Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2002

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-03-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
ROT 15/5254
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1557, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verklaring rijvaardigheid na fraude door examinator CBR. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 15/5254

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 maart 2016 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. V.M. Weski,

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder,

gemachtigde: mr. J.H.A. van der Grinten.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de verklaring van rijvaardigheid van eiseres ingetrokken.

Bij besluit van 10 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar dochter en door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door G.W.A. Sommers, rijexaminator bij het CBR.

Overwegingen

1.1.

Naar aanleiding van anonieme meldingen over fraude door een examinator (hierna: de examinator) in samenwerking met een aantal rijscholen, heeft verweerder medio 2014 nader onderzoek gedaan. Daaruit bleek dat het slagingspercentage voor de examens B-NO (rijbewijs B ‘nader onderzoek’) bij de examinator en de betreffende rijscholen aanzienlijk hoger lag dan bij andere examinatoren en rijscholen. Daarnaast heeft het CBR Hoffman Bedrijfsrecherche ingeschakeld om nader onderzoek naar de examinator te doen. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze onderzoeken heeft verweerder bij de politie aangifte gedaan van valsheid in geschrifte en/of oplichting. Hierop heeft de politie een onderzoek ingesteld naar de aard en omvang van deze strafbare feiten. De resultaten daarvan zijn verwerkt in een bestuurlijke rapportage van 21 januari 2015 (hierna: de rapportage).

1.2.

In de rapportage is vermeld dat de examinator in de periode tussen 1 januari 2011 tot en met 3 oktober 2014, in nauwe en bewuste samenwerking met zes verdachte rijscholen, kandidaten onterecht liet slagen voor het praktijkexamen van het CBR. De kandidaten betaalden tot enkele duizenden euro’s aan de rijschoolhouder en via de rijschoolhouder kreeg de examinator per kandidaat € 500,- om de kandidaat te laten slagen. Volgens de rapportage zijn zes rijscholen hierbij betrokken. Deze zes zijn ook door de examinator genoemd. Ook heeft de politie onderzoek gedaan naar het aantal onterecht geslaagde kandidaten. Dit onderzoek is uiteengezet in een proces-verbaal van 23 januari 2014. De politie heeft indicatoren opgesteld aan de hand waarvan is bepaald in welke gevallen een redelijk vermoeden bestaat dat de kandidaat ten onrechte is geslaagd. Er is een Excelbestand bij het proces-verbaal gevoegd waarin is weergegeven welke indicatoren op welke kandidaten van toepassing zijn. Volgens de politie is er een redelijk vermoeden dat een kandidaat onterecht geslaagd is als, naast de eerste twee indicatoren, minimaal één van de overige indicatoren van toepassing is. Verweerder heeft dit uitgangspunt overgenomen bij zijn beoordeling of voldoende aannemelijk is geworden dat een verklaring van rijvaardigheid destijds ten onrechte is verleend. Verweerder gaat uit van de volgende indicatoren:

  1. De kandidaat heeft rijexamen gedaan bij de verdachte examinator.

  2. De kandidaat heeft rijexamen gedaan via één van de zes verdachte rijscholen.

  3. Er bestaat een grote afstand tussen de woonplaats van de kandidaat en de examenlocatie.

  4. De kandidaat is na vier rijexamens veranderd van rijschool en heeft daarbij gekozen voor een van de verdachte rijscholen.

  5. Aanwezigheid van een proces-verbaal waaruit blijkt dat een kandidaat ten onrechte is geslaagd.

  6. Aanwezigheid van een tapgesprek en/of communicatie met gebruikmaking van sms of WhatsApp waaruit blijkt dat afspraken worden gemaakt over examens tussen de examinator en één van de rijschoolhouders.

2. Verweerder heeft de verklaring van rijvaardigheid van eiseres ingetrokken omdat verweerder aannemelijk acht dat deze ten onrechte is afgegeven. Verweerder baseert dit op de conclusies van het politieonderzoek en de toepassing van de indicatoren die aan die conclusies ten grondslag liggen. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat vier indicatoren op eiseres van toepassing zijn. Indicatoren 1, 2 en 3 worden in het bestreden besluit benoemd. Daarnaast acht verweerder blijkens het bestreden besluit van belang dat de betreffende rijschoolhouder tijdens zijn verhoor bij de politie namen heeft genoemd van kandidaten, waaronder die van eiseres, die tegen betaling een rijbewijs hebben gekregen via rijschool [verdachte rijschool] en de examinator. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat dit indicator 5 betreft en dat dit per abuis niet als zodanig in het bestreden besluit is benoemd. Voorts acht verweerder van belang dat eiseres een zogenoemd garantiepakket bij de betreffende rijschool heeft afgenomen (inhoudende dat de kandidaten de garantie krijgen dat ze zouden slagen voor het rijexamen). Ook acht verweerder het opmerkelijk dat de rijschool op een afstand van ruim 50 kilometer is gevestigd van de examenlocatie. Tenslotte acht verweerder onaannemelijk dat eiseres op rechtmatige wijze is geslaagd gelet op de resultaten bij het voorlaatste rijexamen en het gering aantal uur les dat eiseres nadien zou hebben gehad.

3. Eiseres voert aan dat uit de statistische gegevens uit het politieonderzoek volgt dat 25 procent van de kandidaten die bij een verdachte rijschool zaten en bij de examinator hebben afgereden, terecht geslaagd zijn en dat eiseres daar ook toe behoort. Eiseres is van rijschool veranderd omdat de rijschoolhouder haar taal sprak. Bovendien is zij de eerste keer bij die rijschool gezakt voor het rijexamen. Eiseres wist niets van een afspraak tussen de rijschoolhouder en de examinator en heeft hiervoor ook niet betaald. Voorts wordt de verklaring van de rijschoolhouder tijdens het verhoor bij de politie door verweerder onjuist aangehaald, aldus eiseres.

3.1.

De rechtbank stelt voorop dat in het bestuursrecht andere bewijsregels gelden dan in het strafrecht. Verweerder hoeft geen onomstotelijk bewijs te leveren. Verweerder dient voldoende aannemelijk te maken dat de grond waarop hij de intrekking baseert zich voordoet. De omstandigheden waarop verweerder de intrekking baseert hoeven niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te staan, maar moeten aannemelijk zijn, nu het intrekkingsbesluit geen punitief maar een reparatoir karakter heeft. Daarbij merkt de rechtbank op dat voor de intrekking van de verklaring van rijvaardigheid niet vereist is dat eiseres zelf zich schuldig heeft gemaakt aan fraude of van de fraude volledig op de hoogte was.

3.2.

Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op de informatie die van de politie is verkregen, zoals is neergelegd in de rapportage en het proces-verbaal van 23 januari 2015.

In dit proces-verbaal is de modus operandi van de examinator en de verdachte rijschoolhouders beschreven. Daaruit komen een aantal omstandigheden naar voren die doen vermoeden dat kandidaten ten onrechte een verklaring van rijvaardigheid hebben verkregen. Bij 290 kandidaten zijn indicatoren 1 en 2 van toepassing. Echter, wil voldoende aannemelijk zijn dat de verklaring van rijvaardigheid onterecht is afgegeven, moet volgens verweerder en de politie sprake zijn van nog één van de andere indicatoren. Dat is het geval bij 179 van de 290 kandidaten. Daarmee staat niet vast dat aan de overige kandidaten wel terecht een verklaring van rijvaardigheid is afgegeven; er zijn alleen onvoldoende indicatoren om voldoende aannemelijk te achten dat die kandidaten ten onrechte zijn geslaagd voor hun rijexamen.

3.3.

Weliswaar bieden de door de politie en verweerder gehanteerde indicatoren geen absolute zekerheid dat aan een kandidaat ten onrechte een verklaring van rijvaardigheid is afgegeven, maar gelet op de bewijslast die op verweerder rust is die zekerheid ook niet vereist. De rechtbank acht het uitgangspunt van verweerder dat naast de eerste twee indicatoren ten minste één andere indicator aanwezig moet zijn om voldoende aannemelijk te achten dat de verklaring van rijvaardigheid ten onrechte is afgegeven, in beginsel niet onredelijk. Daarmee is niet gezegd dat verweerder bij de toepasselijkheid van tenminste drie indicatoren, waaronder de eerste twee, zonder meer tot intrekking kan overgaan. Of verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan, hangt immers ook af van wat door eiseres is aangevoerd.

3.4.

Niet in geschil is dat eiseres op 19 augustus 2013 examen heeft gedaan bij de examinator via een verdachte rijschool. Indicatoren 1 en 2 zijn dus van toepassing. Daarnaast is sprake van indicator 3, aangezien eiseres in [woonplaats] woonachtig was, maar heeft gekozen voor een rijschool in Den Helder. De enkele stelling van eiseres dat zij voor deze rijschool heeft gekozen omdat daar dezelfde taal als haar moedertaal werd gesproken, overtuigt de rechtbank onvoldoende gelet op de grote afstand (ongeveer 140 kilometer) die eiseres steeds heeft moeten afleggen om lessen te volgen bij de rijschool. Bovendien heeft verweerder onbetwist gesteld dat ook dichter bij [woonplaats] rijscholen zijn gevestigd met Afghaans sprekende rijinstructeurs. Daarnaast heeft verweerder het opmerkelijk kunnen achten dat de plaats waar eiseres is afgereden bijna 55 kilometer verwijderd ligt van de plaats waar de rijschool was gevestigd, terwijl normaliter kandidaten les hebben in de omgeving waar zij ook examen doen.

3.5.

Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit eiseres terecht tegengeworpen dat de rijschoolhouder de naam van eiseres heeft genoemd in een verhoor van de politie als zijnde een van de kandidaten die tegen betaling een rijbewijs hebben gekregen. Weliswaar is dit in het bestreden besluit niet als zodanig benoemd, maar gelet op de inhoudelijke overwegingen in het bestreden besluit en de vermelding dat vier indicatoren op eiseres van toepassing zijn, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder daarmee ook indicator 5 van toepassing acht. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van verhoor van de rijschoolhouder waarin een deel van de verklaringen van de rijschoolhouder zijn weggelakt. Uit het proces-verbaal volgt dat de rijschoolhouder heeft verklaard dat hij het van eiseres niet meer weet maar dat als eiseres op de CBR lijst staat voor een B-NOR examen bij de examinator dat hij dan de examinator € 500,- heeft betaald om deze leerling te laten slagen. De rijschoolhouder heeft dus zelf niet expliciet verklaard dat eiseres door fraude is geslaagd, maar nu uit het dossier blijkt dat eiseres voor een B-NOR examen bij de examinator is geslaagd, heeft verweerder het gelet op de verklaringen van de rijschoolhouder voldoende aannemelijk kunnen achten dat de rijschoolhouder € 500,- aan de examinator heeft betaald om eiseres te doen slagen. Bovendien heeft verweerder van belang mogen achten dat de rijschoolhouder volgens informatie van de politie heeft bekend fraude te hebben gepleegd. Volgens het proces-verbaal van 23 januari 2014 heeft de rijschoolhouder in zijn verhoor bij de politie verklaard dat zeker 75 procent van zijn 97 kandidaten tegen betaling is geslaagd. Daarnaast heeft verweerder van belang mogen achten dat eiseres een zogenoemd garantiepakket had afgesloten bij de rijschool, wat inhield dat tegen een vast bedrag een ongelimiteerd aantal lessen kon worden afgenomen totdat de kandidaat zou slagen. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat een dergelijk pakket hoogst ongebruikelijk is aangezien het kandidaten een carte blanche geeft bij de rijschool.

3.6.

Dat eiseres de voorlaatste keer is gezakt voor het rijexamen via deze rijschool maakt niet minder aannemelijk dat eiseres nadien bij het rijexamen onterecht is geslaagd. Het voorlaatste rijexamen betrof namelijk een gewoon herexamen bij een andere examinator en uit het onderzoek van de politie komt naar voren dat fraude is gepleegd bij B-NO rijexamens waarbij van belang is dat bij een dergelijk examen de rijschool met redelijke mate van zekerheid op voorhand kon voorspellen (of afstemmen met de examinator zelf) dat de examinator op een bepaalde locatie zou zijn op een bepaalde datum. Bovendien heeft verweerder het opmerkelijk mogen achten dat eiseres bij het voorlaatste examen nog op vijf van de zeven onderdelen onvoldoende scoorde en vervolgens bij het laatste rijexamen slaagde terwijl zij naar eigen zeggen daartussen maar één week een paar uurtjes les per dag heeft gehad. Ter zitting heeft een examinator van het CBR een toelichting gegeven op de in het dossier aanwezige uitslagformulieren van deze rijexamens. Deze examinator heeft verklaard het op basis van zijn ervaring onwaarschijnlijk te achten dat het niet besluitvaardig kunnen rijden en de onvoldoende bediening van het voertuig in zo’n korte tijd kan worden hersteld.

3.7.

De (niet onderbouwde) stelling van eiseres dat zij sinds het slagen voor haar rijexamen niet betrokken is geweest bij verkeersincidenten maakt niet aannemelijk dat eiseres haar verklaring van rijvaardigheid op reguliere wijze heeft verkregen. Uit de enkele omstandigheid dat iemand niet betrokken is geweest bij verkeersincidenten, kan niet worden geconcludeerd dat die persoon over alle vaardigheden beschikt die nodig zijn voor een verantwoorde verkeersdeelname. Zo blijkt immers volgens verweerder in de praktijk dat weggebruikers fouten van andere verkeersdeelnemers ‘opvangen’ door zich aan te passen.

4. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de van toepassing zijnde indicatoren en de overige omstandigheden van het geval, op goede gronden tot intrekking van de verklaring van rijvaardigheid overgegaan, omdat aannemelijk is dat eiseres die verklaring ten onrechte heeft verkregen. De stelling van eiseres dat zij geen weet had van de fraude kan daar niet aan afdoen. Ook indien eiseres niets zou hebben geweten van de afspraken tussen de rijschoolhouder en de examinator blijft aannemelijk dat sprake is van een voor de verkeersveiligheid niet aanvaardbare verkrijging van de verklaring van rijvaardigheid.

5. Het beroep is dus ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzitter, en mr. A. Hello en

mr. A.G. van Malenstein, leden, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.