Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1982

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
19-03-2016
Zaaknummer
ROT 14/8624, ROT 14/8625 en ROT 15/1440
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand en boete. Beroep deels gegrond. Bestuurlijke lus. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op grond van de onderzoeksbevindingen op het standpunt mogen stellen dat [man] vanaf 11 april 2014 zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres. Verweerder heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat eiseres met betrekking tot de periode van 11 april 2014 tot en met 10 juli 2014 haar inlichtingenplicht, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb, heeft geschonden vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met [man] . Nu dit heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand, is verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 54, derde lid, van de Wwb, terecht tot intrekking van de bijstand over deze periode overgegaan. Tevens heeft verweerder met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de Wwb, terecht het over de periode van 10 april 2014 tot en met 30 juni 2014 ten onrechte ontvangen bedrag aan bijstand teruggevorderd.

Met betrekking tot de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 april 2014 heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met [man] . Uit het bovenstaande volgt dat het bestreden besluit 2 een gebrek heeft, omdat het onderzoek dat verweerder aan de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 april 2014 ten grondslag heeft gelegd onvoldoende is geweest.

Met betrekking tot de boete geldt dat, nu onduidelijk is wat het benadelingsbedrag vormt over de periode van 11 april 2014 tot en met 10 juli 2014, de rechtbank thans geen mogelijkheid ziet om zelf met toepassing van artikel 8:72a van de Awb de hoogte van de boete vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de schending van de inlichtingenplicht van eiseres geen sprake is van grove schuld, maar van “gewone verwijtbaarheid”. Dit leidt ertoe dat een boete van in beginsel 50% van het benadelingsbedrag is aangewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummers: ROT 14/8624, ROT 14/8625 en ROT 15/1440

tussenuitspraak van de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van 18 maart 2016 in de zaken tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. M. van Eck,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, verweerder,

gemachtigde: L.L. van der Linden.

Procesverloop

ROT 14/8625

Bij besluit van 10 juli 2014 (primair besluit 1) heeft verweerder het recht op uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) van eiseres met ingang van 1 juli 2014 ingetrokken.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 25 september 2014 (ROT 14/4702) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

Bij besluit van 31 oktober 2014 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld.

ROT 14/8624

Bij besluit van 16 juli 2014 (primair besluit 2) heeft verweerder het recht op een Wwb-uitkering van eiseres ingetrokken voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2014 en de ten gevolge hiervan te veel uitgekeerde bijstand ter hoogte van € 25.503,24 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 31 oktober 2014 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit 2 beroep ingesteld.

ROT 15/1440

Bij besluit van 12 augustus 2014 (primair besluit 3) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd ter hoogte van € 20.845,67.

Bij besluit van 16 februari 2015 (bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 3 gegrond verklaard en de boete verlaagd naar € 8.100,-.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit 3 beroep ingesteld.

ROT 14/8624, ROT 14/8625 en ROT 15/1440

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Met ingang van 1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden en is de Wwb komen te vervallen. Op grond van het overgangsrecht Wwb, geregeld in artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet, wordt in het geval een bezwaar- of beroepschrift vóór of op de datum van de inwerkingtreding van de Participatiewet is ingediend, beslist met toepassing van de Wwb. Dit is in deze zaken het geval.

2. Aan bestreden besluiten 1 en 2 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres een gezamenlijke huishouding voert met [man] , de vader van haar zoon. [man] heeft zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres. Dit volgt onder meer uit het (gestegen) waterverbruik, de pintransacties van [man] in [woonplaats] , de door verweerder verrichte waarnemingen en de verklaringen van eiseres. Eiseres heeft, in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting, geen melding gemaakt aan verweerder van het voeren van een gezamenlijke huishouding.

3. Aan bestreden besluit 3 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding en dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door hiervan geen melding te doen. Er is sprake van grove schuld en daarom dient de boete te worden verlaagd naar 75% met een maximum van een geldboete van de derde categorie, zoals bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, dus € 8.100,-. Eiseres is in eerdere onderzoeken al gewezen op het belang van de frequentie van de bezoeken van [man] . Eiseres had dan ook kunnen weten dat een toename hiervan van invloed zou zijn op haar recht op een uitkering.

4. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij geen gezamenlijke huishouding voert met [man] . [man] en eiseres hebben een knipperlichtrelatie. [man] komt wel in de woning van eiseres om zijn zoon te zien. In de zomer van 2013 heeft eiseres een (groot) zwembad voor haar zoontje een aantal keer gevuld. Dit verklaart het gestegen waterverbruik. Dat de auto van [man] in de periode van 11 april 2014 tot en met 12 juni 2014 vaak is gezien in de buurt van de woning van eiseres zegt niets over de periode daarvoor. Voorts betekent dit ook niet dat [man] daadwerkelijk bij eiseres verbleef. [man] heeft collega’s in de buurt wonen met wie hij carpoolt en er is niet gezien dat hij de woning van eiseres verlaat. Dat [man] geregeld pint in de buurt van de woning van eiseres en dat hij zijn woning heeft onderverhuurd, betekent evenmin dat hij bij eiseres woont. Er is geen sprake van financiële verstrengeling. Eiseres heeft aangifte van huiselijk geweld gedaan. Nu eiseres haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden, is verweerder ten onrechte tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering en tot oplegging van een boete overgegaan. Mocht er toch sprake zijn van een gezamenlijke huishouding, kan aan eiseres geen grove schuld worden verweten maar hooguit verminderde verwijtbaarheid. Eiseres had geen invloed op wanneer en hoe vaak [man] langs kwam. Dit was ook bekend bij verweerder. Daarbij is eiseres onvoldoende weerbaar. Er zijn dringende redenen om van het opleggen van een boete af te zien.

Intrekking en terugvordering
5. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wwb wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wwb, voor zover voor deze zaak van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 54, derde lid, van de Wwb, voor zover voor deze zaak van belang en zoals dit luidde vanaf 1 juli 2013, herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt hij een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Artikel 58, eerste lid, van de Wwb, voor zover voor deze zaak van belang, bepaalt dat het college de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

6. Ter beoordeling ligt voor of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres in de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 juli 2014 haar inlichtingenplicht heeft geschonden vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met [man] . Daarbij merkt de rechtbank op dat de besluiten tot intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering van de, volgens verweerder, ten onrechte betaalde uitkering voor eiseres belastende besluiten zijn, waarbij het aan verweerder is de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan op verweerder rust.

7. Aangezien vaststaat dat eiseres en [man] samen een zoon hebben, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of eiseres en [man] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Of al dan niet sprake was van financiële verstrengeling is in dit kader niet van belang. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

8. Uit de rapportage van 7 juli 2014 blijkt dat in oktober 2008 en juli 2009 huisbezoeken hebben plaatsgevonden in de woning van eiseres. Hieruit is geconcludeerd dat eiseres en [man] geen gezamenlijke huishouding voerden. Uit de bankafschriften van [man] volgt dat de pintransacties vanaf mei 2012 voornamelijk in [woonplaats] hebben plaatsgevonden. Vanaf december 2012 heeft [man] huurbetalingen ontvangen voor zijn woning aan de [adres] . Op dat adres van [man] staat vanaf januari 2013 ook een gezin ingeschreven. Op 10 april 2014 is een man voor de woning van eiseres op een tuinbank gezien. In de periode van 11 april 2014 tot en met 12 juni 2014 zijn in totaal 63 waarnemingen bij de woning van eiseres verricht, waarbij de auto van [man] 49 keer is gezien. Op 25 juni 2014 is een huisbezoek verricht. Hierbij zijn eiseres, haar moeder, de zoon van eiseres en [man] aangetroffen. Tijdens het huisbezoek heeft [man] onder meer verklaard zijn eigen adres meer als postadres te gebruiken. Op de vraag waar [man] doucht en eet geeft hij aan dat hij dit bij eiseres doet, maar ook onderweg als hij aan het werk is. Als hij de volgende dag om 8:00 uur moet beginnen, slaapt hij bij eiseres. Hij is internationaal chauffeur en slaapt ook onderweg in zijn vrachtwagen. [man] heeft kleding in de woning en eiseres wast zijn kleding. [man] heeft ook kleding in zijn vrachtwagen en bij zijn vader. Eiseres helpt [man] , zo heeft hij verklaard, met zijn administratie. Deze administratie is in de woning van eiseres aanwezig. Tijdens het gesprek op 26 juni 2014 heeft eiseres onder meer verklaard dat het sinds anderhalf jaar beter gaat tussen haar en [man] en dat zijn verblijf bij haar sindsdien geleidelijk aan steeds meer is geworden. De laatste maand is [man] volgens eiseres zo’n twintig keer langs geweest, maar hij is niet elke keer blijven slapen. Voorts heeft eiseres verklaard dat zij voor haar zoontje een zwembad heeft gekocht waar 6.000 liter water in kan wat het hogere waterverbruik kan verklaren. Uit het onderzoek volgt verder dat het waterverbruik sinds

12 oktober 2012 is gestegen en oploopt naar een gemiddeld verbruik van een driepersoonshuishouden.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op grond van de onderzoeksbevindingen op het standpunt mogen stellen dat [man] vanaf 11 april 2014 zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres. Daartoe acht de rechtbank met name van belang dat uit de waarnemingen over de periode van 11 april 2014 tot en met 12 juni 2014 volgt dat de auto van [man] 49 van de 63 keer in de directe nabijheid van de woning van eiseres is gezien, waarbij is gebleken dat [man] op verschillende tijden in de ochtend vanaf die plek naar zijn werk in [plaats] is vertrokken, alwaar zijn auto vervolgens werd gezien, waarna ‘s avonds de auto weer in de directe nabijheid bij de woning van eiseres werd waargenomen. Daarbij komt dat [man] tijdens het onaangekondigde huisbezoek op 25 juni 2014 in de woning van eiseres aanwezig was, waarbij hij heeft verklaard dat hij zijn eigen adres meer als postadres gebruikt en dat hij doucht en eet bij eiseres en onderweg als hij aan het werk is. Dit terwijl op het adres van [man] vanaf december 2012 een gezin stond ingeschreven, waarvan [man] huurbetalingen ontving.

10. Eiseres heeft bij de diverse bevindingen van verweerder toelichtingen, nuanceringen en alternatieve verklaringen naar voren gebracht. Deze acht de rechtbank echter, ook in onderling verband beschouwd, onvoldoende overtuigend om af te kunnen doen aan het overheersende totaalbeeld dat naar voren komt uit de bevindingen van verweerder. Verweerder heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat eiseres met betrekking tot de periode van 11 april 2014 tot en met 10 juli 2014 haar inlichtingenplicht, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb, heeft geschonden vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met [man] .

11. Nu eiseres met betrekking tot de periode van 11 april 2014 tot en met 10 juli 2014 haar inlichtingenplicht heeft geschonden en nu dit heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand, is verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 54, derde lid, van de Wwb, terecht tot intrekking van de bijstand over deze periode overgegaan. Tevens heeft verweerder met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de Wwb, terecht het over de periode van 10 april 2014 tot en met 30 juni 2014 ten onrechte ontvangen bedrag aan bijstand teruggevorderd. Dit brengt mee dat het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond dient te worden verklaard.

12. Gedurende de periode van 1 januari 2013 tot 11 april 2014 zijn geen waarnemingen naar [man] verricht, waarbij de rechtbank opmerkt dat bij de waarneming op 10 april 2014 slechts staat genoteerd dat er een man op een tuinbank wordt gezien zonder dat duidelijk wordt om wie dit gaat. Ten aanzien van het waterverbruik wordt overwogen dat dit deels is gebaseerd op een geschatte stand en dat verweerder de verklaring van eiseres dat het waterverbruik is toegenomen vanwege het grote zwembad dat zij een aantal keer heeft gevuld niet nader heeft onderzocht. Voorts is het elektraverbruik in de woning niet onderzocht. Hierdoor kan aan het waterverbruik niet de betekenis worden toegekend die verweerder daaraan toekent. De omstandigheden dat eiseres op 26 juni 2014 heeft verklaard dat het sinds anderhalf jaar beter gaat tussen haar en [man] en dat zijn verblijf bij haar sindsdien geleidelijk aan is toegenomen, dat [man] zijn woning gedurende deze periode heeft onderverhuurd en dat de pintransacties gedurende deze periode voor het merendeel hebben plaatsgevonden in [woonplaats] , zijn, ook in onderlinge samenhang, onvoldoende voor het oordeel dat [man] ook gedurende de periode van 1 januari 2013 tot en met

10 april 2014 zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres had. Met betrekking tot deze periode heeft verweerder dan ook niet aannemelijk gemaakt dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met [man] .

13. Uit het bovenstaande volgt dat het bestreden besluit 2 een gebrek heeft, omdat het onderzoek dat verweerder aan de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 april 2014 ten grondslag heeft gelegd onvoldoende is geweest.

14. Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslecht de rechtbank het haar voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te (laten) herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. Verweerder heeft ter zitting beaamd dat, nu het gaat om een periode van ongeveer twee jaar geleden, het gebrek niet is te herstellen door alsnog nader onderzoek te verrichten. Verweerder dient dan ook primair besluit 2 te herroepen voor zover de bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 2013 tot en met

10 april 2014 is ingetrokken en daarbij het terug te vorderen bedrag opnieuw vast te stellen. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid het gebrek op deze wijze binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen.

Boete

15. Het betoog van eiseres dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting over de periode 11 april 2014 tot en met 10 juli 2014 niet heeft geschonden, is onder 9. en 10. verworpen. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen reden om ten aanzien van de boeteoplegging tot een ander oordeel te komen. Nu echter uit overweging 12. en 13. volgt dat over de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 april 2014 geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht, heeft bestreden besluit 3 een gebrek. Omdat onduidelijk is wat het benadelingsbedrag vormt over de periode van 11 april 2014 tot en met 10 juli 2014, ziet de rechtbank thans geen mogelijkheid om zelf met toepassing van artikel 8:72a van de Awb de hoogte van de boete vast te stellen.

16. De rechtbank ziet aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek in bestreden besluit 3 binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen. Hierbij dient verweerder acht te slaan op het volgende.

17. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad; bijvoorbeeld de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:11) dient bij een bestuurlijke boete een weging plaats te vinden van alle feiten en omstandigheden en moet de hoogte van de boete worden afgestemd op de individuele situatie van de betrokkene. Een beboetbare gedraging leidt bij “gewone” verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Onder opzet in dit verband wordt verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Aangezien opzet of grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden, die zullen leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om aan te tonen dat daarvan sprake is. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met door de betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Voorts volgt uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad dat bij de beoordeling of de boete voldoet aan de eisen van een evenredige sanctie de mate waarin een boete de betrokkene treft van belang is en dat de draagkracht van de betrokkene kan leiden tot matiging van de boete.

18. De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de schending van de inlichtingenplicht van eiseres over de periode van 11 april 2014 tot en met 10 juli 2014 geen sprake is van grove schuld, maar van “gewone verwijtbaarheid”. Eiseres was al twee keer eerder geconfronteerd met een onderzoek naar een gezamenlijke huishouding met [man] en zij had kunnen weten dat een verandering in de relatie, en met name zijn verblijf in haar woning, van belang was voor haar recht op bijstand en dat zij dit aan verweerder diende te melden. Dit maakt echter, in tegenstelling tot waarvan verweerder is uitgegaan, niet dat sprake is van een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om, zoals eiseres betoogt, verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Dat de gezamenlijke huishouding, zoals eiseres stelt, tegen haar zin in tot stand is gekomen, dat zij de regie niet voerde over de frequentie van de bezoeken van [man] en dat zij onvoldoende weerbaar is, maakt niet dat eiseres verweerder er niet van op de hoogte had kunnen stellen dat [man] zijn hoofdverblijf bij haar had.

19. Wat hiervoor is overwogen leidt ertoe dat een boete van in beginsel 50% van het benadelingsbedrag is aangewezen. Bij het herstellen van het gebrek dient verweerder verder te betrekken dat eiseres over haar draagkracht heeft verklaard dat zij een bijstandsuitkering heeft en een schuld bij verweerder heeft naar aanleiding van het teruggevorderde bedrag aan uitkering. Van dringende redenen om af te zien van de oplegging van de boete is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

20. Als verweerder gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in de besluitvorming te herstellen, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken schriftelijk te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel zal de rechtbank vervolgens het onderzoek sluiten en zonder nadere zitting uitspraak doen.

21. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, dient hij dit binnen twee weken na verzending van deze uitspraak schriftelijk kenbaar te maken. In dat geval zal de rechtbank het onderzoek sluiten en zonder nadere zitting uitspraak doen.

22. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid het gebrek in bestreden besluiten 2 en 3 binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

  • -

    draagt verweerder op, indien hij van deze gelegenheid geen gebruik maakt, dit binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak schriftelijk kenbaar te maken;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, voorzitter, mr. E. Lunenberg en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.