Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2342

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
C/10/492018 / FT EA 15/3114 en C/10/492019 / FT EA 15/3115
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

CJIB wordt gedwongen mee te werken aan het minnelijk traject.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a, geldigheid: 2008-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/139

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie

rekestnummer: [nummer 1] (verzoek dwangakkoord)

rekestnummer: [nummer 2] (verzoek schuldsaneringsregeling)

uitspraakdatum: 11 februari 2016

in de zaak van:

[naam 1] ,

wonende te [adres]

[woonplaats] ,

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 24 december 2015, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een drietal schuldeisers, te weten:

  • -

    [schuldeiser] , hierna te noemen: [schuldeiser] ;

  • -

    Centraal Justitieel Incasso Bureau, vertegenwoordigd door Flanderijn en van Eck gerechtsdeurwaarders, hierna te noemen CJIB;

  • -

    IJsselland Ziekenhuis, vertegenwoordigd door GGN Mastering Credit, hierna te noemen: IJsselland, welke twee vorderingen vertegenwoordigt;

die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

[schuldeiser] en IJsselland hebben voorafgaande aan de zitting, bij faxbericht van 1 februari 2016, aan de rechtbank te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.

Ter zitting van 9 februari 2016 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    [naam 1] , verzoekster;

  • -

    [naam 2] en [naam 3] , beiden werkzaam bij Van der Linden C.S. (hierna te noemen schuldhulpverlening);

  • -

    [naam 4] , als beschermingsbewindvoerder.

De schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift tweeëntwintig schuldeisers, waarvan één preferente en eenentwintig concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 57.628,99 van verzoekster te vorderen.

Verzoekster heeft bij brief van 11 juni 2015 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,78 % aan de preferente schuldeisers en 1,89 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.

De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn uitkering op grond van de participatiewet. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan. Sinds 25 oktober 2011 staat verzoekster onder beschermingsbewind.

Eenentwintig schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. CJIB stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 321,89 op verzoekster, welke 0,56 % van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

In haar contacten met schuldhulpverlening heeft CJIB te kennen gegeven dat zij niet akkoord gaat met de aangeboden regeling omdat het een vordering van de Officier van Justitie betreft die valt onder Strabis. CJIB is van oordeel dat deze vordering volledig voldaan dient te worden.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft CJIB geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van CJIB bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of CJIB in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van CJIB slechts een klein aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 0,56 % daarvan). Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk eenentwintig van de twintig schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Van der Linden cs. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. Voldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht.

Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat er is voldaan aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekster het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen. Verzoekster staat onder beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede. Schuldhulpverlening zal toezien op nakoming van de arbeids/sollicitatieplicht.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. De toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zou aanzienlijke kosten met zich meebrengen, bestaande in salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, welke in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag in jaarlijkse termijnen betaalbaar wordt gesteld.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van CJIB, die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om CJIB te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

Ten overvloede wijst de rechtbank op het arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van

18 augustus 2009 (ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ5465) waarin het CJIB wordt gedwongen mee te werken met een minnelijke regeling.

CJIB zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, welke in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient te worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- beveelt Centraal Justitieel Incasso Bureau om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt Centraal Justitieel Incasso Bureau in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk, rechter en in aanwezigheid van J. Hillen-Huizer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2016. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.