Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1999

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-03-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
ROT 15/4741
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1468, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verklaring rijvaardigheid na fraude door examinator CBR. Beroep gegrond; onvoldoende aannemelijk dat ten onrechte rijvaardigheidsverklaring is afgegeven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 15/4741

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 maart 2016 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. A.C.G. Meijer,

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder,

gemachtigde: mr. J.H.A. van der Grinten.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de verklaring van rijvaardigheid van eiseres ingetrokken.

Bij besluit van 30 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bet bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. M.C.A. van den Hil-van Vliet, bedrijfsjuriste bij het CBR, en G.W.A. Sommers, rijexaminator bij het CBR.

Overwegingen

1.1.

Naar aanleiding van anonieme meldingen over fraude door een examinator (hierna: de examinator) in samenwerking met een aantal rijscholen, heeft verweerder medio 2014 nader onderzoek gedaan. Daaruit bleek dat het slagingspercentage voor de examens B-NO (rijbewijs B ‘nader onderzoek’) bij de examinator en de betreffende rijscholen aanzienlijk hoger lag dan bij andere examinatoren en rijscholen. Daarnaast heeft het CBR Hoffman Bedrijfsrecherche ingeschakeld om nader onderzoek naar de examinator te doen. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze onderzoeken heeft verweerder bij de politie aangifte gedaan van valsheid in geschrifte en/of oplichting. Hierop heeft de politie een onderzoek ingesteld naar de aard en omvang van deze strafbare feiten. De resultaten daarvan zijn verwerkt in een bestuurlijke rapportage van 21 januari 2015 (hierna: de rapportage).

1.2.

In de rapportage is vermeld dat de examinator in de periode tussen 1 januari 2011 tot en met 3 oktober 2014, in nauwe en bewuste samenwerking met zes verdachte rijscholen, kandidaten onterecht liet slagen voor het praktijkexamen van het CBR. De kandidaten betaalden tot enkele duizenden euro’s aan de rijschoolhouder en via de rijschoolhouder kreeg de examinator per kandidaat € 500,- om de kandidaat te laten slagen. Volgens de rapportage zijn zes rijscholen hierbij betrokken. Deze zes zijn ook door de examinator genoemd. Ook heeft de politie onderzoek gedaan naar het aantal onterecht geslaagde kandidaten. Dit onderzoek is uiteengezet in een proces-verbaal van 23 januari 2014. De politie heeft indicatoren opgesteld aan de hand waarvan is bepaald in welke gevallen een redelijk vermoeden bestaat dat de kandidaat ten onrechte is geslaagd. Er is een Excelbestand bij het proces-verbaal gevoegd waarin is weergegeven welke indicatoren op welke kandidaten van toepassing zijn. Volgens de politie is er een redelijk vermoeden dat een kandidaat onterecht geslaagd is als, naast de eerste twee indicatoren, minimaal één van de overige indicatoren van toepassing is. Verweerder heeft dit uitgangspunt overgenomen bij zijn beoordeling of voldoende aannemelijk is geworden dat een verklaring van rijvaardigheid destijds ten onrechte is verleend. Verweerder gaat uit van de volgende indicatoren:

  1. De kandidaat heeft rijexamen gedaan bij de verdachte examinator.

  2. De kandidaat heeft rijexamen gedaan via één van de zes verdachte rijscholen.

  3. Er bestaat een grote afstand tussen de woonplaats van de kandidaat en de examenlocatie.

  4. De kandidaat is na vier rijexamens veranderd van rijschool en heeft daarbij gekozen voor een van de verdachte rijscholen.

  5. Aanwezigheid van een proces-verbaal waaruit blijkt dat een kandidaat ten onrechte is geslaagd.

  6. Aanwezigheid van een tapgesprek en/of communicatie met gebruikmaking van sms of WhatsApp waaruit blijkt dat afspraken worden gemaakt over examens tussen de examinator en één van de rijschoolhouders.

2. Verweerder heeft de verklaring van rijvaardigheid van eiseres ingetrokken omdat verweerder aannemelijk acht dat deze ten onrechte is afgegeven. Verweerder baseert dit op de conclusies van het politieonderzoek en de toepassing van de indicatoren die aan die conclusies ten grondslag liggen. Volgens verweerder zijn de indicatoren 1, 2 en 4 op eiseres van toepassing. Indicator 3 had verweerder in het primaire besluit tegengeworpen, maar dit heeft verweerder in het bestreden besluit ingetrokken. Daarnaast acht verweerder van belang dat de betreffende rijschoolhouder heeft bekend samen met de examinator fraude te hebben gepleegd. Volgens verweerder heeft de rijschoolhouder bekend dat bij de zeven examens van rijschool [verdachte rijschool] is gefraudeerd en is eiseres één van die zeven kandidaten.

3. Eiseres voert aan dat de indicatoren onvoldoende bewijs bieden dat eiseres op onregelmatige wijze haar rijbewijs heeft behaald. Eiseres is naar een andere rijschool overgestapt omdat ze steeds op dezelfde problemen zakte en op advies van haar zussen is ze naar rijschool [verdachte rijschool] overgestapt. Voorts voert eiseres aan dat haar naam niet is genoemd door de examinator of de betreffende rijschoolhouder. Ook heeft de rijschoolhouder niet erkend dat bij alle personen die via zijn rijschool zijn afgereden sprake was van fraude. Volgens eiseres ontbreekt direct bewijs van haar persoonlijke betrokkenheid bij de fraude.

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat in het bestuursrecht andere bewijsregels gelden dan in het strafrecht. Verweerder hoeft geen onomstotelijk bewijs te leveren. Verweerder dient aannemelijk te maken dat de grond waarop hij de intrekking baseert zich voordoet. De omstandigheden waarop verweerder de intrekking baseert hoeven niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te staan, maar moeten aannemelijk zijn, nu het intrekkingsbesluit geen punitief maar een reparatoir karakter heeft. Daarbij merkt de rechtbank op dat voor de intrekking van de verklaring van rijvaardigheid niet vereist is dat eiseres zelf zich schuldig heeft gemaakt aan fraude of van de fraude volledig op de hoogte was.

4.2.

Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op de informatie die van de politie is verkregen, zoals is neergelegd in de rapportage en het proces-verbaal van 23 januari 2015.

In dit proces-verbaal is de modus operandi van de examinator en de verdachte rijschoolhouders beschreven. Daaruit komen een aantal omstandigheden naar voren die doen vermoeden dat kandidaten ten onrechte een verklaring van rijvaardigheid hebben verkregen. Weliswaar bieden de door de politie en verweerder gehanteerde indicatoren geen absolute zekerheid dat aan een kandidaat ten onrechte een verklaring van rijvaardigheid is afgegeven, maar gelet op de bewijslast die op verweerder rust is die zekerheid ook niet vereist. De rechtbank acht het uitgangspunt van verweerder dat naast de eerste twee indicatoren ten minste één andere indicator aanwezig moet zijn om voldoende aannemelijk te achten dat de verklaring van rijvaardigheid ten onrechte is afgegeven, in beginsel niet onredelijk. Daarmee is niet gezegd dat verweerder bij de toepasselijkheid van tenminste drie indicatoren, waaronder de eerste twee, zonder meer tot intrekking kan overgaan. Of verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan, hangt immers ook af van wat door eiseres is aangevoerd.

4.3.

Niet in geschil is dat eiseres op 25 juli 2014 examen heeft gedaan bij de examinator via een verdachte rijschool. Indicatoren 1 en 2 zijn dus van toepassing. Daarnaast heeft verweerder indicator 4 aan eiseres tegengeworpen. Eiseres heeft acht maal rijexamen gedaan via een niet verdachte rijschool bij een niet verdachte examinator, waarvan vier maal een B-NO examen. Vervolgens is zij overgestapt naar een verdachte rijschool en is zij bij het eerste examen via die rijschool en de examinator wel geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval de enkele aanwezigheid van indicator 4 (naast de indicatoren 1 en 2) onvoldoende om aannemelijk te achten dat eiseres de verklaring van rijvaardigheid ten onrechte heeft verkregen. Daartoe acht de rechtbank van belang dat eiseres bij de voorlaatste twee examens op slechts één punt (van de zeven) onvoldoende scoorde en dat de op de zitting aanwezige examinator van het CBR heeft aangegeven dat het didactisch realiseerbaar is om na een (beperkt) aantal lessen bij een volgend examen een voldoende te scoren. Dat eiseres wel is geslaagd bij het B-NO examen via de verdachte examinator rechtvaardigt dus niet een vermoeden van fraude. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat eiseres een aannemelijke verklaring heeft kunnen geven voor haar overstap naar de verdachte rijschool.

4.4.

Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit, naast de aanwezigheid van de indicatoren 1, 2 en 4, ook nog van belang geacht dat de rijschoolhouder heeft bekend samen met de examinator fraude te hebben gepleegd. Volgens het bestreden besluit heeft de rijschoolhouder verklaard: “Ik beken dat bij de zeven examens die bij rijschool [verdachte rijschool] zijn afgenomen is gefraudeerd”. Volgens verweerder is eiseres één van die zeven kandidaten. Zoals eiseres evenwel terecht aanvoert bevindt zich in het dossier geen proces-verbaal van de politie waaruit die verklaring van de rijschoolhouder blijkt. Voor zover verweerder stelt dat een dergelijk proces-verbaal niet kon worden overgelegd vanwege het lopende strafrechtelijk onderzoek, overweegt de rechtbank dat dit dan voor rekening en risico van verweerder komt. Het is immers aan verweerder om het besluit te motiveren. Voorts heeft eiseres betwist dat haar examen behoort tot de zeven waarover de rijschoolhouder die verklaring zou hebben afgelegd. Weliswaar bevindt zich in het dossier een lijst met slagingspercentages van rijschool [verdachte rijschool] waarop een aantal van zeven examens wordt genoemd, zijnde alle volgens dat schema afgenomen examens via die rijschool in de periode tot en met augustus 2014, maar in het dossier bevindt zich geen stuk, zoals een proces-verbaal, waaruit blijkt dat de verklaring van de rijschoolhouder op deze zeven examens betrekking heeft. Bovendien wordt in het dossier ook gesproken over een aantal van tien examens waarbij de rijschoolhouder zou hebben gefraudeerd. Daarnaast heeft eiseres ter zitting een proces-verbaal overgelegd dat haar gemachtigde heeft verkregen in een andere zaak van een kandidaat bij dezelfde rijschool. Blijkens dit proces-verbaal heeft de rijschoolhouder in een verhoor bij de politie aangegeven dat hij van 22 kandidaten geen administratie kon vinden en dat die geslaagd zouden kunnen zijn tegen extra betaling en dat van 28 kandidaten er wel administratie van rijlessen was en hij aannam dat zij op normale wijze zijn geslaagd. Op dit proces-verbaal zijn de namen van de kandidaten weggelakt, maar verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de naam van eiseres hier niet op voorkomt. Zij behoort dus volgens verweerder niet tot de door de rijschoolhouder genoemde 22 kandidaten, noch tot de genoemde 28 kandidaten. Verweerder heeft hiervoor ter zitting geen verklaring kunnen geven. Daarmee ontstaat nog meer onduidelijkheid over de vraag of de bekennende verklaring van de rijschoolhouder betrekking heeft op het examen van eiseres. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank door verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de rijschoolhouder heeft bekend fraude te hebben gepleegd bij het door eiseres afgelegde examen.

4.5.

Ten slotte heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting eiseres nog tegengeworpen dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid die in bezwaar is geboden om haar rijvaardigheid op kosten van het CBR te laten testen. Daargelaten de vraag of het niet gebruik maken van de mogelijkheid van een rijvaardigheidstest aannemelijk kan maken dat de verklaring van rijvaardigheid destijds ten onrechte is afgegeven, overweegt de rechtbank dat verweerder dit in het bestreden besluit niet aan eiseres heeft tegengeworpen. De enkele vermelding dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid in de aanhef van het bestreden besluit waarin een opsomming van het procesverloop wordt gegeven, kan niet als een dragende motivering van het bestreden besluit worden beschouwd. Gelet hierop zal de rechtbank de tegenwerping dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de geboden rijvaardigheidstest niet in haar oordeel betrekken.

5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat de grond voor intrekking van de verklaring van rijvaardigheid zich voordeed. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres ten onrechte die verklaring heeft verkregen.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen zes weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 167,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzitter, en mr. A. Hello en

mr. A.G. van Malenstein, leden, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.