Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2321

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
01-04-2016
Zaaknummer
ROT 15/4806
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/4806

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van [plaats] , verweerder,

gemachtigde: mr. A.M. van Marrewijk.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het

verzoek van eiseres om herziening van het besluit van 20 juni 2013 afgewezen.

Bij besluit van 22 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres

ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2016. Eiseres is verschenen. Verweerder is met kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 20 juni 2013 heeft verweerder een aanvraag van eiseres om

uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen, omdat haar inkomen

hoger is dan de bijstandsnorm. Hierbij is rekening gehouden met maandelijkse inkomsten uit de verhuur van een woning in [woonplaats] (€ 1.350,-) en inkomsten uit een beleggingsrekening van de ING (€ 382,-). Bij besluit op bezwaar van 24 oktober 2013 heeft verweerder deze afwijzing gehandhaafd. Bij uitspraak van 24 juli 2014 heeft deze rechtbank het beroep daartegen ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBROT:2014:6144). Tegen deze uitspraak heeft eiseres hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep loopt nog.

2. Op 22 augustus 2014 is aan eiseres een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2013 (aanslag) opgelegd.

Onder verwijzing naar deze aanslag heeft eiseres op 10 december 2014 aan verweerder verzocht om herziening van het besluit van 20 juni 2013. Bij het primaire besluit, zoals gehandhaafd in bezwaar, heeft verweerder onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit verzoek afgewezen op de grond dat de aanslag niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid. Daarbij heeft verweerder onder verwijzing naar de uitspraak tussen partijen van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 21 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1289) in aanmerking genomen, dat niet moet worden uitgegaan van het fiscale inkomensbegrip, maar van het inkomensbegrip zoals neergelegd in de Wwb.

3. Eiseres betoogt, kort weergegeven, dat de aanslag een nieuw gebleken feit is op grond waarvan een verzoek om herziening van het besluit waarbij de aanvraag om bijstand is afgewezen, gerechtvaardigd is. Uit de aanslag blijkt dat de inkomsten uit de verhuur van de woning en de inkomsten uit de belegging niet in het fiscale inkomen zijn begrepen. Verweerder dient hiervan uit te gaan, omdat het een authentiek inkomensgegeven is als bedoeld in de artikelen 21 tot en met 21k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. In de uitspraak van 21 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1289) heeft de Raad ten aanzien van zowel de feiten als het recht gedwaald, aldus eiseres. Eiseres betoogt voorts dat nu de maandelijkse opbrengsten ten onrechte als inkomen in plaats van als vermogen worden aangemerkt, zij inteert op haar vermogen, waardoor in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) inbreuk wordt gemaakt op haar eigendomsrecht. Ter zitting heeft eiseres onder meer benadrukt eraan te hechten dat de rechter nu eens goed onderzoekt of haar maandelijkse opbrengsten als inkomen of als vermogen moeten worden aangemerkt.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is, indien na een geheel of

gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager

gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. In het tweede

lid is bepaald dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden

worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag

kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.2.

Op een verzoek om terug te komen van een eerder besluit is artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Indien het bestuursorgaan het eerdere besluit tot afwijzing van de aanvraag om uitkering handhaaft, kan dit niet de weg openen naar een toetsing door de bestuursrechter als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, is voor inhoudelijke toetsing geen plaats.

4.3.

In dit geding staat ter beoordeling het besluit van verweerder tot afwijzing van het verzoek van eiseres om terug te komen van een eerder besluit. Bij deze beoordeling geldt het in 4.2 geschetste toetsingskader. De rechtbank zal zich moeten beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of verweerder daarin aanleiding had behoren te vinden om het besluit van 20 juni 2013 te herzien. Voor het door eiseres ter zitting bepleite onderzoek naar de kwalificatie van opbrengsten als inkomen of vermogen bestaat slechts zeer beperkt ruimte.

5.1.

Uit een uitspraak van de Raad van 25 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:585), in een geding tussen eiseres en het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] , blijkt dat de Raad de hypothecaire financiering van de woning van eiseres heeft onderzocht. Daarbij is de Raad tot de slotsom gekomen dat de maandelijkse ontvangsten door eiseres van € 382,- uit de verkoop van participaties in het obligatiefonds, voor de toepassing van de Wwb moeten worden aangemerkt als inkomsten. De Raad heeft daarbij de uitspraak van deze rechtbank van 27 september 2012 waarin tot een overeenkomstig oordeel was gekomen, bevestigd.

Blijkens een uitspraak van de Raad van 21 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1289) op een hoger beroep tegen een uitspraak van deze rechtbank van 7 november 2013 in een geding tussen partijen over onder meer een besluit op bezwaar van verweerder van 20 december 2012, is de Raad over de maandelijkse ontvangsten tot een zelfde oordeel gekomen. Daarbij is verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 25 februari 2014. In de uitspraak van 21 april 2015 heeft de Raad voorts geoordeeld over de maandelijks door eiseres ontvangen huurpenningen. Daarbij is de Raad tot de slotsom gekomen dat deze voor de toepassing van de Wwb moeten worden aangemerkt als inkomsten. De Raad heeft in dat verband onder meer overwogen: “De Rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat niet van het door de Belastingdienst op basis van de fiscale wetgeving gehanteerde inkomensbegrip moet worden uitgegaan, maar van de regeling met betrekking tot inkomen zoals neergelegd in de WWB.(…) Voor de door appellante bepleite andere benadering, die is ingegeven door het fiscale recht en de fiscale wetgeving, is geen plaats.” Het standpunt van verweerder in het besluit van 20 december 2012 over de kwalificatie van de maandelijkse ontvangsten van eiseres is gevolgd.

5.2.

Uit hetgeen boven is overwogen volgt dat de door eiseres aan haar verzoek ten grondslag gelegde voorlopige aanslag over 2013 een herhaling is van het eerder door haar in bezwaar en beroep verdedigde standpunt, dat haar maandelijkse ontvangsten uit verhuur en uit de aan haar hypotheek verbonden beleggingsrekening op grond van het fiscale recht voor de toepassing van de Wwb niet als inkomsten zouden mogen worden aangemerkt. In zoverre kan het vermeend aan de voorlopige aanslag ten grondslag liggende standpunt dat de maandelijkse ontvangsten volgens het fiscale recht zouden moeten worden aangemerkt als vermogen, niet als een nieuw gebleken feit worden aangemerkt. In een (niet gepubliceerde) uitspraak van deze rechtbank van 5 juni 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:3876) in een geding tussen eiseres en het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] , waarin eiseres de (definitieve) aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2013 als nieuw gebleken feit had gesteld, is deze rechtbank tot eenzelfde oordeel gekomen.

5.3.

Voor zover over het gestelde in 5.2 al anders geoordeeld zou kunnen worden omdat de aanslag als zodanig als een nieuw gebleken feit zou kunnen worden aangemerkt (vergelijk de uitspraak van de Raad van 13 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3134), overweegt de rechtbank ter voorlichting van partijen en voor de beslissing van dit geding ten overvloede dat gelet op hetgeen in 4.2 tot en met 5.1 is overwogen verweerder in de aanslag geen aanleiding had behoren te vinden om het besluit van 20 juni 2013 te herzien.

5.4.

Het betoog van eiseres dat de Raad in de uitspraak van 21 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1289) zowel ten aanzien van de feiten als ten aanzien van het recht heeft gedwaald, wat daar verder ook van zij, kan gelet op het in 4.2 geschetste toetsingskader in dit geding niet in de beoordeling worden betrokken. Dit betoog faalt.

5.5.

Uit hetgeen boven is overwogen volgt voorts dat het betoog van eiseres niet kan slagen dat verweerders besluitvorming in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Dit betoog had eiseres in bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2013 naar voren kunnen brengen. Het is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

6. Op 10 februari 2015 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld omdat niet tijdig zou zijn beslist op het herzieningsverzoek van 10 december 2014. In beroep heeft eiseres onder verwijzing naar artikel 4:19 van de Awb betoogd, dat het beroep moet worden geacht mede gericht te zijn tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de ingebrekestelling.

Dit betoog kan niet slagen. Artikel 4:19, eerste lid, van de Awb luidt: “Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag heeft mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.” Op grond van artikel 4:18 van de Awb is het aan verweerder om de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast te stellen. Niet is gebleken dat verweerder dat heeft gedaan of dat eiseres tegen het uitblijven daarvan beroep heeft ingesteld. Het beroep kan daarom geen betrekking hebben op het gestelde met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de ingebrekestelling. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3610). Voor dit geding ten overvloede wijst de rechtbank erop dat verweerder op 19 februari 2015 op het herzieningsverzoek heeft beslist. Omdat verweerder binnen de termijn van twee weken als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb heeft beslist, is ook geen dwangsom verschuldigd.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. C.A. Schreuder en

mr. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.