Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2338

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
07-04-2016
Zaaknummer
ROT 15/8011
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2016:435, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Informatieverzoek. Artikel 7 van de Instellingswet Autoriteit & Markt (Iw) is van toepassing. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van ACM dat de documenten waarop het verzoek ziet niet bij haar berusten. ACM heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de gegevens reeds daarom niet aan eiseres kunnen worden verstrekt of openbaar kunnen worden gemaakt. Ook het beroep van eiseres op artikel 12w van de Iw slaagt niet. De door eiseres gevraagde documenten vallen niet onder artikel 12w, eerste lid, van de Iw nu deze documenten niet door ACM of in haar opdracht zijn vervaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/8011

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2016 in de zaak tussen

Gasunie Transport Services B.V., te Groningen, eiseres,

gemachtigde: mr. A.A. Kleinhout,

en

Autoriteit Consument & Markt (ACM), verweerster,

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft ACM het verzoek van eiseres om informatie met betrekking tot kosten- en outputdata van de Duitse Netbeheerders in zaak 12.0268.29 (onderzoek naar statische efficiëntie van eiseres) afgewezen.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en ACM verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

ACM heeft hiermee ingestemd en het bezwaarschrift doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als beroep.

ACM heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege blijven van een zitting.

Overwegingen

1. Uit het informatieverzoek van eiseres van 29 september 2015 en uit het beroepschrift blijkt dat het in dit geschil gaat om het volgende deel van het verzoek:

“Hierbij doet Gasunie Transport Services B.V. (GTS) een verzoek om informatie op grond van artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Het informatieverzoek heeft betrekking op de kosten - en outputdata van de Duitse Netbeheerders, zoals gebruikt door Frontier Economics in het thans lopende onderzoek naar de statische efficiëntie van GTS.

(…)

Voor zover nodig dient dit informatieverzoek ook te worden aangemerkt als een verzoek aan ACM om een besluit tot openbaarmaking te nemen krachtens artikel 12w Instellingswet ACM. (…)”

2. ACM heeft in het bestreden besluit gesteld dat de documenten waarop het verzoek ziet niet berusten bij ACM. Daarom kan de gevraagde informatie niet door ACM worden verstrekt of openbaar worden gemaakt. Indien ACM wel over de gevraagde informatie zou beschikken, zou artikel 7, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument & Markt (Iw) in de weg staan aan verstrekking daarvan. Tot slot heeft ACM gesteld dat artikel 12w, eerste lid, van de Iw haar niet verplicht gegevens te verstrekken of openbaar te maken die niet bij haar berusten.

3. Artikel 2, tweede lid, van de Iw bepaalt dat ACM is belast met de taken die haar bij of krachtens de wet zijn opgedragen.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Iw mogen gegevens of inlichtingen welke in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van een taak als bedoeld in artikel 2, tweede lid, zijn verkregen uitsluitend worden gebruikt voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van die taak of van enige andere taak als bedoeld in artikel 2, tweede lid.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is voor zover een wettelijk voorschrift het gebruik van verkregen gegevens of inlichtingen regelt.

Op grond van het derde lid van dit artikel is, in afwijking van het eerste lid, ACM bevoegd gegevens of inlichtingen te verstrekken aan:

a. een bestuursorgaan, dienst, toezichthouder en andere persoon, belast met de opsporing van strafbare feiten, onderscheidenlijk het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, indien bij regeling van Onze Minister is bepaald dat verstrekking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een aan dat bestuursorgaan, die dienst, die toezichthouder of die andere persoon opgedragen taak,

b. een buitenlandse instelling, indien het gaat om gegevens of inlichtingen die van betekenis zijn of kunnen zijn voor de uitoefening van de taak van die buitenlandse instelling en die buitenlandse instelling op grond van nationale wettelijke regels is belast met de toepassing van regels op dezelfde gebieden als waarop de taken, bedoeld in artikel 2, tweede lid, betrekking hebben, of

c. degene op wie de gegevens of inlichtingen betrekking hebben voor zover deze gegevens of inlichtingen door of namens hem zijn verstrekt.

4. ACM heeft het bestreden besluit genomen op grond van de Iw. Dit brengt op grond van artikel 8:7, derde lid, van de Awb, in samenhang met artikel 7 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, mee dat de rechtbank bevoegd is van het beroep kennis te nemen.

5. Zoals de rechtbank heeft overwogen in haar uitspraak van 13 mei 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:3381) bevat artikel 7 van de Iw een bijzondere openbaarmakingsregeling die voorgaat op de Wob. Nu de door eiseres verzochte gegevens verband houden met enige werkzaamheid van ACM ten behoeve van de uitvoering van een haar bij of krachtens de wet opgedragen taak als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Iw, heeft ACM terecht het geheimhoudingsregime van artikel 7 van de Iw van toepassing geacht.

6. ACM heeft gesteld dat de documenten waarop het verzoek ziet niet bij haar berusten. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze mededeling. Uit de stukken blijkt dat de gevraagde gegevens berusten bij de Bundesnetzagentur (BNetzA) en dat deze bij brief van 3 februari 2015 heeft meegedeeld de door eiseres gevraagde gegevens niet aan ACM te zullen verstrekken. ACM heeft zich in het bestreden besluit dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de gegevens reeds daarom niet aan eiseres kunnen worden verstrekt of openbaar kunnen worden gemaakt.

7. Voor zover eiseres stelt dat ACM over de gevraagde informatie zou moeten beschikken omdat ACM alleen dan op een houdbare wijze tot haar besluitvorming in het kader van het Methodebesluit kan komen, overweegt de rechtbank dat deze stelling in een eventuele procedure in het kader van het door ACM op grond van artikel 81 van de Gaswet vast te stellen Methodebesluit naar voren kan worden gebracht.

8. De rechtbank overweegt voorts nog ten overvloede dat, indien ACM wel over de gevraagde documenten zou beschikken, artikel 7, eerste lid, van de Iw in de weg zou staan aan verstrekking daarvan. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 13 mei 2015, heeft ACM op grond van artikel 7 van de Iw een geheimhoudingsplicht die ook betrekking heeft op verzoeken “van buiten” om openbaarmaking.

9. Ook het beroep van eiseres op artikel 12w van de Iw slaagt niet. In artikel 12w, eerste lid, van de Iw is bepaald dat ACM andere documenten die door haar of in haar opdracht zijn vervaardigd voor de uitvoering van de aan haar bij of krachtens de wet opgedragen taken, openbaar kan maken. De door eiseres gevraagde documenten vallen niet onder artikel 12w, eerste lid, van de Iw nu deze documenten niet door ACM of in haar opdracht zijn vervaardigd, maar afkomstig zijn van de BNetzA.

10. ACM heeft het verzoek van eiseres dan ook terecht afgewezen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. A. van Gijzen en mr. E. Lunenberg, leden, in aanwezigheid van mr. M. Traousis - van Wingaarden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.