Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2223

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
ROT 15/967
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boetebesluit. Verweerder heeft niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden en was dus niet bevoegd om een boete op te leggen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 18a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/967

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te Schiedam, eiseres,

gemachtigde: mr. N. Roos,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 14 april 2014 (het primaire besluit), waarbij aan eiseres een bestuurlijke boete is opgelegd, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.E. Stout, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft bij beslissing van 16 oktober 2015 het onderzoek heropend en het beroep voor verdere behandeling verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Bij brief van 3 november 2015 heeft verweerder stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Bij brief van 2 februari 2016 heeft verweerder desgevraagd aanvullend verweer gevoerd.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 11 maart 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.E. Stout, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wwb gewijzigd en vernoemd tot Participatiewet. Uit het daarbij gegeven overgangsrecht volgt dat dit geding wordt beoordeeld naar het voor die datum geldende recht.

Artikel 18a, eerste lid, van de Wwb bepaalt dat het college een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

2. Bij besluit van 20 maart 2014 heeft verweerder de aan eiseres toegekende bijstand naar de norm van een alleenstaande over de periode van 1 september 2013 tot en met

31 januari 2014 ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, van de Wwb, omdat eiseres niet heeft voldaan aan het verplichting om alle inlichtingen te verstrekken die nodig zijn om het recht op bijstand vast te stellen. Tevens heeft verweerder de over deze periode te veel betaalde bijstand tot een bedrag van € 4.503,32 (bruto) van eiseres teruggevorderd.

Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is door verweerder bij beslissing van 29 juli 2014 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juni 2015, zaaknummer: ROT 14/5375, heeft de rechtbank het beroep van eiseres ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiseres hoger beroep ingesteld.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd. Aan de boete heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres zich niet aan de inlichtingenplicht heeft gehouden omdat zij opgevraagde gegevens niet heeft verstrekt en zij hierdoor te veel uitkering heeft ontvangen. De boete is vastgesteld op € 3.670,68, zijnde het bedrag dat eiseres netto te veel aan uitkering heeft ontvangen.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en daartoe - samengevat - overwogen dat de door eiseres overgelegde verklaringen niet deugdelijk en verifieerbaar zijn, dat het feitelijk bestaan van de schulden niet aannemelijk is geworden, terwijl ieder bewijs ontbreekt over hoe eiseres in haar levensonderhoud heeft voorzien. Er is sprake van een objectieve schending van de inlichtingenplicht, terwijl eiseres van deze schending ook subjectief een verwijt kan worden gemaakt. Met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754, stelt verweerder dat er voldoende aanknopingspunten aanwezig zijn voor opzet. Daartoe wordt van belang geacht dat de stortingen en de wijze waarop eiseres in haar levensonderhoud heeft voorzien onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand. Een boete van 100% van het netto benadelingsbedrag wordt aangewezen geacht.

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij wel de informatie heeft verstrekt die van belang is voor het vaststellen van het recht op uitkering en/of de hoogte ervan. Voor zover daarvan geen sprake zou zijn, meent eiseres dat geen sprake is van opzet of grove schuld, zodat een matiging van de boete is aangewezen.

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2451), met de onherroepelijkheid van intrekkings- en terugvorderingsbesluiten weliswaar vaststaat dat ten onrechte uitkering is verstrekt en dat hetgeen ten onrechte is verstrekt moet worden terugbetaald, maar dat dit niet met zich brengt dat daarmee vast staat dat een boetewaardige gedraging is verricht. Dit heeft ook te gelden als het intrekkings- en terugvorderingsbesluit nog niet onherroepelijk is, zoals hier het geval is. In dit geding is de schending van de inlichtingenverplichting dus geen vaststaand gegeven.

6.2.

Verder geldt op grond van vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 augustus 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2827), dat bij een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenplicht, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als uitgangspunt dat op het bestuursorgaan dat de boete oplegt, de bewijslast rust ten aanzien van de feiten op basis waarvan een overtreding van de inlichtingenplicht is geconstateerd. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund (overweging 4.8.3 van het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2511).

6.3

Uit de aan het boetebesluit ten grondslag liggende rapportage van 14 april 2014 blijkt dat de feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan de herziening en terugvordering, eveneens de grondslag zijn van het primaire en bestreden besluit. Uit de stukken die aan de herziening en terugvordering ten grondslag zijn gelegd, blijkt dat de aanleiding voor het onderzoek was gelegen in de anonieme melding dat eiseres in een winkel werkt en daaruit inkomsten uit arbeid heeft. Van dergelijk inkomsten is in het onderzoek door verweerder geen bewijs naar voren gekomen, terwijl uit de stukken ook niet blijkt dat er concreet onderzoek naar is gedaan of verzoekster werkt en daaruit inkomsten heeft. Het onderzoek heeft zich beperkt tot het opvragen van bankafschriften, waarna vervolgens eiseres is verzocht om een verklaring van op de bankafschriften zichtbare betalingen en de ontbrekende uitgaven voor de dagelijkse levensbehoeften. Eiseres heeft desgevraagd steeds haar medewerking verleend en gereageerd op verzoeken om stukken en daarbij onder meer verklaringen van twee van haar zoons en bankafschriften van één van deze zoons overgelegd. Uit de rapportage van 14 februari 2014 blijkt dat de rapporteur de verklaring van eiseres over hoe zij in haar levensonderhoud heeft voorzien, niet aannemelijk acht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee echter niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden.

6.4.

Gelet hierop bestaat er voor verweerder geen bevoegdheid om aan eiseres een boete op te leggen. Het beroep van eiseres is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.232, - (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 496, - en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het primaire besluit wordt herroepen;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 45, - vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.232, -, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, rechter, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.