Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2387

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
C/10/483895 / HA ZA 15-917
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling van gemeenschap van goederen. Partijen, echtelieden, hebben (mede) Marokkaanse nationaliteit en gewone verblijfplaats in Nederland. Vaststelling van op het huwelijksvermogensregime toepasselijke recht. Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Op grond van art. 7 lid 2 sub 3 daarvan is Nederlands recht toepasselijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/72.12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/483895 / HA ZA 15-917

Vonnis van 9 maart 2016 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.P. Vandervoodt te Rotterdam,

tegen

Aouatif KASSIMI,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.H. de Bruin te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de man respectievelijk de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 19 augustus 2015 en de door de man overgelegde producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de brief van 4 november 2015, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 8 februari 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De man en de vrouw zijn op 9 november 2001 te Berkane (Marokko) met elkaar gehuwd.

2.2.

De man heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit. De vrouw heeft de Marokkaanse nationaliteit.

2.3.

De man woonde ten tijde van de huwelijkssluiting in Nederland. De vrouw woonde ten tijde van de huwelijkssluiting in Marokko. De vrouw is twee jaar na de huwelijkssluiting naar Nederland gekomen en heeft in Nederland voor het eerst met de man gezamenlijk een woning betrokken en is een gemeenschappelijke huishouding gaan voeren.

2.4.

Partijen hebben op 16 februari 2005 gezamenlijk de eigendom verkregen van de woning aan de Rechthuisstraat 36B te Rotterdam.

2.5.

De vrouw is in december 2013 met de minderjarige kinderen van partijen verhuisd naar een woning aan de Atjehstraat 55B te Rotterdam.

2.6.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 april 2014 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Op 18 augustus 2014 is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschap tussen partijen als volgt vast te stellen:

1. Uit hoofde van de vergoeding van de door de vrouw meegenomen inboedel van de echtelijke woning Rechthuisstraat 36B naar de Atjehstraat 55B te Rotterdam ter waarde van € 15.800,=;

Subsidiair € 7.900,= in geval de rechtbank van oordeel is dat sprake is geweest van een gemeenschap van goederen.

2. Vergoeding van de helft van de gezamenlijke kosten van de echtelijke woning ad € 12.577,05.

3. Een redelijke vergoeding voor het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door de vrouw in de periode van september 2012 tot oktober 2013 ad € 2.874,17.

4. De vrouw te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure.

3.2.

Het verweer van de vrouw strekt tot afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de man in de kosten van dit geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

bevoegdheid

4.1.

De rechtbank is op grond van artikel 2 jo. artikel 99 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd van het geschil kennis te nemen.

toepasselijk recht

4.2.

Niet gebleken is dat partijen vóór dan wel na het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. Nu partijen zijn gehuwd na 1 september 1992, dient het op het huwelijksvermogensregime van partijen toepasselijke recht te worden bepaald aan de hand van de in het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 neergelegde regels. Op grond van artikel 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 wordt in geval de echtgenoten vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen, het huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. Het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten wordt echter beheerst door het interne recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit indien de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk niet op het grondgebied van dezelfde Staat vestigen.

4.3.

Partijen bezaten ten tijde van het huwelijk gezamenlijk de Marokkaanse nationaliteit. Na het sluiten van het huwelijk hebben zij hun eerste gewone verblijfplaats niet op het grondgebied van dezelfde Staat gevestigd. De man woonde immers in Nederland, terwijl de vrouw nog twee jaar in Marokko is gebleven. Dit betekent in de periode dat partijen gescheiden leefden op grond van artikel 4 lid 2 sub 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 het huwelijksvermogensregime van partijen is onderworpen aan het Marokkaanse recht als recht van de gemeenschappelijke nationaliteit. Het uitgangspunt van Marokkaanse recht is dat tussen echtgenoten geen gemeenschap van goederen ontstaat.

4.4.

Echter, op grond van artikel 7 lid 2 sub 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 wordt in plaats van het recht waaraan hun huwelijksvermogensregime tevoren was onderworpen het interne recht van de Staat waar de echtgenoten beiden hun gewone verblijfplaats hebben toepasselijk vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien hun huwelijksvermogensregime, uitsluitend op grond van artikel 4 lid 2 sub 3, was onderworpen aan het recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit. Vanaf het moment dat partijen zich tezamen in Nederland hebben gevestigd, is derhalve het Nederlandse huwelijksgoederenregime toepasselijk. Op grond van artikel 8 van dit verdrag geldt deze automatische wijziging slechts voor die vermogensbestanddelen die na de wijziging door de echtgenoten zijn verkregen. Het uitgangspunt van het Nederlandse recht – dat in dit geval geen uitzondering lijdt omdat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt – is dat tussen echtgenoten een gemeenschap van goederen ontstaat.

ingetrokken vordering

4.5.

De man heeft de vordering onder 3 van het petitum ter gelegenheid van de comparitie ingetrokken. Nu de man zijn eis heeft verminderd voordat een eindvonnis is gewezen, is aan het vereiste van artikel 129 Rv voldaan en is de eisvermindering toelaatbaar. De rechtbank zal derhalve recht doen op de gewijzigde eis.

verdeling inboedel

4.6.

De man vordert een vergoeding wegens overbedeling, omdat de vrouw de gehele inboedel (zoals gespecificeerd in productie 2 bij dagvaarding) heeft meegenomen uit de echtelijke woning bij haar verhuizing naar de Atjehstraat. De man stelt de totale waarde van deze inboedel op (afgerond) een bedrag van € 15.800,= en vordert subsidiair, voor zover tussen partijen een gemeenschap van goederen is ontstaan, betaling van de helft van dit bedrag, derhalve € 7.900,=.

4.7.

De vrouw betwist dat zij al de inboedelgoederen heeft meegenomen die de man in productie 2 bij de dagvaarding heeft gespecificeerd. Een groot deel van die goederen was te oud of te beschadigd om nog te kunnen gebruiken en is derhalve niet door de vrouw meegenomen. Ter gelegenheid van de comparitie heeft de vrouw verklaard dat zij de volgende inboedelgoederen bij haar verhuizing heeft meegenomen: de bank, een keukentafel, stoelen, de vrieskist, bedden, matrassen, de televisie, stapelbedden, de kledingkast, de wasmachine, de Playstation en keukeninventaris.

4.8.

De rechtbank overweegt dat zij bij de verdeling van de inboedelgoederen zal uitgaan van het Nederlandse huwelijksgoedenrecht, derhalve van gemeenschappelijke inboedelgoederen. Gesteld noch gebleken is immers dat de betreffende goederen reeds zijn aangeschaft voordat partijen hun eerste huwelijksdomicilie in Nederland betrokken. Voorts zal de rechtbank ervan uitgaan van de vrouw de voornoemde goederen uit de echtelijke woning heeft meegenomen, nu de man deze opsomming niet heeft weersproken. De rechtbank is van oordeel dat de door de man aan die goederen toegekende waarde te hoog is. De man lijkt uit te gaan van de nieuwwaarde van die goederen, terwijl grotendeels sprake is van goederen die al langere tijd in het bezit zijn van partijen. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat inboedelgoederen na aanschaf in de regel snel in waarde dalen. Met inachtneming van het vorenstaande schat de rechtbank waarde van door de vrouw meegenomen inboedelgoederen ex aequo et bono op € 1.000,00, zodat de man ter zake uit hoofde van overbedeling € 500,00 toekomt.

kosten echtelijke woning

4.9.

De man vordert betaling door de vrouw van een bedrag van € 12.577,05 (zoals gespecificeerd in productie 3 bij de dagvaarding) ter vergoeding van de helft van de door de man betaalde gezamenlijke kosten van de echtelijke woning. Volgens de man betreffen de maandelijkse lasten een bedrag van € 838,47 en heeft hij dit bedrag gedurende een periode van 30 maanden voldaan, derhalve in totaal een bedrag van € 25.154,10.

4.10.

De vrouw betwist dat de man de gestelde betalingen heeft gedaan. Zij wijst er voorts op dat uit de nota van afrekening van de verkoop van de koopwoning blijkt dat de schulden aan de Vereniging van Eigenaars (VvE) en de achterstand in de aflossing van de hypothecaire geldlening zijn voldaan met de opbrengst van de verkoop.

4.11.

De rechtbank overweegt eerst dat de betreffende kosten de periode betreffen ná de vestiging in Nederland, waardoor ook op deze vordering het Nederlandse recht van toepassing is. Op grond van artikel 1:84 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) komen de kosten van de huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, ten laste van het gemene inkomen van de echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemene vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan.

4.12.

Ter comparitie heeft de man verklaard dat hij tijdens het huwelijk inkomen uit arbeid genoot. De vrouw heeft verklaard dat zij tijdens het huwelijk ongeveer twee jaar tussen de geboortes van de kinderen van partijen, derhalve tussen 2005 en 2009, heeft gewerkt. Gesteld noch gebleken is dat de man meer aan kosten van de huishouding heeft besteed dan waartoe hij op grond van de verdelingsmaatstaf van deze bepaling zou zijn gehouden en dat hij op die grond een vordering zou hebben op de vrouw. Voorts overweegt de rechtbank dat nu de man geen betalingsbewijzen heeft overgelegd en de vrouw gemotiveerd heeft betwist dat de man deze betalingen heeft gedaan, die betalingen niet vast staan. Bovendien heeft de man nagelaten een overzicht in het geding te brengen waaruit blijkt de totale gemeenschappelijke lasten in de zin van artikel 1:84 BW, wat daarvan voor rekening van de man respectievelijk de vrouw is gekomen en welk bedrag de man dan teveel heeft betaald. De vordering zal daarom bij gebrek aan deugdelijke onderbouwing worden afgewezen.

proceskosten

4.13.

Nu partijen ex-echtgenoten zijn, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de vrouw om aan de man tegen kwijting te betalen een bedrag van € 500,00,

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2016.

2111/2053