Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1986

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
4485542
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsrecht. Tegenbewijs tegen onderhandse akte ( huurovereenkomst) aangenomen zonder gelegenheid nader bewijs te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4485542 CV EXPL 15-7825

uitspraak: 4 februari 2016

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

[eiser],

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Residence Kelder Holding B.V.,

woonplaats kiezende te Papendrecht,

eiser,

gemachtigde: mr. M.W. Huijzer,

tegen:

[gedaagde],

wonende te Puttershoek,

gedaagde,

procederende in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en [gedaagde].

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 17 september 2015;

2. de conclusie van antwoord;

3. het tussenvonnis van 17 december 2015 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

4. de aantekening van de griffier dat de comparitie is gehouden op 7 januari 2016;

5. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

De feiten

1. Residence Kelder Holding B.V. (hierna: Residence) is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2013 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van [eiser] tot curator. [gedaagde] is enig aandeelhouder en bestuurder van Residence. Residence is enig aandeelhouder en bestuurder van Stonebox B.V. (hierna: Stonebox). Stonebox is gelijktijdig met Residence in staat van faillissement verklaard, eveneens met benoeming van [eiser] tot curator.

2. Residence had per 31 december 2010 een rekening-courant vordering op [gedaagde] van € 18.196,36. [gedaagde] heeft daarop drie betalingen verricht in april 2015 (€ 100,--), mei 2015 (€ 100,--) en augustus 2015 (€ 300,--) van in totaal € 500,--, zodat de rekening-courant vordering nog € 17.696,36 bedraagt.

De vordering

3. [eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 17.696,38, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2011 tot en met de dag van algehele voldoening. Daarnaast vordert hij veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 951,96 en de proceskosten.

4. [eiser] stelt daartoe – samengevat – het volgende.

Hij heeft [gedaagde] meermaals tot betaling van het openstaande bedrag aangesproken. [gedaagde] heeft bij brief van 12 januari 2014 bericht dat er geen financiële middelen zijn en dat de hem in eigendom toebehorende onroerende zaken onder water staan. Bij e-mail van 28 oktober 2014 heeft [gedaagde] vervolgens voorgesteld om een bedrag van € 3.000,-- te betalen tegen finale kwijting. Dat voorstel heeft [eiser] afgewezen. Bij e-mail van 29 maart 2015 heeft [gedaagde] bericht dat hij slechts maandelijks € 100,-- kan betalen en dat hij de eerste termijn per omgaande heeft overgemaakt. [gedaagde] heeft vervolgens in april en mei 2015 een bedrag van

€ 100,-- betaald, maar is daarna gestopt met betalen. Nadat [eiser] hem daarop heeft aangesproken, heeft hij in augustus 2015 nog een bedrag van € 300,-- voldaan. [eiser] wil een titel met betrekking tot de resterende vordering. [gedaagde] heeft die vordering niet betwist; hij heeft slechts een beroep gedaan op zijn slechte financiële situatie.

Het verweer

5. [gedaagde] voert – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – als verweer het volgende aan.

Het klopt dat hij de curator heeft bericht over zijn slechte financiële situatie. Daarvan is nog steeds sprake; inmiddels zijn de hem in eigendom toebehorende onroerende zaken tegen de helft van de marktprijs openbaar verkocht. Hieruit volgt een grote restschuld.

[gedaagde] heeft door zijn financiële situatie zijn administratie nog eens bekeken en daarbij is gebleken dat er nog sprake is van een huurovereenkomst tussen hem als verhuurder en Residence en Stonebox als huurders. Het gaat om een huurovereenkomst van twee jaar tegen een maandelijkse huurprijs van € 700,--. Die huurprijs is slechts één keer voldaan. Hij heeft dan ook nog 23 maanden van € 700,-- huur van Residence te vorderen, ofwel een totaal bedrag van € 16.100,--. Daarnaast wil hij daarover wettelijke rente vanaf 1 augustus 2011. Hij betwist dan ook alsnog de rekening-courant vordering van € 17.696,36. Residence heeft slechts een vordering op hem van € 1.596,36. Hij betwist ook de buitengerechtelijke kosten, omdat de vordering niet juist is.

Beoordeling van het geschil

6. Ter zitting heeft [eiser] betwist dat kan worden verrekend. Hij stelt dat hij twijfelt aan de authenticiteit van de door [gedaagde] overgelegde huurovereenkomst. [gedaagde] heeft daarover immers vanaf de aanvang van het faillissement niets gezegd. Daarnaast geldt dat uit de administratie van Residence en Stonebox niet blijkt van een vordering van [gedaagde] op hen.

7. Ter zitting heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat hij pas eind september 2015 op de huurovereenkomst is gestuit. Hij is toen in zijn administratie gaan zoeken in verband met de verkoop van zijn onroerende goederen.

8. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 53 Faillissementswet geldt dat hij die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, zijn schuld met zijn vordering op de gefailleerde kan verrekenen indien beide zijn ontstaan voor de faillietverklaring. Daarbij kan de curator geen beroep doen op artikel 6:136 BW.

9. Dat [gedaagde] een schuld heeft van € 17.696,36 aan Residence staat vast. Hij heeft de rekening-courant vordering immers niet betwist. Hij beroept zich echter, zo de kantonrechter begrijpt, op verrekening met een vordering die hij op Residence zou hebben. [gedaagde] voert daarmee een bevrijdend verweer. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de bewijslast daarvan op hem. Hij heeft de door hem gestelde huurovereenkomst overgelegd, die is gedateerd op 1 augustus 2011 en is ondertekend door [gedaagde] en zijn echtgenote als verhuurders en door [gedaagde] namens Residence en Stonebox als huurders.

10. Gelet op artikel 157 lid 2 Rv heeft de huurovereenkomst te gelden als een onderhandse akte die dwingende bewijskracht heeft. Op grond van artikel 151 lid 2 Rv staat tegen dit dwingend bewijs tegenbewijs open. Dat tegenbewijs kan blijkens artikel 152 lid 1 Rv worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt. Het staat de rechter vrij het tegenbewijs geleverd te achten indien hij op grond van de in het geding gebleken feiten bewezen acht dat de in de akte opgenomen verklaring onjuist is. De rechter kan immers vrijelijk aan ieder feitelijk gegeven in het geding de bewijskracht hechten die hem goeddunkt (vgl. HR 5 januari 2001, NJ 2001, 612). Daarbij geldt dat het tegenbewijs geslaagd mag worden geacht als op grond daarvan het door de akte geleverde bewijs is ontzenuwd.

11. [eiser] heeft de authenticiteit van de huurovereenkomst betwist. De kantonrechter is met [eiser] van oordeel dat het opmerkelijk is dat [gedaagde] pas bij conclusie van antwoord in deze procedure, in december 2015, een beroep heeft gedaan op die huurovereenkomst, terwijl het faillissement van Residence al loopt sinds 26 november 2013. Over de schuld van [gedaagde] aan Residence heeft [eiser] al veelvuldig contact met [gedaagde] gehad. Daarbij heeft [gedaagde] nooit een beroep gedaan op de huurovereenkomst; in plaats daarvan heeft hij zijn schuld aan Residence erkend en daarop ook betalingen gedaan. Ter zitting heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij pas in september 2015 op de hoogte is geraakt van de huurovereenkomst. Daarbij is opmerkelijk dat hij [eiser] daarover kennelijk niet onmiddellijk heeft bericht, maar vervolgens pas bij de conclusie van antwoord in deze procedure, in december 2015, een beroep daarop heeft gedaan. Voorts is van belang dat als niet weersproken vast staat dat de schuld uit de huurovereenkomst niet is opgenomen in de boekhouding van Residence of Stonebox.

12. Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat [eiser] is geslaagd in het leveren van tegenbewijs door het door [gedaagde] geleverde bewijs te ontzenuwen. Hij heeft immers gerede twijfel gezaaid over de authenticiteit van de door [gedaagde] gestelde huurovereenkomst, met name omdat de schuld niet in de boekhouding van Residence of Stonebox is terug te vinden, maar ook omdat [gedaagde] daarop niet eerder dan in het kader van deze procedure een beroep heeft gedaan. [gedaagde] heeft ook anderszins geen, althans onvoldoende, bewijs geleverd van de door hem gestelde huurovereenkomst. Het door [gedaagde] overgelegde bankafschrift is daartoe niet voldoende. Daaruit blijkt van een betaling van € 700,-- op 8 oktober 2012 met als opmerking ‘huur kantoor’. Dat het daarbij ging om de door [gedaagde] gestelde huurovereenkomst blijkt daar niet uit en bovendien betreft het een betaling van de rekening van Stonebox, welke vennootschap geen partij is in deze procedure. [gedaagde] heeft ook geen bewijsaanbod gedaan en de kantonrechter ziet geen aanleiding hem ambtshalve (getuigen)bewijs van zijn stelling op te dragen.

13. Gelet op het voorgaande is de door [gedaagde] gestelde verrekenbare vordering niet komen vast te staan. De vordering van [eiser] zal dan ook worden toegewezen.

14. De gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen, echter niet vanaf de door [eiser] gevorderde datum van 1 januari 2011, omdat niet is gebleken dat op dat moment al sprake was van verzuim. In de brief van 9 januari 2014 is [gedaagde] een redelijke termijn voor nakoming gegeven als bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW en nakoming binnen die termijn is uitgebleven, zodat [gedaagde] vanaf 20 januari 2014 in verzuim verkeerde. De wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen vanaf 20 januari 2014 en tot de dag van algehele voldoening.

15. De gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 951,96 zullen worden afgewezen, nu niet is gebleken dat is voldaan aan de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW.

16. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 17.696,38, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2014 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] bepaald op:

aan explootkosten

77,84

aan kosten GBA/KvK

1,63

aan griffierecht

466,00

aan salaris gemachtigde

600,00

totale kosten

1.145,47

,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

773