Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2274

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
15_2299
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderopvangtoeslag. Mogelijke fraude met DigiD. Gelet op de omstandigheden is de aanvraag kinderopvangtoeslag niet aan eiser toe te rekenen en heeft verweerder ten onrechte het reeds aan een derde uitbetaalde voorschot bij eiser teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-1676
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 15/2299

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde] .

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het voorschot kinder-opvangtoeslag over het berekeningsjaar 2013 herzien naar nihil en bepaald dat eiser de te veel ontvangen voorschotten van € 13.858,- dient terug te betalen.

Bij besluit van 2 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 31 juli 2015 heeft verweerder het bestreden besluit aangevuld met een nadere motivering.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het door eiser ingediende beroep mede gericht geacht tegen het besluit van 31 juli 2015.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op naam van eiser en met behulp van zijn DigiD-code op 21 februari 2013 een digitale aanvraag voor kinderopvangtoeslag is ingediend. De kinderopvangtoeslag is vervolgens op de rekening van een derde overgemaakt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat een derde onrechtmatig toegang heeft gekregen tot zijn inloggegevens en dat dit niet aan hem te wijten is, zodat eiser verantwoordelijk is voor de aanvraag en hij de te veel uitbetaalde voorschotten dient terug te betalen.

3. Eiser voert hiertegen aan dat de aanvraag hem niet kan worden toegerekend, omdat hij slachtoffer is van identiteitsfraude. Een derde heeft door middel van een door hem aan-gemaakte DigiD een aanvraag op naam van eiser ingediend, zonder dat eiser hiervan op de hoogte was. Eiser heeft hiervan aangifte bij de politie gedaan. Nu de aanvraag dubieus was, had verweerder nooit zonder nader onderzoek tot uitbetaling over mogen gaan, aldus eiser.

4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser over het jaar 2013 geen recht op kinderopvangtoeslag heeft. Ook is niet in geschil dat de kinderopvang-toeslag aan een derde is overgemaakt.

5. In geschil is of verweerder de aanvraag kinderopvangtoeslag, op grond van de beschikbare gegevens, aan eiser heeft mogen toerekenen.

Op 21 februari 2013 heeft verweerder een digitale aanvraag kinderopvangtoeslag op naam en adres van eiser ontvangen. Voor het indienen van een dergelijke aanvraag is vereist dat deze door de aanvrager met zijn DigiD wordt ondertekend. DigiD is een persoonlijke inlog-code, voorzien van een wachtwoord, waarmee een persoon zich kan identificeren op web-sites van de overheid.

Nu de aanvraag op naam en adres van eiser is gedaan, moet het er in beginsel voor worden gehouden dat de aanvraag door eiser is ingediend, of dat de aanvraag is ingediend door een derde aan wie hij zijn inloggegevens ter beschikking heeft gesteld. Nu de gebruikersnaam en het wachtwoord voor de DigiD strikt persoonlijk zijn, is de aanvraag ook in dat laatste geval aan eiser toe te rekenen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 12 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2557).

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige situatie de aanvraag niet aan eiser is toe te rekenen. Het kan immers niet categorisch uitgesloten worden geacht dat een derde door middel van een door hem aangemaakte DigiD een aanvraag op naam van eiser heeft ingediend, zonder dat eiser hiervan op de hoogte was. Andere gevallen van deze vorm van identiteitsfraude en –misbruik zijn bekend. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ8406). Verweerder heeft weliswaar ter zitting aangevoerd dat sinds 2011 geen sprake meer is van een lek in het DigiD-systeem, maar dit valt niet te rijmen met de vaststelling door diverse overheden dat ook in 2013 met behulp van identiteitsfraude (het hacken van iemands digitale identiteit) toeslagen op naam van onwetende derden zijn aangevraagd.

De rechtbank oordeelt bovendien dat verweerder in het onderhavige geval redelijkerwijs had moeten twijfelen aan de juistheid van de aanvraag. Zij overweegt daartoe het volgende. De kinderopvangtoeslag is op 21 februari 2013 – met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2013 – aangevraagd voor drie kinderen met verschillende achternamen ( [naam] , [naam] en [naam] ), dit terwijl eiser een alleenstaande man zonder kinderen is. Het is daarbij extra opvallend dat het verschil in leeftijd tussen de twee jongste kinderen nog geen negen maanden is. Volgens de aanvraag zouden de kinderen elk 230 uur per maand – veel meer dan het maximum aantal opvanguren per kind – naar de buitenschoolse opvang Satu aan de Strandweg in Hoek van Holland gaan, terwijl eiser in Rotterdam woont en werkt. Eiser werkt als application architect bij [bedrijf] . Uit de door eiser overgelegde jaaropgaven blijkt dat hij sinds 2010 een stabiel jaarinkomen van circa € 50.000,- heeft. Het is dan ook opmerkelijk dat in de aanvraag een inkomen van € 16.300,- per jaar is opgenomen, dat bovendien niet in verhouding staat tot het totaalbedrag van de toegekende kinderopvangtoeslag van € 33.514,- per jaar. Bovendien diende de kinderopvangtoeslag te worden overgemaakt op de rekening van een derde. Op grond van al deze omstandigheden was de aanvraag dusdanig onwaarschijnlijk dat het in het onderhavige geval op de weg van verweerder lag om nader onderzoek te doen alvorens al omstreeks 21 maart 2013 (binnen vier weken na de aanvraag) een voorschot uit te keren van een omvang als hier aan de orde. Dit knelt temeer nu uit de stukken volgt dat verweerder reeds op 18 april 2014 ambtshalve – niet op verzoek van eiser – heeft besloten tot opschorting van de uitbetaling van de voorschotten, kennelijk (blijkens een aantekening in het dossier) “naar aanleiding van actie handhavingsregie rode lijst”.

Gelet op het voorgaande is de aanvraag kinderopvangtoeslag niet aan eiser toe te rekenen en heeft verweerder ten onrechte het reeds aan een derde uitbetaalde voorschot bij eiser teruggevorderd.

De rechtbank overweegt ten overvloede nog dat eisers vraag (gesteld tijdens de hoorzitting) of het rekeningnummer waarop de kinderopvangtoeslag is gestort vaker is gebruikt voor fraude (met toeslagen) door verweerder niet is beantwoord. Dit laat de mogelijkheid open dat het betreffende rekeningnummer inderdaad bij verweerder bekend is als “risico-rekeningnummer” en laat ook de mogelijkheid open dat verweerder al ten tijde van de uitbetaling van de eerste voorschotten omstreeks 21 maart 2013 op de hoogte was van dit risico, hetgeen zij in dat geval had moeten meewegen bij de vraag of in het onderhavige geval tot betaling van de voorschotten had moeten worden overgegaan.

6. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. Voorts ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), voor de door een derde beroepsmatig verleende rechts-bijstand, vast op € 744,- (0,5 punt voor het indienen van de beroepsgronden en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Ten aanzien van de gevraagde verletkosten, overweegt de rechtbank dat artikel 1, aanhef en onder d, van het Bpb bepaalt dat een veroordeling in de verletkosten uitsluitend betrekking kan hebben op het tijdsverzuim van een partij of een belanghebbende voor het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis. De verletkosten voor het bijwonen van de zitting door eiser worden door de rechtbank begroot op € 102,48. Ten slotte zal de rechtbank het verzoek tot vergoeding van verschotten ad € 15,90 integraal toewijzen.

9. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de overige door eiser gestelde kosten, zijnde reiskosten, nu artikel 1, aanhef en onderdeel c, van het Bpb bepaalt dat een veroordeling in de reiskosten uitsluitend betrekking kan hebben op de reis-kosten van een partij of een belanghebbende voor het bijwonen van de zitting.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen twaalf weken een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt, en

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 862,38.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van mr. E.L. Bamberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.