Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2140

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
ROT 15/3839
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verklaring rijvaardigheid na fraude door examinator CBR. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 15/3839

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2016 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. H. Raza,

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder,

gemachtigde: mr. J.H.A. van der Grinten.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de verklaring van rijvaardigheid van eiseres ingetrokken.

Bij besluit van 29 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door G.W.A. Sommers, rijexaminator bij het CBR.

Overwegingen

1.1.

Naar aanleiding van anonieme meldingen over fraude door een examinator (hierna: de examinator) in samenwerking met een aantal rijscholen, heeft verweerder medio 2014 nader onderzoek gedaan. Daaruit bleek dat het slagingspercentage voor de examens B-NO (rijbewijs B ‘nader onderzoek’) bij de examinator en de betreffende rijscholen aanzienlijk hoger lag dan bij andere examinatoren en rijscholen. Daarnaast heeft het CBR Hoffman Bedrijfsrecherche ingeschakeld om nader onderzoek naar de examinator te doen. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze onderzoeken heeft verweerder bij de politie aangifte gedaan van valsheid in geschrifte en/of oplichting. Hierop heeft de politie een onderzoek ingesteld naar de aard en omvang van deze strafbare feiten. De resultaten daarvan zijn verwerkt in een bestuurlijke rapportage van 21 januari 2015 (hierna: de rapportage).

1.2.

In de rapportage is vermeld dat de examinator in de periode tussen 1 januari 2011 tot en met 3 oktober 2014, in nauwe en bewuste samenwerking met zes verdachte rijscholen, kandidaten onterecht liet slagen voor het praktijkexamen van het CBR. De kandidaten betaalden tot enkele duizenden euro’s aan de rijschoolhouder en via de rijschoolhouder kreeg de examinator per kandidaat € 500,- om de kandidaat te laten slagen. Volgens de rapportage zijn zes rijscholen hierbij betrokken. Deze zes zijn ook door de examinator genoemd. Ook heeft de politie onderzoek gedaan naar het aantal onterecht geslaagde kandidaten. Dit onderzoek is uiteengezet in een proces-verbaal van 23 januari 2014. De politie heeft indicatoren opgesteld aan de hand waarvan is bepaald in welke gevallen een redelijk vermoeden bestaat dat de kandidaat ten onrechte is geslaagd. Er is een Excelbestand bij het proces-verbaal gevoegd waarin is weergegeven welke indicatoren op welke kandidaten van toepassing zijn. Volgens de politie is er een redelijk vermoeden dat een kandidaat onterecht geslaagd is als, naast de eerste twee indicatoren, minimaal één van de overige indicatoren van toepassing is. Verweerder heeft dit uitgangspunt overgenomen bij zijn beoordeling of voldoende aannemelijk is geworden dat een verklaring van rijvaardigheid destijds ten onrechte is verleend. Verweerder gaat uit van de volgende indicatoren:

  1. De kandidaat heeft rijexamen gedaan bij de verdachte examinator.

  2. De kandidaat heeft rijexamen gedaan via één van de zes verdachte rijscholen.

  3. Er bestaat een grote afstand tussen de woonplaats van de kandidaat en de examenlocatie.

  4. De kandidaat is na vier rijexamens veranderd van rijschool en heeft daarbij gekozen voor een van de verdachte rijscholen.

  5. Aanwezigheid van een proces-verbaal waaruit blijkt dat een kandidaat ten onrechte is geslaagd.

  6. Aanwezigheid van een tapgesprek en/of communicatie met gebruikmaking van sms of WhatsApp waaruit blijkt dat afspraken worden gemaakt over examens tussen de examinator en één van de rijschoolhouders.

2. Verweerder heeft de verklaring van rijvaardigheid van eiseres ingetrokken omdat verweerder aannemelijk acht dat deze ten onrechte is afgegeven. Verweerder baseert dit op de conclusies van het politieonderzoek en de toepassing van de indicatoren die aan die conclusies ten grondslag liggen. Volgens verweerder zijn de indicatoren 1, 2, 3, 4 en 6 op eiseres van toepassing. Daarnaast acht verweerder van belang dat de rijschool 30 kilometer verwijderd is van de examenlocatie en dat de betreffende rijschoolhouder heeft bekend met de examinator fraude te hebben gepleegd.

3. Eiseres voert aan het onbegrijpelijk te vinden dat volgens verweerder iemand verantwoordelijk kan worden gehouden voor fraude als de wetenschap daartoe ontbreekt bij die persoon. Eiseres is niet als verdachte door de politie gehoord. Voorts voert eiseres aan dat zij vanwege faalangst had gekozen voor een rijschool in een gemeente waar het rustig is. Dat eiseres bij de examinator via de frauduleuze rijschool rijexamen heeft afgelegd is slechts een toevalligheid en maakt de fraude niet aannemelijk. Daarnaast was haar laatste examen een “nader onderzoek rijvaardigheid” waarbij de examinator getraind is in het begeleiden van mensen met faalangst. Het is dus niet opvallend dat eiseres hiervoor wel slaagde. Voorts voert eiseres aan dat uit de Whatsapp-berichten tussen de rijschoolhouder en de examinator niet blijkt dat die betrekking hebben op eiseres of het door haar afgelegde rijexamen. Ten slotte heeft verweerder volgens eiseres in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Verweerder heeft niet specifiek beargumenteerd waarom eiseres niet voldeed aan de vereisten met betrekking tot rijvaardigheid. Bovendien heeft verweerder geen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres, nu zij haar rijbewijs nodig heeft in verband met haar kinderen.

3.1.

De rechtbank stelt voorop dat in het bestuursrecht andere bewijsregels gelden dan in het strafrecht. Verweerder hoeft geen onomstotelijk bewijs te leveren. Verweerder dient aannemelijk te maken dat de grond waarop hij de intrekking baseert zich voordoet. De omstandigheden waarop verweerder de intrekking baseert hoeven niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te staan, maar moeten aannemelijk zijn, nu het intrekkingsbesluit geen punitief maar een reparatoir karakter heeft. Daarbij is van belang dat voor de intrekking van de verklaring van rijvaardigheid niet vereist is dat eiseres zich zelf schuldig heeft gemaakt aan fraude of van de fraude volledig op de hoogte was. Een verhoor van eiseres door de politie was dan ook niet nodig. Indien aannemelijk is geworden dat de verklaring van rijvaardigheid destijds ten onrechte is afgegeven (vanwege fraude door de examinator en de rijschoolhouder) dan is verweerder bevoegd de verklaring van rijvaardigheid in te trekken in het belang van de verkeersveiligheid. Of eiseres op de hoogte was van die fraude doet aan die bevoegdheid niet af, immers, ook dan blijft staan dat de verklaring van rijvaardigheid destijds onterecht is afgegeven.

3.2.

Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op de informatie die van de politie is verkregen, zoals is neergelegd in de rapportage en het proces-verbaal van 23 januari 2015.

In dit proces-verbaal is de modus operandi van de examinator en de verdachte rijschoolhouders beschreven. Daaruit komen een aantal omstandigheden naar voren die doen vermoeden dat kandidaten ten onrechte een verklaring van rijvaardigheid hebben verkregen. Weliswaar bieden de door de politie en verweerder gehanteerde indicatoren geen absolute zekerheid dat aan een kandidaat ten onrechte een verklaring van rijvaardigheid is afgegeven, maar gelet op de bewijslast die op verweerder rust is die zekerheid ook niet vereist. De rechtbank acht het uitgangspunt van verweerder dat naast de eerste twee indicatoren ten minste één andere indicator aanwezig moet zijn om voldoende aannemelijk te achten dat de verklaring van rijvaardigheid ten onrechte is afgegeven, in beginsel niet onredelijk. Daarmee is niet gezegd dat verweerder bij de toepasselijkheid van tenminste drie indicatoren, waaronder de eerste twee, zonder meer tot intrekking kan overgaan. Of verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan, hangt immers ook af van wat door eiseres is aangevoerd.

3.3.

Niet in geschil is dat eiseres op 8 april 2014 examen heeft gedaan bij de examinator via een verdachte rijschool. Indicatoren 1 en 2 zijn dus van toepassing. De stelling van eiseres dat dit slechts een toevalligheid is en fraude niet aannemelijk maakt, volgt de rechtbank niet. Blijkens de bestuurlijke rapportage en het proces-verbaal van 23 januari 2015 zijn de rijschoolhouder en de examinator als verdachte aangemerkt in het onderzoek en hebben de examinator en de rijschoolhouder bekennende verklaringen afgelegd. Doordat eiseres is geslaagd voor haar rijexamen bij deze examinator en via deze rijschool, rijst een vermoeden dat sprake was van fraude in het geval van het rijexamen van eiseres. Het is een begin van aannemelijkheid van de fraude maar verweerder heeft terecht gesteld dat van nog een andere indicator sprake moet zijn wil de fraude voldoende aannemelijk kunnen zijn.

3.4.

Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat eiseres, nadat zij bij vier rijexamens op meerdere punten onvoldoende scoorde, is overgestapt naar een verdachte rijschool en toen bij de eerste poging is geslaagd. Die rijschool was gevestigd in Amsterdam terwijl eiseres woonachtig was in [woonplaats]. Daarmee zijn ook indicator 3 en 4 van toepassing. Dat eiseres voor die rijschool koos vanwege haar faalangst en omdat ze een gemeente zocht waar het rustiger in het verkeer was, overtuigt de rechtbank niet. De rijschool was gevestigd in Amsterdam en niet valt in te zien dat het daar rustiger in het verkeer is dan in [woonplaats]. Weliswaar heeft eiseres examen gedaan in Zaandam, maar zij heeft les genomen in Amsterdam. Bovendien heeft verweerder in het bestreden besluit aangegeven dat op iedere CBR-locatie op dezelfde onderdelen wordt getoetst en dat er ook veel dichter bij de woonplaats van eiseres vergelijkbare examenlocaties zijn, zoals Gorinchem. Voorts heeft verweerder het opmerkelijk kunnen achten dat de plaats waar eiseres is afgereden bijna 30 kilometer verwijderd ligt van de plaats waar de rijschool was gevestigd, terwijl normaliter kandidaten les hebben in de omgeving waar zij ook examen doen. Ten aanzien van de gestelde faalangst heeft verweerder overwogen dat een grote afstand tussen woonplaats en examenlocatie juist opmerkelijk is voor personen met faalangst aangezien men dan in een onbekende omgeving examen moet doen.

3.5.

Ten aanzien van indicator 6 is in het Excelbestand bij het proces-verbaal van

23 januari 2015 bij de naam van eiseres de tekst van twee WhatsApp berichten weergegeven. Bij twee weggelakte namen van andere kandidaten van de rijschool die ook op 8 april 2014 examen hebben gedaan zijn ook WhatsApp berichten weergegeven. Uit deze berichten kan worden afgeleid dat door de rijschoolhouder en de examinator afspraken worden gemaakt over rijexamens op 8 april 2014. Bij het verweerschrift is een proces-verbaal aanvulling bestuurlijke rapportage van 8 januari 2016 overgelegd. In dit op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal worden nog meer WhatsApp berichten tussen de rijschoolhouder en de examinator over examens op 8 april 2014 weergegeven. In de berichten worden afspraken gemaakt voor drie 3 examens op 8 april 2014. Volgens informatie van de politie zijn op die datum daadwerkelijk drie examens afgenomen door de examinator bij kandidaten van de verdachte rijschool, waaronder bij eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit voornoemde informatie voldoende worden afgeleid dat de examinator en de rijschoolhouder afspraken hebben gemaakt over het plaatsvinden van het examen van eiseres op 8 april 2014. Voorts heeft verweerder ook nog van belang mogen achten dat de rijschoolhouder de fraude met de examinator heeft bekend. In het proces-verbaal van 8 januari 2016 en het proces-verbaal van 23 januari 2015 is weergegeven dat de betreffende rijschoolhouder bekennende verklaringen heeft afgelegd.

3.6.

De (niet onderbouwde) stelling van eiseres dat zij sinds het slagen voor haar rijexamen niet betrokken is geweest bij verkeersincidenten maakt niet aannemelijk dat eiseres haar verklaring van rijvaardigheid op reguliere wijze heeft verkregen. Uit de enkele omstandigheid dat iemand niet betrokken is geweest bij verkeersincidenten, kan niet worden geconcludeerd dat die persoon over alle vaardigheden beschikt die nodig zijn voor een verantwoorde verkeersdeelname. Zo blijkt volgens verweerder in de praktijk dat weggebruikers fouten van andere verkeersdeelnemers ‘opvangen’ door zich aan te passen.

4. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de van toepassing zijnde indicatoren en de overige omstandigheden van het geval, op goede gronden tot intrekking van de verklaring van rijvaardigheid overgegaan, omdat aannemelijk is dat eiseres die verklaring ten onrechte heeft verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende zorgvuldig naar de zaak van eiseres gekeken en het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Anders dan eiseres stelt, hoeft verweerder niet te motiveren waarom eiseres niet voldeed aan de rijvaardigheidsvereisten. De vraag die voorligt is of de afgegeven verklaring van rijvaardigheid destijds ten onrechte is afgegeven omdat daarvoor is betaald in plaats van dat de rijvaardigheid van eiseres tot afgifte van die verklaring heeft geleid, en gelet op de op eiseres van toepassing zijnde indicatoren heeft verweerder aannemelijk mogen achten dat dit het geval was. Dat eiseres haar rijbewijs nodig heeft in verband met haar kinderen maakt niet dat verweerder moet afzien van de intrekking van een verklaring van rijvaardigheid waarvan aannemelijk is geworden dat deze onterecht is afgegeven. Verweerder heeft het belang van de verkeersveiligheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiseres.

5. Het beroep is dus ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, voorzitter, en mr. A.S. Flikweert en

mr. A.G. van Malenstein, leden, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.