Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2142

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
ROT 15/4122
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verklaring rijvaardigheid na fraude door examinator CBR. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 15/4122

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. M. van Viegen,

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder,

gemachtigde: mr. J.H.A. van der Grinten.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de verklaring van rijvaardigheid van eiser ingetrokken.

Bij besluit van 27 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door G.W.A. Sommers, rijexaminator bij het CBR.

Overwegingen

1.1.

Naar aanleiding van anonieme meldingen over fraude door een examinator (hierna: de examinator) in samenwerking met een aantal rijscholen, heeft verweerder medio 2014 nader onderzoek gedaan. Daaruit bleek dat het slagingspercentage voor de examens B-NO (rijbewijs B ‘nader onderzoek’) bij de examinator en de betreffende rijscholen aanzienlijk hoger lag dan bij andere examinatoren en rijscholen. Daarnaast heeft het CBR Hoffman Bedrijfsrecherche ingeschakeld om nader onderzoek naar de examinator te doen. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze onderzoeken heeft verweerder bij de politie aangifte gedaan van valsheid in geschrifte en/of oplichting. Hierop heeft de politie een onderzoek ingesteld naar de aard en omvang van deze strafbare feiten. De resultaten daarvan zijn verwerkt in een bestuurlijke rapportage van 21 januari 2015 (hierna: de rapportage).

1.2.

In de rapportage is vermeld dat de examinator in de periode tussen 1 januari 2011 tot en met 3 oktober 2014, in nauwe en bewuste samenwerking met zes verdachte rijscholen, kandidaten onterecht liet slagen voor het praktijkexamen van het CBR. De kandidaten betaalden tot enkele duizenden euro’s aan de rijschoolhouder en via de rijschoolhouder kreeg de examinator per kandidaat € 500,- om de kandidaat te laten slagen. Volgens de rapportage zijn zes rijscholen hierbij betrokken. Deze zes zijn ook door de examinator genoemd. Ook heeft de politie onderzoek gedaan naar het aantal onterecht geslaagde kandidaten. Dit onderzoek is uiteengezet in een proces-verbaal van 23 januari 2014. De politie heeft indicatoren opgesteld aan de hand waarvan is bepaald in welke gevallen een redelijk vermoeden bestaat dat de kandidaat ten onrechte is geslaagd. Er is een Excelbestand bij het proces-verbaal gevoegd waarin is weergegeven welke indicatoren op welke kandidaten van toepassing zijn. Volgens de politie is er een redelijk vermoeden dat een kandidaat onterecht geslaagd is als, naast de eerste twee indicatoren, minimaal één van de overige indicatoren van toepassing is. Verweerder heeft dit uitgangspunt overgenomen bij zijn beoordeling of voldoende aannemelijk is geworden dat een verklaring van rijvaardigheid destijds ten onrechte is verleend. Verweerder gaat uit van de volgende indicatoren:

  1. De kandidaat heeft rijexamen gedaan bij de verdachte examinator.

  2. De kandidaat heeft rijexamen gedaan via één van de zes verdachte rijscholen.

  3. Er bestaat een grote afstand tussen de woonplaats van de kandidaat en de examenlocatie.

  4. De kandidaat is na vier rijexamens veranderd van rijschool en heeft daarbij gekozen voor een van de verdachte rijscholen.

  5. Aanwezigheid van een proces-verbaal waaruit blijkt dat een kandidaat ten onrechte is geslaagd.

  6. Aanwezigheid van een tapgesprek en/of communicatie met gebruikmaking van sms of WhatsApp waaruit blijkt dat afspraken worden gemaakt over examens tussen de examinator en één van de rijschoolhouders.

2. Verweerder heeft de verklaring van rijvaardigheid van eiser ingetrokken omdat verweerder aannemelijk acht dat deze ten onrechte is afgegeven. Verweerder baseert dit op de conclusies van het politieonderzoek en de toepassing van de indicatoren die aan die conclusies ten grondslag liggen. Volgens verweerder zijn de indicatoren 1,2 en 3 op eiser van toepassing. Daarnaast acht verweerder van belang dat de betreffende rijschoolhouder heeft bekend met de examinator fraude te hebben gepleegd. Voorts heeft eiser in bezwaar gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om gratis opnieuw zijn rijvaardigheid te laten beoordelen. Gelet op de resultaten daarvan ziet verweerder eveneens aanleiding om de intrekking van de verklaring van rijvaardigheid in stand te laten.

3. Eiser voert aan dat hij niet schuldig is aan frauduleuze praktijken en dat niet aantoonbaar is dat hij ten onrechte zou zijn geslaagd. Bovendien rechtvaardigen de conclusies uit de bestuurlijke rapportage niet de conclusie dat de verkeersveiligheid in het gedrang is. Eiser voert aan dat hij sinds het behalen van zijn rijbewijs nooit betrokken is geweest bij een verkeersincident.

3.1.

De rechtbank stelt voorop dat in het bestuursrecht andere bewijsregels gelden dan in het strafrecht. Verweerder hoeft geen onomstotelijk bewijs te leveren. Verweerder dient aannemelijk te maken dat de grond waarop hij de intrekking baseert zich voordoet. De omstandigheden waarop verweerder de intrekking baseert hoeven niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te staan, maar moeten aannemelijk zijn, nu het intrekkingsbesluit geen punitief maar een reparatoir karakter heeft. Daarbij merkt de rechtbank op dat voor de intrekking van de verklaring van rijvaardigheid niet vereist is dat eiser zelf zich schuldig heeft gemaakt aan fraude of van de fraude volledig op de hoogte was.

3.2.

Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op de informatie die van de politie is verkregen, zoals is neergelegd in de rapportage en het proces-verbaal van 23 januari 2015. Weliswaar bevatten deze stukken geen informatie over het aantal verkeersincidenten bij de kandidaten waarvan wordt vermoed dat zij onterecht voor het rijexamen zijn geslaagd, maar daarmee is niet gezegd dat van een gevaar voor de verkeersveiligheid niet is gebleken. Immers, als kandidaten een auto besturen, terwijl aannemelijk is dat ten onrechte een verklaring van rijvaardigheid aan hen is afgegeven, komt reeds daarmee de verkeersveiligheid in het gedrang. Bovendien, dat iemand niet betrokken is geweest bij een verkeersincident, sluit niet uit dat hij door onvoldoende rijvaardigheid de verkeersveiligheid in gevaar brengt. Zo blijkt volgens verweerder in de praktijk dat weggebruikers fouten van andere verkeersdeelnemers ‘opvangen’ door zich aan te passen. Dat eiser stelt na het behalen van zijn rijbewijs nooit betrokken te zijn geweest bij een verkeersincident, betekent dus niet dat hij over alle vaardigheden beschikt die voor nodig zijn voor een verantwoorde verkeersdeelname.

3.3.

In het proces-verbaal van 23 januari 2015 is de modus operandi van de examinator en de verdachte rijschoolhouders beschreven. Daaruit komen een aantal omstandigheden naar voren die doen vermoeden dat kandidaten ten onrechte een verklaring van rijvaardigheid hebben verkregen. Weliswaar bieden de door de politie en verweerder gehanteerde indicatoren geen absolute zekerheid dat aan een kandidaat ten onrechte een verklaring van rijvaardigheid is afgegeven, maar gelet op de bewijslast die op verweerder rust is die zekerheid ook niet vereist. De rechtbank acht het uitgangspunt van verweerder dat naast de eerste twee indicatoren ten minste één andere indicator aanwezig moet zijn om voldoende aannemelijk te achten dat de verklaring van rijvaardigheid ten onrechte is afgegeven, in beginsel niet onredelijk. Daarmee is niet gezegd dat verweerder bij de toepasselijkheid van tenminste drie indicatoren, waaronder de eerste twee, zonder meer tot intrekking kan overgaan. Of verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan, hangt immers ook af van wat door eiser is aangevoerd.

4. Eiser voert aan dat hij voor de betreffende rijschool heeft gekozen omdat deze is gespecialiseerd in het begeleiden van mensen die de Nederlandse taal niet goed machtig zijn en omdat de Kop van Noord-Holland hem een geschikte rijlocatie leek. Daarnaast voert eiser aan dat niet is gebleken dat de rijschool nog nader verdacht wordt, zodat indicator 1 en 2 wegvallen. Eiser heeft zeven keer rijexamen gedaan via de betreffende rijschool en niet valt in te zien waarom eiser dan niet eerder van de frauduleuze praktijken gebruik had gemaakt. Voorts heeft eiser een verklaring van de rijschoolhouder overgelegd.

4.1.

Niet in geschil is dat eiser op 29 augustus 2012 examen heeft gedaan bij de examinator via een rijschool die betrokken is in het onderzoek door de politie naar de fraude. De rechtbank is niet gebleken dat de betreffende rijschoolhouder niet langer verdacht wordt van fraude en/of valsheid in geschrifte. Eiser heeft die stelling niet nader onderbouwd. Overigens heeft verweerder ter zitting aangegeven van het Openbaar Ministerie te hebben vernomen dat de rijschoolhouder akkoord is gegaan met een strafbeschikking. Ook indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat de betreffende rijschoolhouder niet is gedagvaard, maakt dit nog niet dat daarmee indicator 1 en 2 zijn komen te vervallen. In het proces-verbaal van 23 januari 2015 en de bestuurlijke rapportage is weergegeven dat uit onderzoek is gebleken dat de rijschool bij de fraude betrokken is, dat de rijschool door de examinator is genoemd en dat de rijschoolhouder bekennende verklaringen heeft afgelegd. In de rapportage wordt benoemd dat de rijschoolhouder als verdachte is aangemerkt in het onderzoek. Of de rijschoolhouder ook strafrechtelijk wordt vervolgd staat los van de onderhavige procedure.

4.2.

Daarnaast heeft verweerder indicator 3 op eiser van toepassing mogen achten. Eiser was namelijk woonachtig in [woonplaats] , terwijl de rijschool in Den Helder was gevestigd. De stelling van eiser dat hij voor die rijschool heeft gekozen vanwege de specialisatie in begeleiding van mensen met taalproblemen en omdat het hem een geschikte locatie leek, overtuigt de rechtbank onvoldoende, gelet op de afstand (ongeveer 160 kilometer) die eiser heeft moeten afleggen om rijlessen te volgen. Daarnaast heeft verweerder terecht van belang geacht dat de rijschoolhouder bekennende verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van het frauderen met rijexamens in samenwerking met de examinator, zoals blijkt uit het proces-verbaal van 23 januari 2014. De door eiser overgelegde verklaring van de rijschoolhouder werpt hier geen ander licht op, reeds nu daarin door de rijschoolhouder niets over vermeende fraude wordt gezegd.

4.3.

Dat eiser niet meteen de eerste keer voor een B-NO examen bij de verdachte rijschool is geslaagd, maar pas na zeven B-NO rijexamens, kan als een contra-indicatie worden beschouwd. Echter, drie van deze zeven rijexamens hebben niet plaatsgevonden in de periode dat volgens de politie de rijschool betrokken was bij fraude. Daarnaast zijn alle voorgaande B-NO examens niet afgenomen door de verdachte examinator. Verweerder heeft in dit kader aangegeven dat niet op voorhand met 100 procent zekerheid viel te sturen dat de examinator een bepaald examen zou afnemen, omdat soms bij drukte meerdere examinatoren aanwezig waren op een locatie en er soms verschuivingen waren in verband met ziekte. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat geen volledig inzicht in de precieze constructie van de fraude bestaat. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de omstandigheid dat eiser eerst zeven keer is gezakt via de verdachte rijschool, onvoldoende om niet aannemelijk te achten dat eiser, gelet op de van toepassing zijnde indicatoren en overige omstandigheden van het geval, ten onrechte de verklaring van rijvaardigheid heeft verkregen.

4.4.

Eisers (niet onderbouwde) stelling dat hij sinds het slagen voor zijn rijexamen niet betrokken is geweest bij verkeersincidenten maakt niet aannemelijk dat eiser zijn verklaring van rijvaardigheid op reguliere wijze heeft verkregen. Uit de enkele omstandigheid dat iemand niet betrokken is geweest bij verkeersincidenten, kan niet worden geconcludeerd dat die persoon over alle vaardigheden beschikt die nodig zijn voor een verantwoorde verkeersdeelname. Zo blijkt immers volgens verweerder in de praktijk dat weggebruikers fouten van andere verkeersdeelnemers ‘opvangen’ door zich aan te passen.

4.5.

In bezwaar is eiser in de gelegenheid gesteld om op kosten van het CBR zijn rijvaardigheid te laten beoordelen door twee andere examinatoren. Eiser heeft hiervan gebruik gemaakt en volgens het uitslagformulier scoorde eiser daarbij op drie van de zeven onderdelen onvoldoende. Ook is in het formulier opgemerkt: “Niet stuurvast. Niet besluitvaardig. Vond het onrechtvaardig en is erg nerveus.”. Ter zitting heeft de aanwezige examinator van het CBR een toelichting hierop gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het kader van een volledige heroverweging in bezwaar de uitslag van deze rijvaardigheidstest mogen betrekken in de beoordeling. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder eiser niet meerdere keren de gelegenheid hoeven geven tot een dergelijke test. Reeds op basis van de aanwezige indicatoren heeft verweerder immers aannemelijk geacht dat de verklaring van rijvaardigheid ten onrechte was afgegeven. Met het aanbieden van een dergelijke test in bezwaar is verweerder tegemoet gekomen aan eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de uitslag van de rijvaardigheidstest een extra bevestiging mogen zien van de conclusie dat aannemelijk is dat de verklaring van rijvaardigheid ten onrechte is verleend. Eisers betoog dat hij erg zenuwachtig was, kan daar niet aan af doen.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de van toepassing zijnde indicatoren en de overige omstandigheden van het geval, op goede gronden tot intrekking van de verklaring van rijvaardigheid overgegaan, omdat aannemelijk is dat eiser die verklaring ten onrechte heeft verkregen. De stelling van eiser dat hij niet op de hoogte was van malafide afspraken tussen zijn rijschool en de examinator kan daar niet aan afdoen. Ook indien eiser niets zou hebben geweten van die afspraken blijft aannemelijk dat sprake is van een voor de verkeersveiligheid niet aanvaardbare verkrijging van de verklaring van rijvaardigheid. Dat eiser zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk maakt niet dat verweerder moet afzien van de intrekking van een verklaring van rijvaardigheid waarvan aannemelijk is geworden dat deze onterecht is afgegeven. Verweerder heeft het belang van de verkeersveiligheid zwaarder mogen laten wegen dan eisers belang.

6. Het beroep is dus ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, voorzitter, en mr. A.S. Flikweert en

mr. A.G. van Malenstein, leden, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.