Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2094

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
15/2537
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gegrond verklaard bezwaar op afname DNA-materiaal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Raadkamernummer: 15/2537

Parketnummer: 10/218447-14

Beslissing van de rechtbank Rotterdam, enkelvoudige raadkamer, op het op 28 september 2015 ter griffie van deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] ,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsvrouw mr. S.C. van Paridon.

kantoorhoudende aan [adres] .

Procedure

Bij vonnis van de politierechter d.d. 19 december 2014 is de veroordeelde onder bovenvermeld parketnummer ter zake - kort gezegd – mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel (meermalen), diefstal, bedreiging met brandstichting en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis en 3 weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het gerechtshof Den Haag kwam in zijn arrest d.d. 18 september 2015

tot eenzelfde veroordeling.

Op 29 juli 2015 heeft de officier van justitie bevolen, gelet op artikel 8 juncto artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna ook: de Wet), dat van de veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen van een DNA-profiel en de verwerking daarvan in de landelijke DNA-databank. Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank d.d. 25 juli 2013, onder bovenvermeld parketnummer, is de veroordeelde ter zake (meermalen) belaging, vernielingen en (zaaks)beschadiging, veroordeeld tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van 1 (één) jaar.

Op 23 september 2015 heeft de afname van celmateriaal bij de veroordeelde plaatsgevonden.

Het bezwaarschrift is op 19 februari 2016 door de raadkamer achter gesloten deuren behandeld. De officier van justitie mr. J. Boender, de veroordeelde en de raadsvrouw

mr. N. Roos, namens mr. S.C. van Paridon, zijn gehoord.

Standpunt van de veroordeelde

De DNA-afname niet is gedaan door een arts of verpleegkundige zoals bedoeld in artikel 5 lid 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, terwijl aan veroordeelde niet uitdrukkelijk is gewezen op de mogelijkheid van het maken van bezwaar hiertegen. Tevens is aangevoerd dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde een vergaande inbreuk op zijn privacy in lichamelijke integriteit maakt. De raadsman heeft in antwoord op hetgeen ter zitting in raadkamer door de officier van justitie is medegedeeld over de aanwijzing aangevoerd dat niet voldaan is aan de voorwaarde die de wet hier stelt, en ook daarom het bezwaar gegrond is.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting in raadkamer medegedeeld dat is gebleken dat degene die het DNA-materiaal middels wangslijm heeft afgenomen, [afnemer] , daartoe niet conform artikel 2, besluit DNA-onderzoek in strafzaken is aangewezen door de officier van justitie. Zij heeft betoogd, dat de aanwijzing slechts een formaliteit is, en niets zegt over de technische vakbekwaamheid van afnemer. Immers, de afnemer was gecertificeerd, zoals blijkt uit het in raadkamer overgelegd certificaat “Afname celmateriaal t.b.v. DNA-onderzoek” d.d. 27 november 2012. Voornoemde vormfout kan dan ook niet leiden tot een gegrondverklaring van het bezwaarschrift. Verwezen wordt naar een uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 26 maart 2010 (ECLI:NL:RBZLY:2010:BM2301).

De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard. Uit het proces-verbaal van afname DNA-materiaal blijkt dat de veroordeelde heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de afname van wangslijm door een ander dan een arts.

De feiten waarvoor veroordeelde is veroordeeld betreffen misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Er doet zich geen uitzondering voor in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, recidive niet valt uit te sluiten en zij is derhalve verplicht een bevel tot afname van celmateriaal te geven.

Beoordeling

Ten aanzien van het door de officier van justitie gestelde over de afname van het celmateriaal, stelt de rechtbank voorop dat uitganspunt is ingevolge de Wet en het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken (hierna: het Besluit) dat de afname van celmateriaal in beginsel door een arts of een verpleegkundige geschiedt. Slechts ingeval de veroordeelde daartegen geen bezwaar maakt, kan de afname geschieden door een daartoe door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar, die voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde eisen (artikel 5, tweede lid, van de Wet en artikel 3, derde lid, van het Besluit). Artikel 8 van de Regeling DNA-onderzoek in strafzaken bepaalt dat de opsporingsambtenaar - kort gezegd - de gecertificeerde opleiding “afname celmateriaal van personen ten behoeve van DNA-onderzoek” met goed gevolg dient te hebben afgelegd.

In het onderhavige geval blijkt uit het proces-verbaal van afname DNA-materiaal d.d. 23 september 2015 dat de veroordeelde heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de afname van wangslijm door een ander dan een arts, namelijk een door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar die voldoet aan de bij ministeriele regeling vastgestelde eisen. Gebleken is voorts dat de afname van celmateriaal (wangslijmvlies) bij de veroordeelde heeft plaatsgevonden door een gecertificeerd opsporingsambtenaar, namelijk een medewerker van de arrestantenzorg bij de politie. Gelet op het door de officier van justitie ingenomen standpunt staat echter niet ter discussie dat deze in het onderhavige geval daartoe niet aangewezen was.

Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet anders dan worden geconcludeerd dat de bevoegdheid tot het afnemen van celmateriaal ontbrak, en bovendien voornoemde toestemming van veroordeelde op basis van foutieve informatie is verkregen (immers, de afnemer was, anders dan vermeld, niet aangewezen). Dat de afnemer wel gecertificeerd was, maakt hem nog niet bevoegd, nu de kundigheid blijkens voornoemde regelgeving bij de aanwijzing reeds verondersteld is. Een vergelijking met de door de officier van justitie aangehaalde uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad gaat niet op, reeds nu het daar een opsporingsambtenaar betrof die wel -zij het generiek- aangewezen was.

De rechtbank zal het bezwaar daarom gegrond verklaren en de officier van justitie bevelen ervoor zorg te dragen dat het afgenomen celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het bezwaar gegrond;

- beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het afgenomen celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd.

Deze beschikking is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 4 maart 2016 door:

mr. L.C. van Walree, rechter,

in tegenwoordigheid van L.C. Bouter, griffier.

Tegen deze beslissing staat voor veroordeelde géén rechtsmiddel open.