieven niet in de uitoefening van het bedrijf van Rabobank Rotterdam gedaan. Daarom kunnen de manipulaties niet op grond van art. 6:171 BW aan Rabobank Rotterdam worden toegerekend.

4.11.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, worden Flinter Shared Services c.s. niet gevolgd in hun standpunt dat Rabobank Rotterdam er van op de hoogte behoorde te zijn dat medewerkers van Rabobank Nederland door hun opgaven de Euribor tarieven hebben gemanipuleerd. Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland zijn immers niet te vereenzelvigen en de manipulaties worden niet aan Rabobank Rotterdam toegerekend. Dat leidt ertoe dat geen sprake is van een tekortkoming van Rabobank Rotterdam wegens het niet verstrekken van informatie over de manipulaties aan Flinter Shared Services c.s. - het in 4.5 sub c) genoemde verwijt - en evenmin van het in strijd handelen met haar zorgplicht, de in 4.5 sub a) en b) genoemde verwijten. Zij wist immers niet van de manipulaties en van de mogelijkheid dat de Flintervennootschappen als gevolg daarvan zouden worden geschaad in hun belangen. Naast hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het verwijt - weergegeven in 4.5 sub d) - dat Rabobank Rotterdam onrechtmatig heeft gehandeld, in het kader van de ontbinding, geen zelfstandige betekenis. Er is daarom geen grond voor ontbinding van de renteswapovereenkomsten en art. 3.4 van de Standstill Agreement. De vorderingen van Flinter Shared Services, weergegeven in 3.1 sub 1., voor zover gericht tegen Rabobank Rotterdam, en 2. en de vorderingen van de Flintervennootschappen, weergegeven in 3.2 sub a., voor zover gericht tegen Rabobank Rotterdam, en b. en c. zullen worden afgewezen.

Hierna komen de subsidiaire vorderingen van Flinter Shared Services c.s. tot vernietiging van de renteswapovereenkomsten en de Standstill Agreement wegens bedrog althans dwaling aan de orde.

vernietiging wegens bedrog, althans dwaling

4.12.

Flinter Shared Services c.s. stellen dat de renteswapovereenkomsten vernietigbaar zijn, primair omdat zij door bedrog tot stand zijn gekomen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de kennis, opzet en gedragingen van de medewerkers van Rabobank Nederland ook bij Rabobank Rotterdam aanwezig geacht moeten worden. Flinter Shared Services c.s. hebben in dat verband onder meer verwezen naar de Uitgestelde Vervolgingsovereenkomst, waarin volgens hen is vermeld dat de opzet gericht was op het behalen van voordeel ten koste van iedere derde waarmee een lokale Rabobank overeenkomsten heeft gesloten.

4.13.

Op grond van art. 3:44 lid 1 en 3 BW zijn de renteswapovereenkomsten vernietigbaar indien de Flintervennootschappen deze zijn aangegaan vanwege een opzettelijke verzwijging van enig feit dat Rabobank Rotterdam verplicht was mee te delen, een opzettelijk onjuiste mededeling of een andere kunstgreep. Op grond van art. 3:44 lid 5 BW is voor vernietiging echter geen aanleiding als sprake is van bedrog van een derde die geen partij is bij de overeenkomst en Rabobank Rotterdam geen reden had om het bestaan van bedrog te veronderstellen.

Zoals hiervoor in 4.7 tot en met 4.11 is overwogen zijn Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland niet te vereenzelvigen en zijn de handelingen van medewerkers van Rabobank Nederland niet aan Rabobank Rotterdam toe te rekenen. Rabobank Nederland is derhalve te beschouwen als een derde. Nu Rabobank Rotterdam niet wist van de manipulaties had zij geen reden om het bestaan van bedrog te veronderstellen. Dat in de Statement of Facts is vermeld dat de manipulerende medewerkers van Rabobank Nederland tenminste deels de bedoeling hadden om aan Rabobank Nederland voordeel te verschaffen ten koste van de partijen met wie handel werd gedreven, maakt dit niet anders.

4.14.

Flinter Shared Services c.s. hebben voorts subsidiair aangevoerd dat de renteswaps vernietigd moeten worden, omdat bij hen een onjuiste voorstelling van zaken heeft bestaan daar zij in de veronderstelling verkeerden dat de Euribor tarieven aan de hand van een objectief mechanisme werden vastgesteld, terwijl die tarieven in werkelijkheid werden gemanipuleerd. Rabobank Rotterdam behoorde in de visie van Flinter Shared Services c.s. van die manipulatie te weten en hen daarover mededelingen te doen. Nu Rabobank Rotterdam dat niet heeft gedaan, stellen de Flintervennootschappen dat zij hebben gedwaald ten aanzien van de betrouwbaarheid van Rabobank Nederland en Rabobank Rotterdam. Zij zouden de renteswapovereenkomsten nooit hebben gesloten als zij ervan op de hoogte waren geweest dat (medewerkers van) Rabobank Nederland zich bezig hield(en) met manipulatie van de Euribor tarieven en dat Rabobank Rotterdam dat gemanipuleerde tarief hanteerde. Indien Rabobank Rotterdam bij het sluiten van de renteswaps van dezelfde onjuiste veronderstellingen als de Flintervennootschappen is uitgegaan, zijn de renteswapovereenkomsten in de visie van Flinter Shared Services c.s. ook vernietigbaar.

4.15.

Hiervoor is geoordeeld dat de - veronderstellenderwijs aangenomen - wetenschap van Rabobank Nederland dat haar medewerkers de Euribor tarieven hebben gemanipuleerd, niet aan Rabobank Rotterdam is toe te rekenen. Op die grond kan daarom geen wetenschap van Rabobank Rotterdam worden aangenomen. Nu er geen aanwijzingen zijn dat Rabobank Rotterdam op andere wijze kennis droeg van de manipulaties, is de rechtbank van oordeel dat op Rabobank Rotterdam daaromtrent geen inlichtingenplicht rustte. De situatie van art. 6:228 lid 1 sub b BW doet zich derhalve niet voor.

Gelet op het voorgaande slaagt ook een beroep op dwaling in de persoon van Rabobank Rotterdam niet. Eventuele onbetrouwbaarheid van Rabobank Nederland blijft hierbij buiten beschouwing omdat Rabobank Nederland geen partij is bij de renteswapovereenkomsten.

4.16.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Flintervennootschappen en Rabobank Rotterdam beide zijn uitgegaan van dezelfde onjuiste veronderstelling dat de medewerkers van Rabobank Nederland op correcte wijze opgave hadden gedaan ter vaststelling van de Euribor tarieven. Nu echter gesteld noch gebleken is dat de verkeerde veronderstelling ook voor Rabobank Rotterdam van belang was bij het aangaan van de swapovereenkomsten kan niet gezegd worden dat Rabobank Rotterdam heeft gedwaald en doet zich hier de situatie van art. 6:228 lid 1 sub c BW, wederzijdse dwaling, niet voor.

Nu tussen partijen niettemin veel debat heeft plaatsgevonden over de in het kader van het beroep op art. 6:228 lid 1 sub c BW relevante vragen of de swapovereenkomsten bij een juiste voorstelling van zaken zouden zijn gesloten en of Rabobank Rotterdam bij een juiste voorstelling van zaken had behoeven te begrijpen dat de Flintervennootschappen daardoor van het sluiten van de overeenkomsten zou worden afgehouden, zal de rechtbank ook op die vragen ingaan. In dat verband wordt het volgende overwogen.

4.16.1.

Het renterisico van 40-50% van het totale financieringsbedrag hebben de Flintervennootschappen niet afgedekt met renteswaps. Gelet op de aard en de omvang van de financieringsbehoefte van de Flintervennootschappen ligt het echter niet in de rede dat zij er voor zouden hebben gekozen het renterisico ten aanzien van de financieringen waar het in deze procedure om gaat op geen enkele wijze af te dekken. Flinter Shared Services c.s. hebben in dat kader aangevoerd dat de Flintervennootschappen voor een vastrentende lening of een lening met een rentecap zouden hebben gekozen als zij hadden geweten van de gemanipuleerde tarieven.

4.16.2.

Omtrent de vastrentende lening hebben zij echter ook opgemerkt dat dergelijke leningen niet of nauwelijks werden verstrekt door banken. Aannemelijk is dat de Flintervennootschappen in dat geval een relatief hoge vaste rente zouden hebben betaald. Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland hebben daarover bovendien betoogd dat een vastrentende lening niet paste bij de financieringsbehoefte van de Flintervennootschappen omdat deze direct na vaststelling van de rente zou ingaan en de Flintervennootschappen dus rentebetalingsverplichtingen zouden hebben, hoewel zij op dat moment nog geen financiering nodig hadden. Zij wilden enkel op voorhand duidelijkheid verkrijgen over het rentetarief en daarmee over de financieringskosten voor de te bouwen schepen, om die te kunnen vermelden in de prospectus van ieder schip. Flinter Shared Services c.s. hebben dit niet bestreden en het vindt bovendien bevestiging in de door Flinter Shared Services overgelegde bevestigingen van een renteswap, waarin is vermeld dat er enkele tot vele maanden lagen tussen de transactiedatum waarop de verschuldigde vaste rente werd vastgesteld en de ingangsdatum van een renteswap.

4.16.3.

De Flintervennootschappen hebben voorts onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een rentecap een aantrekkelijker alternatief was geweest. Een rentecap is een overeenkomst bij een financiering, waarbij de leningnemer tegen betaling van een geldsom gedurende een vooraf overeengekomen periode de garantie verkrijgt dat het te betalen variabele rentetarief een bepaald vastgesteld maximum niet zal overschrijden. Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland hebben aangevoerd dat een dergelijk instrument niet bij de financieringsbehoefte van de Flintervennootschappen paste aangezien hiervoor bij het afsluiten van de rentecap een - gelet op de looptijd van de leningen aanzienlijke - premie betaald moest worden, zonder dat in de betreffende vennootschap al geldmiddelen voorhanden waren. Daarbij komt dat de Flintervennootschappen in dat geval tot het overeengekomen plafond (de "cap") een variabele rente, gebaseerd op de Euribor tarieven, zouden moeten betalen zodat ook daarvoor het bezwaar geldt dat die tarieven werden gemanipuleerd. Daarom is niet aannemelijk dat, indien de Flintervennootschappen vanwege de manipulaties geen renteswapovereenkomsten met Rabobank Rotterdam zouden hebben gesloten, zij wel rentecaps met Rabobank Rotterdam zouden zijn aangegaan.

4.16.4.

Daarnaast is aannemelijk dat de effecten van de manipulaties niet van praktische betekenis waren ten aanzien van de renteswaps die dienden ter afdekking van het renterisico. Tegenover de te betalen variabele rente op de leningen stond immers de te ontvangen variabele rente op grond van de renteswaps, zodat de Flintervennootschappen per saldo de in de renteswaps vermelde vaste rente, vermeerderd met de overeengekomen opslag op de rente van de leningen, betaalden.

Bij dit alles komt dat de opgave ter vaststelling van de Euribor tarieven van de medewerkers van Rabobank Nederland één van de ongeveer 45 opgaven was. Als haar opgave uit de pas liep met die van andere banken, viel deze in de hoogste of laagste categorie van 15% die werd uitgesloten van de berekening. Zoals in de Statement of Facts is vermeld, waren de manipulaties onder meer bedoeld om ten goede te komen aan de (grote) handelsposities van de verzoekende handelaren. De rechtbank maakt uit hetgeen daarover in de Statement of Facts is vermeld op dat een rente die een fractie hoger of lager was alleen bij heel grote posities tot aanzienlijke verschillen leidde. Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland hebben in dat verband ter zitting opgemerkt dat het effect van de manipulaties op renteswaps klein was. Over de renteswap van één van de Flintervennootschappen met een nominale waarde van € 2.000.000,00 met een aflopende hoofdsom, zou volgens hen gedurende de hele looptijd per saldo niet meer dan € 125,00 extra rente kunnen zijn betaald. Zij hebben verklaard dat bij de berekening van dit bedrag ervan is uitgegaan dat de Euribor tarieven steeds naar beneden zijn gemanipuleerd en dat een vergelijking is gemaakt met de voor de Flintervennootschappen meest voordelige opgaven omdat daardoor het effect van de manipulatie het duidelijkst is en het bedrag dat de Flintervennootschappen aan rente op de renteswaps zouden moeten betalen het grootst is. Dat dit een hypothetische situatie is, volgt uit de Statement of Facts waarin is te lezen dat de handelaren niet alleen verzochten om een bijstelling naar beneden, maar ook om een bijstelling naar boven.

Hoe zeer ook voorstelbaar is dat de Flintervennootschappen geen overeenkomsten wilden aangaan waarbij de gemanipuleerde Euribor tarieven een rol speelden, ligt het, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, toch niet in de rede dat zij voor het alternatief van vastrentende leningen zouden hebben gekozen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Flintervennootschappen, nadat zij bekend werden met de manipulaties, de Euribor leningen die niet zijn afgedekt door een renteswap niet hebben omgezet in vastrentende leningen.

4.16.5.

Ter zitting hebben Flinter Shared Services c.s. nog opgemerkt dat zij misschien in het geheel niet zouden hebben geïnvesteerd indien zij hadden geweten van de manipulaties. Dit ligt echter zonder enige concretisering - die niet is gegeven - niet in de rede. Moeilijk voorstelbaar is dat de Flintervennootschappen hun investeringsbeslissingen ten aanzien van de bouw van schepen geheel zouden laten afhangen van de handelwijze van Rabobank Nederland, hoewel Rabobank Rotterdam slechts één van de banken was waarmee zij zaken deden.

4.16.6.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat Rabobank Rotterdam niet hoefde te begrijpen dat de Flintervennootschappen bij een juiste voorstelling van zaken van het sluiten van de renteswapovereenkomsten zouden hebben afgezien. Dat geldt ook voor de renteswaps die uiteindelijk niet dienden ter afdekking van een renterisico omdat de schepen waarvoor de financiering was bedoeld uiteindelijk niet zijn gebouwd. Ook deze renteswaps zijn immers afgesloten met het enkele doel het renterisico af te dekken. Dat de renteswaps door bijzondere omstandigheden uiteindelijk een speculatief karakter verkregen, doet daar niet aan af. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat één van de bestuurders van Flinter Shared Services c.s. - naar Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland onweersproken hebben aangevoerd - voorheen als Relationship manager bedrijven werkzaam was bij ING Bank, zodat verondersteld mag worden dat hij over meer dan gemiddelde kennis op financieel terrein beschikt en bekend is met de risico's die verbonden zijn aan investeringsbeslissingen als de onderhavige.

4.17.

Nu geen sprake is van bedrog of dwaling (die voor rekening van Rabobank Rotterdam dient te komen), is de vordering tot nietigverklaring van de renteswapovereenkomsten niet toewijsbaar. Dat betekent dat geen bespreking behoeft het verweer van Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland dat vernietiging van de renteswapovereenkomsten niet leidt tot ongedaanmakingsverplichtingen maar tot een terugbetalingsverplichting uit onverschuldigde betaling. De vordering van Flinter Shared Services, weergegeven in 3.1 sub 3. en de vordering van de Flintervennootschappen, weergegeven in 3.2 sub d. zullen worden afgewezen.

Resteert de vraag of Rabobank Nederland onrechtmatig jegens de Flintervennootschappen heeft gehandeld en of de Flintervennootschappen dientengevolge de door hen gestelde schade hebben geleden.

onrechtmatige daad

4.18.

Flinter Shared Services c.s. stellen zich op het standpunt dat Rabobank Nederland onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Flintervennootschappen door - in samenwerking met andere banken - de Euribor tarieven te manipuleren. Zij verlangen dat Rabobank Nederland de schade vergoedt die de Flintervennootschappen geleden hebben, welke schade zij gelijk stellen aan de hoogte van de gestelde ongedaanmakingsverplichting van Rabobank Rotterdam, te weten € 7.054.407,00.

4.19.

Degene die jegens een ander een hem toerekenbare onrechtmatige daad pleegt en daardoor die ander schade berokkent, dient die schade te vergoeden. Eén van de voorwaarden voor het aannemen van een onrechtmatige daad is derhalve dat door het onrechtmatig handelen of nalaten schade is geleden. Of schade is geleden en zo ja, hoe hoog die schade is, wordt vastgesteld door een vergelijking van de situatie zonder en met de onrechtmatig geachte gebeurtenis. Dat betekent dat de situatie zoals die zou zijn geweest als de medewerkers van Rabobank Nederland de Euribor tarieven niet hadden gemanipuleerd, moet worden vergeleken met de situatie zoals die zich als gevolg van die manipulaties heeft voorgedaan. Met andere woorden: van belang is in hoeverre de Euribor tarieven zich vanwege de manipulaties anders hebben ontwikkeld en wat daarvan de gevolgen zijn geweest voor bijvoorbeeld de door de Flintervennootschappen betaalde variabele rente op grond van de financieringsovereenkomsten en de door hen ontvangen variabele rente op de renteswaps. Op grond van hetgeen in deze procedure is gesteld en gebleken, gaat de rechtbank ervan uit dat vergelijking van de situatie zonder en met de onrechtmatige gebeurtenis, voor zover al mogelijk, tot de conclusie zou leiden dat de manipulaties met de Euribor tarieven per saldo waarschijnlijk niet tot schade van betekenis voor de Flintervennootschappen heeft geleid. Anders dan Flinter Shared Services c.s. hebben betoogd, is er geen aanleiding om in geval van een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering enkel de op grond van de renteswaps betaalde vaste rente en ontvangen variabele rente in ogenschouw te nemen. Om de werkelijke gevolgen van de gestelde onrechtmatige daad van Rabobank Nederland voor de Flintervennootschappen te kunnen beoordelen dienen in de situatie met de onrechtmatig geachte gebeurtenis immers zowel de ontvangen als de betaalde variabele rente in de beoordeling te worden betrokken. Dat betekent dat nadeel als gevolg van een naar beneden gemanipuleerd Euribor tarief - waardoor het verschil tussen de op grond van de renteswaps door de Flintervennootschappen te betalen vaste rente en te ontvangen variabele rente (iets) groter werd - zou kunnen worden gecompenseerd door een lagere te betalen variabele rente op grond van de financieringsovereenkomsten die niet werden afgedekt met een renteswap (ongeveer 40-50% van de totale financiering). Over dit alles hebben Flinter Shared Services c.s. niets gesteld. Zij hebben gesteld dat hun schade moet worden begroot op de bedragen die de Flintervennootschappen volgens hen vanaf 2008 ten onrechte hebben betaald omdat zij niet in de gelegenheid zijn geweest de renteswapovereenkomsten toen of kort daarna te ontbinden, althans te vernietigen. Flinter Shared Services c.s. stellen in feite dat de Flintervennootschappen de mogelijkheid is ontnomen om de renteswapovereenkomsten op een voor hen zo gunstig mogelijk moment (lage variabele rente) te ontbinden of vernietigen. Het relevante onrechtmatig handelen aan de zijde van Rabobank Nederland betreft echter de manipulaties door medewerkers van Rabobank Nederland. In de hypothetische situatie waarin dat onrechtmatig handelen wordt weggedacht, zouden de Flintervennootschappen evenmin de mogelijkheid hebben gehad om de - als gevolg van marktontwikkelingen zich voor hen ongunstig ontwikkeld hebbende - rentswapovereenkomsten te ontbinden of vernietigen. Ter zitting hebben Flinter Shared Services c.s. nog aangevoerd dat uitgegaan moet worden van de hypothetische situatíe dat de Flintervennootschappen geen financieringsovereenkomsten en renteswaps met Rabobank Rotterdam zouden hebben afgesloten als zij van de manipulaties hadden geweten. Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.16.5 heeft overwogen, acht zij het echter moeilijk voorstelbaar dat de Flintervennootschappen hun investeringsbeslissingen ten aanzien van de bouw van schepen geheel zouden hebben laten afhangen van de handelwijze van (enkele medewerkers van) Rabobank Nederland. De Flintervennootschappen hadden nu eenmaal een specifieke financieringsbehoefte. Zij wensten duidelijkheid vooraf over een vanaf een bepaald moment in de toekomst op te nemen financiering in verband met de bouw van een schip en de daarover gedurende een bepaalde periode te betalen vaste rente en alle met de financiering verband houdende kosten. Die informatie diende in een prospectus ten behoeve van potentiële investeerders te worden verwerkt. Het lag in de toenmalige marktomstandigheden in de rede om in die specifieke financieringsbehoefte te voorzien op een wijze zoals feitelijk is geschied, ongeacht de vraag door welke bank de betreffende financiering zou worden verstrekt. In ieder geval hebben Flinter Shared Services c.s. niet voldoende feiten of omstandigheden gesteld die het trekken van een andere conclusie zouden kunnen rechtvaardigen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de overige vereisten voor het aannemen van een onrechtmatige daad, zoals de vraag of de manipulaties van haar medewerkers aan Rabobank Nederland kunnen worden toegerekend, geen bespreking behoeven. De vordering van Flinter Shared Services, weergegeven in 3.1 sub 1. en de vordering van de Flintervennootschappen, weergegeven in 3.2 sub a., beide voor zover gericht tegen Rabobank Nederland, zullen worden afgewezen

overig

4.20.

Ook de overige vorderingen van Flinter Shared Services c.s. zullen worden afgewezen. Zij vloeien immers alle voort uit de hiervoor afgewezen vorderingen.

4.21.

Flinter Shared Services zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland worden begroot op:

- griffierecht € 3.829,00

- salaris advocaat 11.238,50 (3,5 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 15.067,50

4.22.

De Flintervennootschappen zullen als de in het ongelijk te stellen tussenkomende partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rabobank Rotterdam en Rabobank Nederland worden begroot op nihil omdat de tussenkomst voor hen niet tot extra proceshandelingen en nauwelijks tot een uitvoeriger verweer heeft geleid, zulks uitgezonderd de incidentele conclusie, maar over de kosten van die conclusie is reeds een beslissing gegeven in het incidentele tussenvonnis.

4.23.

Voor een zelfstandige veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten (€ 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Flinter Shared Services niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak) een executoriale titel oplevert.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van Flinter Shared Services af;

5.2.

veroordeelt Flinter Shared Services in de proceskosten, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op € 15.067,50;

5.3.

wijst de vorderingen van de Flintervennootschappen af;

5.4.

veroordeelt de Flintervennootschappen in de proceskosten, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op nihil;

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de in 5.2 genoemde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. W.J. van den Bergh en mr. M.P. van Achterberg en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.

[2066/1729/2504/2862]