Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2169

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
10/711066-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is na een avond stappen onder invloed van alcohol met twee vrienden achterin de laadbak van een pick up truck gaan rijden. Beide slachtoffers zijn vervolgens uit de laadbak gevallen waarna een van de slachtoffers is komen te overlijden.

De rechtbank gaat boven de eis van de officier van justitie uit door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/711066-15

Datum uitspraak: 22 maart 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] [woonplaats] ,

raadsman mr. C.W. Simonis, advocaat te Naaldwijk.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 08 maart 2016.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1. primair (doodslag) en 2. primair (poging tot doodslag) ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1. subsidiair (mishandeling, de dood ten gevolge hebbend), 2. subsidiair (mishandeling) en 3 (rijden onder invloed) ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 177 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering (feit 1. primair en feit 2. primair)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1. primair (doodslag) en 2. primair (poging tot doodslag) ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering (feit 3)

Het onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewijswaardering (feit 1. subsidiair en feit 2. subsidiair)

4.3.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aan de hand van zijn op schrift gestelde pleidooi aangevoerd dat het onder 1. subsidiair (mishandeling, de dood ten gevolge hebbend) en 2. subsidiair (mishandeling) niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de getuigen uiteenlopen, dan wel niet bruikbaar zijn voor het bewijs, alsmede dat het technisch onderzoek onvoldoende overtuigend bewijs oplevert en er geen sprake is van opzet.

De raadsman betwist niet:

  • -

    dat de verdachte alcohol heeft genuttigd en vervolgens een motorrijtuig heeft bestuurd;

  • -

    dat de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich tijdens die rit in de laadbak bevonden;

  • -

    dat die laadbak niet was ingericht voor het vervoer van personen;

  • -

    dat de verdachte van de ene weghelft naar de andere weghelft heeft gestuurd.

De raadsman heeft betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich slapend, dan wel liggend in de laadbak bevonden vanaf het moment waarop de verdachte ging rijden tot aan het moment dat zij eruit vielen.

De vraag of de stuurbewegingen – zoals in de tenlastelegging gesteld – “abrupt” zijn geweest, bevat een subjectieve component. Op grond van het technisch onderzoek kan niet bewezen worden dat sprake is geweest van abrupte stuurbewegingen. Welke bochten de verdachte precies heeft gemaakt, is immers tijdens het technisch onderzoek niet vastgesteld.

Verder is niet te bewijzen dat de verdachte zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast. Blijkens het technisch onderzoek is immers de gereden snelheid niet vast te stellen en kunnen ook de wijze waarop en de snelheid waarmee de bochten zijn gemaakt, niet worden vastgesteld.

Uit het technisch onderzoek kan niet worden afgeleid hoe de slachtoffers uit de laadbak van de pickup truck zijn gevallen. De raadsman heeft aangevoerd dat om die reden niet wettig en overtuigend is bewezen dat er een causaal verband bestaat tussen de stuurbewegingen en de val van de slachtoffers uit de laadbak. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat dat de slachtoffers tijdens de rit wakker waren en plezier hebben gehad. Dit kan (mede) hebben geleid tot een val uit de laadbak. In dat geval is er geen sprake van een vorm van (voorwaardelijk) opzet aan de kant van verdachte, maar van gezamenlijke baldadigheid of ongein.

4.3.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat de verdachte veel meer alcohol had gedronken dan hem als beginnend bestuurder was toegestaan en dat hij desalniettemin is gaan rijden met de pickup truck. Hij wist dat zijn beide vrienden achter in de laadbak van de wagen op een matras lagen te slapen na een lange nacht uitgaan en dat de laadklep open was. Hij heeft redelijkerwijze moeten beseffen dat zij hun nachtrust wilden voortzetten. Hij wist dat de laadbak van de pickup truck niet was ingericht voor het vervoer van personen; er waren voor de inzittenden van de laadbak nauwelijks mogelijkheden om zich vast te houden. De matras die in de laadbak lag, maakte de feitelijke diepte van die laadbak bovendien aanzienlijk kleiner.

[getuige 1] verplaatste zijn auto naar een andere parkeerplaats omdat de verdachte hem en de slapende vrienden in die auto lastig viel. Aanvankelijk is de verdachte met de pickup gaan rijden omdat hij de pickup opnieuw in de buurt van de auto van [getuige 1] wilde zetten. Toen besloot hij echter om door te gaan en is hij met de pickup truck een aantal keer heen en weer gereden. Hierbij werd zijn rijgedrag steeds driester: hij reed met aanzienlijke snelheid en maakte daarbij telkens scherpe stuurbewegingen. Resultaat van dit rijgedrag was dat de laadbak van de pickup truck heen en weer ging en steeds scherper overhelde. Verdachte moet zich er toen van bewust zijn geweest dat hij de beide passagiers in de laadbak in gevaar bracht, of zij nog sliepen of niet. Bij de politie heeft hij zelfs verklaard dat hij er tijdens de rit wel gevaar in zag. Aldus heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij uit de laadbak zouden vallen en daardoor pijn of letsel zouden bekomen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn vervolgens daadwerkelijk uit de laadbak gevallen.

Uitgaande van de verklaringen van de verdachte en de getuigen over het rijgedrag van verdachte, de verkeersongevallenanalyse en de plaatsen waar beide slachtoffers zijn gevonden, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijdelings uit de laadbak van de pickup truck zijn geslingerd of gevallen. Dit kwam door de middelpuntvliedende kracht van het voertuig, opgewekt door het maken van scherpe bochten bij (te) hoge snelheid. De politie heeft de precieze snelheid waarmee en de wijze waarop is gereden, niet door middel van technisch onderzoek kunnen vaststellen. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] en van de verdachte zelf maakt de rechtbank echter op dat de verdachte scherpe bochten maakte en daarbij zijn snelheid onvoldoende aanpaste.

De rechtbank kan niet geheel uitsluiten dat in ieder geval [slachtoffer 2] en wellicht ook [slachtoffer 1] tijdens de rit wakker zijn geworden. Nadat zij uit de laadbak waren gevallen, bevonden zij zich immers niet meer in hun slaapzakken. Bovendien verklaren getuigen dat zij zagen dat in ieder geval [slachtoffer 2] zich tijdens de rit enigszins had opgericht. Voor de stelling dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] plezier aan het maken waren en dat dit hun val mede heeft veroorzaakt, ziet de rechtbank echter onvoldoende aanknopingspunten.

De dood van [slachtoffer 1] is het direct gevolg van de grove mechanische geweldsinwerking op de schedel doordat hij met enige snelheid uit het bewegende voertuig is geslingerd en vervolgens op een harde en ruwe ondergrond, te weten de weg, terecht is gekomen. De rechtbank overweegt dat de schouwarts een daadwerkelijk causaal verband heeft gelegd tussen het overlijden van [slachtoffer 1] en het verkeersongeval dat door het handelen van de verdachte heeft plaatsgevonden.

4.3.3.

Conclusie

Het onder 1. subsidiair (mishandeling, de dood ten gevolgde hebbend) en 2. subsidiair (mishandeling) ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank ten aanzien van het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair ten laste gelegde de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Voorts heeft de rechtbank in bijlage III een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt voor dit feit volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde onder 3 heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

(subsidiair)

hij op 11 juli 2015 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door als bestuurder van een motorrijtuig (een pick-up truck) te gaan rijden terwijl hij, verdachte, onder invloed van alcohol verkeerde en waarbij die [slachtoffer 1] zich in de laadbak bevond, terwijl deze laadbak niet was ingericht voor het vervoeren van personen en hij, verdachte, van de aanwezigheid van personen in die laadbak op de hoogte was, en daarbij meermalen, zonder dat daartoe enige aanleiding was telkens plotseling met kracht abrupte stuurbewegingen naar links en naar rechts heeft gemaakt en daarbij zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast, waardoor die [slachtoffer 1] uit de laadbak werd geslingerd of is gevallen en vervolgens op de weg terecht is gekomen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

2.

(subsidiair)

hij op 11 juli 2015 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door als bestuurder van een motorrijtuig (een pick-up truck) te gaan rijden terwijl hij, verdachte, onder invloed van alcohol verkeerde en waarbij die [slachtoffer 2] zich in de laadbak bevond, terwijl deze laadbak niet was ingericht voor het vervoeren van personen en hij, verdachte, van de aanwezigheid van personen in die laadbak op de hoogte was, en daarbij meermalen, zonder dat daartoe enige aanleiding was telkens plotseling met kracht abrupte stuurbewegingen naar links en naar rechts heeft gemaakt en daarbij zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast, waardoor die [slachtoffer 2] uit de laadbak werd geslingerd of is gevallen en vervolgens op de weg terecht is gekomen;

3.

hij op 11 juli 2015 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee, als bestuurder van een motorrijtuig (een pick-up truck), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

4.5.

Nadere bewijsoverweging (feit 3)

Vast staat dat de verdachte op 11 juli 2015 omstreeks 06.00 uur heeft gereden onder invloed van alcohol. Ongeveer 6,5 uur na het ongeval blies de verdachte 210 µg/l. Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut is gebleken dat het alcoholpromillage van de verdachte ten tijde van het besturen van het voertuig tussen 490 en 915 µg/l moet hebben gelegen. Dit promillage staat gelijk aan 7-15 glazen bier. Nu voor de verdachte als beginnend bestuurder een limiet van 88 µg/l geldt, heeft de verdachte deze grens ruimschoots overschreden. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard in totaal ongeveer 8 tot 9 units alcohol te hebben genuttigd alvorens hij die ochtend als bestuurder optrad. De rechtbank stelt vast dat de verdachte heeft gereden met een alcoholpromillage dat heeft gelegen boven de grens van 88 microgram per liter uitgeademde lucht.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

voortgezette handeling van

1. mishandeling terwijl het feit de dood ten gevolge heeft

en

2. mishandeling;

3. overtreding van artikel 8, derde lid aanhef en onder a van de wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft in de vroege ochtend van 11 juli 2015 na terugkomst van een avond stappen gezien dat zijn twee vrienden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op een matras lagen te slapen in de laadbak van de pickup truck die de verdachte van zijn oom had geleend. De verdachte had gedronken en heeft geprobeerd om vrienden die in een naast de pickup truck geparkeerde auto lagen te slapen, wakker te maken door aan deze auto te schudden en de radio hard aan te zetten. De bestuurder van deze auto, [getuige 1] , was hier niet van gediend en heeft zijn auto verplaatst naar een naastgelegen parkeerplaats, om zijn nachtrust te kunnen voortzetten. De verdachte was in een vervelende bui en is de auto waarvan [getuige 1] de bestuurder was, achterna gereden. De rechtbank kan niet vaststellen wat de verdachte bewogen heeft om vervolgens verder te rijden met zijn voertuig. Niet aannemelijk is geworden dat hij dat heeft gedaan om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te amuseren en dat hij door de slachtoffers is aangemoedigd; de rechtbank acht het waarschijnlijker dat ook zij hun nachtrust wilden voortzetten. [slachtoffer 2] heeft bovendien verklaard dat hij gedurende het rijden wakker werd en bang was. Met zijn volkomen onverantwoorde rijgedrag heeft de verdachte opzettelijk zijn beide passagiers in groot gevaar gebracht.

Dit gevaar is werkelijkheid geworden. [slachtoffer 1] heeft bij het ongeluk zijn leven verloren. Aan zijn nabestaanden is hiermee onnoemelijk leed aangedaan. Het verlies van [slachtoffer 1] zullen zij gedurende de rest van hun leven moeten meedragen. Hoe zwaar dit is, bleek wel uit de slachtofferverklaring van de ouders van [slachtoffer 1] op de terechtzitting.

[slachtoffer 2] heeft door de val uit het voertuig ernstig letsel opgelopen. In zijn slachtofferverklaring ter terechtzitting vertelde hij dat hij in zijn werkzaamheden nog steeds wordt gehinderd door het rugletsel dat hij aan het ongeluk heeft overgehouden.

De rechtbank neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat hij – hoewel hij zegt zich verantwoordelijk te voelen voor het ongeluk – een deel van die verantwoordelijkheid afschuift op de slachtoffers, door te zeggen dat hij door hen werd aangemoedigd. Dat laatste vindt de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft gekeken naar het uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 februari 2016, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren eerder is veroordeeld voor een verkeersgerelateerd delict, namelijk voor het rijden onder invloed op een fiets met hulpmotor. De rechtbank vindt het verontrustend dat de verdachte daar niet van heeft geleerd en nu weer onder invloed van alcohol is gaan rijden, ditmaal met een dramatische afloop.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 25 februari 2016. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport. De reclassering adviseert, indien de ernst van het feit het toelaat, de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren op te leggen. Een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf is naar het oordeel van de reclassering niet wenselijk nu dit naar inschatting van de reclassering een averechts effect zal hebben op het emotionele welzijn van de verdachte. Een verplicht reclasseringscontact is naar het oordeel van de reclassering niet geïndiceerd. De verdachte is goed in staat zijn eigen gedrag te organiseren en hij vertoont geen gedrag dat niet past bij zijn leeftijd. De verdachte lijkt een weldenkend persoon te zijn die over het algemeen geen problemen lijkt te hebben op het gebied van impulsbeheersing.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

De rechtbank realiseert zich dat de verdachte op de pleegdatum nog maar negentien jaar oud was. Bij jongemannen in die leeftijdscategorie komt het vaak voor dat zij zich impulsief gedragen en daardoor te grote risico’s nemen. Verder realiseert de rechtbank zich dat de verdachte verder zal moeten leven in de wetenschap dat door zijn toedoen zijn goede vriend [slachtoffer 1] is overleden en zijn goede vriend [slachtoffer 2] gewond is geraakt.

Toch vindt de rechtbank dat de combinatie van een werkstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie voorgesteld, onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in zaken waarbij sprake is van roekeloosheid of schuld in het verkeer, leidend tot een dodelijk ongeval, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet ongebruikelijk is. Het verwijt dat de verdachte te maken valt, gaat nog verder: hij heeft met (voorwaardelijk) opzet gehandeld.

Bij het begaan van de eerste twee feiten heeft de verdachte onder invloed gereden. Het belang van de algemene verkeersveiligheid wordt ermee gediend als de verdachte gedurende een geruime periode niet als bestuurder van een motorvoertuig aan het verkeer deelneemt. Daarom zal de rechtbank hem een ontzegging van de rijbevoegdheid van aanmerkelijke duur opleggen.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen bestelauto (pick-up truck) (Mitsubishi L-200 Double Cab 4wd [kenteken] ) terug te geven aan de rechtmatige eigenaar ( [rechthebbende] ) nadat de zaak onherroepelijk is geworden.

8.2.

Beoordeling

Ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp zal een last worden gegeven tot teruggave aan [rechthebbende] , die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 56, 57, 300 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1. subsidiair en 2. subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden,

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan de rechthebbende eigenaar [rechthebbende] van:

Mitsubishi L-200 Double Cab 4wd met kenteken [kenteken] ;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Havik, voorzitter,

en mrs. I.W.M. Laurijssens en R. Terpstra, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 juli 2015 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee

opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een

pick-up truck) gereden

terwijl hij, verdachte, (in aanmerkelijke mate) onder invloed van alcohol

verkeerde, en

waarbij onder meer die [slachtoffer 1] zich in slapende en/of liggende positie

in de laadbak bevond, terwijl deze laadbak niet was ingericht voor het

vervoeren van personen en hij, verdachte, van de aanwezigheid van personen in

die laadbak op de hoogte was en

daarbij meermalen, althans eenmaal, zonder dat daartoe enige aanleiding was

(telkens) plotseling (met kracht) (een) abrupte stuurbeweging(en) naar links

en naar rechts heeft gemaakt en/of daarbij zijn snelheid niet, althans

onvoldoende heeft aangepast,

waardoor die [slachtoffer 1] uit de laadbak werd geslingerd/geworpen en/of is gevallen en/of

(vervolgens) op de weg terecht is gekomen,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 juli 2015 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee,

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door

als bestuurder van een motorrijtuig (een pick-up truck) te gaan rijden

terwijl hij, verdachte, (in aanmerkelijke mate) onder invloed van alcohol

verkeerde en

waarbij onder meer die [slachtoffer 1] zich in slapende of liggende

positie in de laadbak bevond, terwijl deze laadbak niet was ingericht voor

het vervoeren van personen en hij, verdachte, van de aanwezigheid van personen

in die laadbak op de hoogte was, en

daarbij meermalen, althans eenmaal, zonder dat daartoe enige aanleiding was

(telkens) plotseling (met kracht) (een) abrupte stuurbeweging(en) naar links

en naar rechts heeft gemaakt en/of daarbij zijn snelheid niet, althans

onvoldoende heeft aangepast,

waardoor die [slachtoffer 1] uit de laadbak werd geslingerd/geworpen en/of is gevallen en/of (vervolgens) op de weg terecht is gekomen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

Meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 juli 2015 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee,

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig

is geweest, door

als bestuurder van een motorrijtuig (een pick-up truck) te gaan rijden

terwijl hij, verdachte, (in aanmerkelijke mate) onder invloed van alcohol

verkeerde, en

waarbij onder meer [slachtoffer 1] zich in slapende en/of liggende positie in

de laadbak bevond, terwijl deze laadbak niet was ingericht voor het vervoeren

van personen en hij, verdachte, van de aanwezigheid van personen in die

laadbak op de hoogte was, en

daarbij meermalen, althans eenmaal, zonder dat daartoe enige aanleiding was

(telkens) plotseling (met kracht) (een) abrupte stuurbeweging(en) naar links

en naar rechts heeft gemaakt en/of daarbij zijn snelheid niet, althans

onvoldoende heeft aangepast,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] uit de laadbak werd geslingerd/geworpen en/of is gevallen en/of (vervolgens) op de weg terecht is gekomen,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat voornoemde [slachtoffer 1]

is overleden;

2.

hij op of omstreeks 11 juli 2015 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

als bestuurder van een motorrijtuig (een pick-up truck) heeft gereden

terwijl hij, verdachte, (in aanmerkelijke mate) onder invloed van alcohol

verkeerde en

waarbij onder meer die [slachtoffer 2] zich in slapende en/of liggende

positie in de laadbak bevond, terwijl deze laadbak niet was ingericht voor het

vervoeren van personen en hij, verdachte, van de aanwezigheid van personen in

die laadbak op de hoogte was en

daarbij meermalen, althans eenmaal, zonder dat daartoe enige aanleiding was

(telkens) plotseling (met kracht) (een) abrupte stuurbeweging(en) naar links

en naar rechts heeft gemaakt en/of daarbij zijn snelheid niet, althans,

onvoldoende heeft aangepast,

waardoor die [slachtoffer 2] uit de laadbak werd geslingerd/geworpen en/of is gevallen en/of (vervolgens) op de weg terecht is gekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 juli 2015 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee,

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door

als bestuurder van een motorrijtuig (een pick-up truck) te gaan rijden

terwijl hij, verdachte, (in aanmerkelijke mate) onder invloed van alcohol

verkeerde en

waarbij onder meer die [slachtoffer 2] zich in slapende of liggende

positie in de laadbak bevond, terwijl deze laadbak niet was ingericht voor

het vervoeren van personen en hij, verdachte, van de aanwezigheid van personen

in die laadbak op de hoogte was, en

daarbij meermalen, althans eenmaal, zonder dat daartoe enige aanleiding was

(telkens) plotseling (met kracht) (een) abrupte stuurbeweging(en) naar links

en naar rechts heeft gemaakt en/of daarbij zijn snelheid niet, althans

onvoldoende heeft aangepast,

waardoor die [slachtoffer 2] uit de laadbak werd geslingerd/geworpen en/of is gevallen en/of (vervolgens) op de weg terecht is gekomen;

3.

hij op of omstreeks 11 juli 2015 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee, als

bestuurder van een motorrijtuig (een pick-up truck), dit motorrijtuig heeft

bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte

van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en

onder a van de Wegenverkeerswet 1994, gemeten ongeveer 6,5 uren na als

bestuurder te zijn opgetreden, nog 210 microgram bedroeg, in elk geval hoger

dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl

voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de

datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen

vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30

maart 2002 heeft plaatsgevonden;