Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2391

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
C/10/484614 / FA RK 15-7413
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huwelijk en echtscheiding naar Turks recht. Ingevolge artikel 336 Turks BW eenhoofdig gezag na echtscheiding. Afwijzing omgangsregeling wegens verstandelijke beperking minderjarige en verstoorde verstandhouding ouders, waarbij vader in Turkije woont en nog nooit contact heeft gehad met minderjarige die inmiddels 11 jaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie 2

zaaknummer / rekestnummer: C/10/484614 / FA RK 15-7413

Beschikking van 18 maart 2016 betreffende het ouderlijk gezag en de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht

in de zaak van:

[de vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

advocaat mr. M. Soytekin te Rotterdam ,

t e g e n

[de man] , de man,

wonende te [land 1] ,

advocaat mr.drs. H. Durdu te Rotterdam .

1
1. Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 10 september 2015;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen;

- het proces-verbaal van de zitting van 25 januari 2016;

- de brief met bijlagen van de zijde van de man van 9 februari 2016;

- de brief met bijlagen van de zijde van de vrouw van 15 februari 2016.

1.2.

De behandeling is voortgezet ter zitting van 17 februari 2016.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam -Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .

2 De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [land 2] gehuwd. Bij vonnis van 27 juni 2008 heeft de rechtbank in Turkije de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

2.2.

Partijen zijn de ouders van de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats 1] .

2.3.

De minderjarige heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft haar gewone verblijfplaats in Nederland.

2.4.

De vrouw heeft zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit en de man heeft de Turkse nationaliteit.

3 De beoordeling

3.1.

Het ouderlijk gezag

3.1.1.

De vrouw verzoekt, na wijziging ter zitting van 17 februari 2016, voor recht te verklaren dat zij alleen met het gezag over de minderjarige is belast.

3.1.2.

De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt om afwijzing van het verzoek.

3.1.3.

Nu de minderjarige haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft is de Nederlandse rechter bevoegd naar Nederlands recht op het verzoek te beslissen.

3.1.4.

Tussen partijen is in geschil naar welk recht beoordeeld dient te worden wie het ouderlijk gezag over de minderjarige heeft. De minderjarige is tijdens het huwelijk geboren. Zowel naar Nederlands recht als naar Turks recht hebben ouders gedurende het huwelijk gezamenlijk het gezag over de minderjarige. De echtscheiding tussen partijen is met toepassing van Turks recht in Turkije uitgesproken. Deze echtscheiding brengt de rechtsgevolgen met zich die naar Turks recht voortvloeien uit een echtscheiding. Artikel 336 van het Turks Burgerlijk Wetboek bepaalt dat bij echtscheiding het gezag toekomt aan de ouder bij wie het kind is achtergebleven. Tussen partijen is niet in geschil dat de minderjarige altijd bij de vrouw heeft gewoond, zodat naar Turks recht uit de echtscheiding van partijen voortvloeit dat het ouderlijk gezag alleen aan de vrouw toekomt. De door de vrouw verzochte verklaring van recht zal worden toegewezen.

3.2.

De regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling)

3.2.1.

De man verzoekt om tussen hem en de minderjarige een omgangsregeling vast te stellen, subsidiair om een raadsonderzoek te gelasten.

3.2.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt om de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dit verzoek af te wijzen.

3.2.3.

De raad heeft vraagtekens geplaatst bij de draagkracht van de minderjarige tot omgang maar acht zich onvoldoende geïnformeerd om advies te kunnen geven en stelt voor onderzoek te doen.

3.2.4.

Nu de minderjarige haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft is de Nederlandse rechter bevoegd naar Nederlands recht op het verzoek te beslissen. De rechtbank acht zich voldoende geïnformeerd en overweegt het volgende. Uitgangspunt van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Ingevolge artikel 1:377a, derde lid BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

  2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.2.5.

De rechtbank is van oordeel dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind en overweegt daartoe het volgende. De minderjarige heeft een verstandelijke beperking waardoor zij op het niveau van een vierjarige functioneert. De minderjarige is daardoor kwetsbaar hetgeen maakt dat voor haar rust, structuur en regelmaat in haar dagelijkse leven van bovengemiddeld belang zijn. Vast staat dat de minderjarige de man niet kent en dat partijen gedurende het leven van de minderjarige nauwelijks tot geen contact met elkaar hebben gehad. Tussen partijen is de oorzaak van die situatie in geschil maar voor de onderhavige beoordeling is dat niet relevant. Partijen zijn vervuld van wantrouwen ten opzichte van elkaar. Zij beschuldigen elkaar over en weer van onheus gedrag en ter zitting is niet gebleken van enige toenadering van partijen tot elkaar. De vrouw is emotioneel niet in staat de minderjarige bij eventuele contacten met de man (in voldoende mate) te ondersteunen, terwijl de minderjarige dit gelet op haar beperking en het feit dat zij de man niet kent juist hard nodig heeft. Enige vorm van contact met de man zou onder de gegeven omstandigheden de huidige stabiele leefsituatie van de minderjarige te zeer op de proef stellen, zodat het recht van de man op omgang met de minderjarige daarvoor moet wijken. Hierbij speelt voorts een rol dat dat de man in [land 3] woont zodat, mede gelet op de weerstand van de vrouw, een opbouw van de contacten tussen de man en de minderjarige moeilijk praktisch te realiseren zal zijn, terwijl een zorgvuldige opbouw gezien de kwetsbaarheid van de minderjarige van groot belang is. Ook de in het belang van de minderjarige noodzakelijke regelmatige frequentie en continuïteit in de contacten is hierdoor in onvoldoende mate gewaarborgd. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.

3.3.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart voor recht dat de vrouw alleen met het ouderlijk gezag is belast over de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats 2] ;

4.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Fiege, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.W. Panhuizen op

18 maart 2016.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.