Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2319

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
01-04-2016
Zaaknummer
ROT 15/4333
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/4333

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] , verweerder,

gemachtigde: mr. L.J. van Es-Bel.

Procesverloop

Bij brief van 21 januari 2015 heeft verweerder eiseres bericht dat haar uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) conform de jaaropgave 2011 is uitbetaald, zodat er geen recht is op nabetaling.

Bij besluit van 3 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2016, samen met het onderzoek in de zaken met de zaaknummers ROT 15/390, ROT 15/2609, ROT 15/2684, ROT 15/2842, ROT 15/3261, ROT 15/3262, ROT 15/3263, ROT 15/3306, ROT 15/3520, ROT 15/3692, ROT 15/3865, ROT 15/3895, ROT 15/4134, ROT 15/4136, ROT 15/4473, ROT 15/4578, ROT 15/4635, ROT 15/4703, ROT 15/5106, ROT 15/5172, ROT 15/5280, ROT 15/5414, ROT 15/5451, ROT 15/6027 ROT 15/6065, ROT 15/6564 en ROT 15/6655.

Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J. van Es-Bel en mr. S. Yavuzyiğitoğlu.

In de zaken met andere zaaknummers dan ROT 15/4333 wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Bij besluit van 21 september 2010 heeft verweerder eiseres een uitkering toegekend op grond van het Bbz, die op 23 juni 2011 is geëindigd. Op 22 december 2014 heeft eiseres bij verweerder een verzoek om nabetaling ingediend in verband met een volgens haar niet uitbetaald deel van de Bbz-uitkering. Eiseres baseert zich hierbij op de jaaropgave 2011 die zij van verweerder heeft ontvangen.

Bij brief van 21 januari 2015 heeft verweerder eiseres bericht dat zij conform de jaaropgave 2011 de Bbz-uitkering uitbetaald heeft gekregen, zodat er geen recht is op nabetaling. De jaaropgave 2011 is correct en er hoeft geen gecorrigeerde jaaropgave te worden verstrekt, aldus verweerder.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de brief van
21 januari 2015 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het bezwaar van eiseres daartegen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3. Eiseres betoogt, kort weergegeven, dat de bedragen die verweerder over het jaar 2011 in het kader van haar Bbz-uitkering heeft uitbetaald niet overeenkomen met het netto uit te betalen bedrag dat volgt uit de jaaropgave 2011. Op grond daarvan stelt eiseres recht te hebben op een nabetaling van € 568,71,-. Gelet op het besluit waarbij eiseres de Bbz-uitkering toegekend heeft gekregen is met de afwijzing van haar verzoek om nabetaling sprake van het nalaten van daaruit voortvloeiende handelingen als bedoeld in artikel 79 van de Wet werk en bijstand (Wwb), zodat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, aldus eiseres.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4. Ter zitting heeft verweerder, onder verwijzing naar recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), het standpunt ingenomen dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op de grond dat eiseres misbruik maakt van het recht om beroep in te stellen. Verweerder heeft daartoe gewezen op de tientallen beroepschriften, bezwaarschriften, ingebrekestellingen en verzoeken om een dwangsom van eiseres. Eiseres heeft in reactie hierop gesteld dat zij zich niet goed tegen dit standpunt kan verweren. Zij heeft zich daarop niet kunnen voorbereiden omdat verweerder dit pas ter zitting naar voren heeft gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partij omtrent hetgeen in geschil is, het betoog van misbruik van recht eerder naar voren had behoren te brengen. Dit betoog zal de rechtbank daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3752).

5.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden en is de Wwb komen te vervallen. Nu na 1 januari 2015 bezwaar is gemaakt dient, met het oog op het overgangsrecht in artikel 78z, eerste en vierde lid, van de Participatiewet, op dit beroep te worden beslist met toepassing van de Participatiewet, met inachtneming van de rechten en plichten zoals deze golden in de periodes waar het beroep betrekking op heeft.

5.2.

Op grond van artikel 79 van de Participatiewet, voor zover hier van belang, wordt voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb met een besluit gelijkgesteld het nalaten van een handeling die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening van bijstand of het verrichten van een handeling die afwijkt van dat besluit.

5.3.

Eiseres heeft verweerder verzocht om een nabetaling van haar Bbz-uitkering over het jaar 2011, omdat het totaalbedrag van de in dat jaar ontvangen betalingen volgens haar niet strookt met het netto uit te betalen bedrag zoals dat blijkt uit de jaaropgave 2011 die zij van verweerder heeft ontvangen. In haar beroepschrift heeft eiseres aan de hand van nadere stukken gespecificeerd toegelicht om welke bedragen het daarbij gaat.

5.4.

Zoals ter zitting door verweerder nader is toegelicht is aan het bestreden besluit de overweging ten grondslag gelegd dat op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep de weigering om een jaaropgave te herzien niet kan worden aangemerkt als een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

5.5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek van eiseres om nabetaling ten onrechte heeft opgevat als een verzoek om herziening van de jaaropgave 2011. Het verzoek van eiseres zag op de uitvoering van het besluit tot toekenning van de Bbz-uitkering, waarvan eiseres meende dat de uitvoering over het kalenderjaar 2011 niet volledig was geweest. De juistheid van de jaaropgave 2011 heeft zij in haar verzoek niet betwist.

5.6.

Hieruit volgt dat de brief van verweerder van 21 januari 2015 een handeling betreft die op grond van artikel 79 van de Participatiewet met een besluit gelijk moeten worden gesteld. Het bezwaarschrift van eiseres van 2 maart 2015 was dus gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en had om die reden door verweerder ontvankelijk geacht moeten worden. Nu dat niet is gebeurd, zal de rechtbank het bestreden besluit, onder gegrondverklaring van het beroep, vernietigen. Aangezien er niet voldoende gegevens voorhanden zijn om de zaak inhoudelijk te kunnen beoordelen, zal de rechtbank verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

6. In beroep heeft eiseres onder verwijzing naar artikel 4:19 van de Awb betoogd dat het beroep moet worden geacht mede gericht te zijn tegen het besluit van verweerder van 10 juni 2015 waarin verweerder het verzoek om toekenning van een dwangsom heeft afgewezen.

Dit betoog kan niet slagen. Volgens artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. In artikel 4:19, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking heeft op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Op 29 mei 2015 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld omdat niet tijdig zou zijn beslist op het bezwaarschrift van 2 maart 2015. Op 3 juni 2015 is het bestreden besluit genomen en op 10 juni 2015 is het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen. Dit brengt met zich dat binnen de termijn van twee weken als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is beslist, zodat verweerder geen dwangsom is verschuldigd. Het feit dat het bestreden besluit in deze uitspraak wordt vernietigd kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat dit er niet aan afdoet dat verweerder, bezien naar het tijdstip van de ingebrekestelling, binnen de termijn van twee weken heeft beslist. Het beroep tegen het besluit van 10 juni 2015 is ongegrond.

7. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond en de rechtbank vernietigt dit besluit.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 11,10 voor reiskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 juni 2015 ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 11,10.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. C.A. Schreuder en

mr. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.