Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1916

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
19-03-2016
Zaaknummer
ROT 14/4041
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstandsuitkering. Anonieme tip dat eiseres onroerende goederen bezit in Turkije. Gevraagd om bewijsstukken met betrekking tot vermogen in Turkije vanaf 1997. Eiseres heeft verzuimd binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens over te leggen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij binnen de aanvankelijk gestelde en vervolgens verlengde termijn redelijkerwijs niet over de gevraagde gegevens heeft kunnen beschikken. Aan in bezwaar en in beroep overgelegde stukken komt geen betekenis toe. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/4041

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 maart 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. M. Soytekin,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. C.W. de Jong.

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2014 (primair besluit 1, opschortingsbesluit) heeft verweerder het recht op uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) van eiseres per 12 november 2014 opgeschort.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 3 februari 2015 (ROT 14/9163) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

Bij besluit van 6 januari 2015 (primair besluit 2, intrekkingsbesluit) heeft verweerder het recht op uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) van eiseres met ingang van 12 november 2014 ingetrokken.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 31 maart 2015 (ROT 15/1491) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

Bij besluit van 2 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. F. Özer, kantoorgenoot van haar gemachtigde, en vergezeld door [dochter] , dochter van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [tolk] , tolk.

Overwegingen

1. Met ingang van 1 januari 2015 is de Pw in werking getreden en is de Wwb komen te vervallen. Op grond van het overgangsrecht Wwb, geregeld in artikel 78z, vierde lid, van de Pw, wordt in het geval een bezwaar- of beroepschrift vóór of op de datum van de inwerkingtreding van de Pw is ingediend, beslist met toepassing van de Wwb. Dit betekent dat de Wwb van toepassing is op de opschorting en de Pw van toepassing is op de intrekking. Dit heeft echter geen gevolgen aangezien artikel 54 van de Wwb gelijkluidend is aan artikel 54 van de Pw.

2. Bij het opschortingsbesluit is eiseres verzocht uiterlijk 26 november 2014 verifieerbare bewijsstukken met betrekking tot haar vermogen in Turkije vanaf het jaar 1997 over te leggen. Verweerder heeft eiseres daarbij medegedeeld dat als zij onvoldoende gevolg geeft aan deze brief, haar uitkering wordt beëindigd. Bij brief van 4 december 2014 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat nog niets van haar vernomen is en dat zij nogmaals de gelegenheid krijgt, en wel tot 28 december 2014, om verifieerbare bewijsstukken van het kadaster met betrekking tot haar vermogen in [stad] in Turkije vanaf 1997, inclusief een Nederlandse vertaling hiervan, over te leggen. Verweerder heeft daarbij vermeld dat, indien de gegevens niet of niet tijdig worden overgelegd, de uitkering uiteindelijk wordt beëindigd en een boete kan worden opgelegd.

3. Bij het intrekkingsbesluit heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres per 12 november 2014 ingetrokken, omdat zij niet of slechts gedeeltelijk de gevraagde informatie heeft gegeven. Verweerder kan het recht op uitkering daarom niet vaststellen.

4. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat naar aanleiding van een anonieme tip het Internationaal Bureau Fraude-Informatie (IBF) een onderzoek heeft gestart in Turkije. De uitkomst van dit onderzoek wees erop dat eiseres een appartement en een werkplaats in Turkije bezat. Deze stonden sinds 5 mei 2014 op naam van haar moeder. Hiermee is niet komen vast te staan wie de eigenaar was voor 5 mei 2014. Verweerder heeft eiseres in de gelegenheid gesteld bewijzen met betrekking tot vermogen in Turkije vanaf het jaar 1997 over te leggen en heeft de termijn hiervoor verlengd. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij tevergeefs heeft geprobeerd deze informatie te verkrijgen. De verklaring van de huurder is een begin van bewijs dat zij kan beschikken over onroerend goed in Turkije. Het eventuele tegenbewijs heeft eiseres na het verstrijken van de termijn ingeleverd en hoeft daarom niet meegenomen te worden in de beoordeling.

5. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Verweerder had eiseres de cautie moeten geven voorafgaand aan het verhoor. Nu verweerder dit heeft nagelaten dienen haar verklaringen buiten beschouwing te worden gelaten. Een anonieme tip is niet voldoende om een onderzoek te starten. Dat eiseres belasting voor de onroerende goederen heeft betaald voor haar moeder betekent niet dat zij ook eigenaar hiervan is. De huur is aan haar moeder betaald. De taxatie is niet juist en niet uitgevoerd door een taxateur. De gevraagde bewijsstukken zijn voor eiseres redelijkerwijs niet te verkrijgen, te meer nu het een zeer lange periode betreft. Omdat het een belastend besluit is, ligt de bewijslast bij verweerder. Uit de verklaring van het Turkse kadaster van

15 juni 2015 volgt dat eiseres na april 1997 geen onroerend goed heeft op haar naam. De besluiten tot opschorting en intrekking van haar uitkering zijn, volgens eiseres, onevenredig belastend.

6. In artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb/Pw is bepaald dat indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft.

In het tweede lid is bepaald dat het college aan de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen de door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen.

In het vierde lid is bepaald dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

7. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat een relevante, concrete en voldoende onderbouwde (anonieme) melding aanleiding kan geven voor het instellen van een nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand (bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3917). Naar het oordeel van rechtbank is in de onderhavige zaak sprake van een relevante, concrete en voldoende onderbouwde melding. De tip die aanleiding is geweest voor nader onderzoek bevat specifieke informatie over bezittingen van eiseres in Turkije, waaronder een Turkse pizzabakkerij, een luxe huis en een auto, waarbij ook een bedrag wordt genoemd aan ontvangen huur. Voor verweerder bestond dan ook voldoende aanleiding een nader onderzoek te starten. De persoon van de tipgever en diens intenties bij het geven van de tip zijn voor het instellen van het onderzoek overigens niet relevant.

8. Eveneens volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB dat de rechtsfiguur van intrekking van bijstand niet kan worden beschouwd als een punitieve of bestraffende sanctie maar als een op herstel gerichte maatregel. In gevallen als hier aan de orde bestaat er voor het bestuursorgaan, anders dan bij punitieve sancties, geen wettelijke verplichting om de betrokkene voorafgaand (met het geven van de cautie als bedoeld in artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht) te horen (bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van

21 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3772, en 3 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6621). Dat eiseres er voorafgaand aan de door haar afgelegde verklaring niet op is gewezen dat zij mocht zwijgen, leidt dan ook niet tot de conclusie dat die verklaring door verweerder niet bij de besluitvorming mocht worden betrokken of dat verweerder geen nadere gegevens mocht opvragen. Verder is niet gebleken dat eiseres bij het afleggen van haar verklaring op ontoelaatbare wijze onder druk is gesteld.

9.1.

De rechtbank overweegt dat verweerder naar aanleiding van de anonieme tip het IBF heeft ingeschakeld om onderzoek te doen naar mogelijk onroerend goed van eiseres in Turkije. In de rapportage van het IBF is vermeld dat sprake is van samengevoegde werkplaatsen die worden getaxeerd op € 25.000,- en een appartement dat wordt getaxeerd op € 20.000,-. Voorts vermeldt de rapportage dat uit belastingaangiftes van eiseres blijkt dat zij de werkplaatsen sinds 1997 en het appartement sinds 1990 volledig bezit. De werkplaatsen worden verhuurd voor 4500 TL per jaar. Uit het verslag van het gesprek dat verweerder op 22 september 2014 met eiseres heeft gevoerd blijkt dat eiseres heeft verklaard dat zij geen eigendommen in Turkije heeft, dat de onroerende goederen van haar moeder zijn en dat zij in Turkije informatie gaat opvragen waaruit blijkt dat het onderzoek niet klopt. Ook heeft eiseres verklaard dat zij, toen haar vader was overleden, machtigingen heeft ondertekend en dat daardoor onroerende zaken op haar naam zullen zijn gezet. Op 23 oktober 2014 heeft eiseres een aantal stukken overgelegd, waaronder een uittreksel van het Turkse kadaster dat de onroerende goederen op naam van haar moeder staan sinds 5 mei 2014. Voor zover deze stukken al iets zeggen over de situatie op dat moment, geven deze stukken geen duidelijkheid over het eigendom van deze onroerende goederen in de periode voor 5 mei 2014.

9.2.

Omdat eiseres deze informatie vervolgens niet heeft verstrekt en verweerder nog over onvoldoende gegevens beschikte met betrekking tot de onroerende goederen en de eigendom ervan, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid de Wwb-uitkering van eiseres kunnen opschorten met ingang van 12 november 2014.

10.1.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de Wwb/Pw bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat volgens vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld de uitspraak van 12 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:61) ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

10.2.

De rechtbank overweegt dat verweerder aan eiseres heeft kunnen vragen verifieerbare bewijsstukken met betrekking tot (mogelijk) vermogen in Turkije vanaf het jaar 1997 over te leggen, omdat deze van belang waren voor het vaststellen van het recht op bijstand. Uit het dossier is gebleken dat eiseres op 23 december 2014 aan verweerder een verklaring van de directeur van het eigendomsregister van 12 december 2014, inclusief vertaling, heeft overgelegd, waaruit volgt dat eiseres als deelgenoot aandelen heeft in onroerende goederen in het dorp [dorp] . Ook heeft zij een aantal in de Turkse taal gestelde lijsten overgelegd, waarvan de inhoud, nu een vertaling ontbrak, niet duidelijk is. Aangezien verweerder om stukken met betrekking tot vermogen in Turkije over de periode vanaf 1997 had gevraagd, had eiseres redelijkerwijs kunnen begrijpen dat deze stukken niet voldoende waren. Eiseres heeft dan ook verzuimd binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens over te leggen.

10.3.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij binnen de aanvankelijk gestelde en vervolgens verlengde termijn redelijkerwijs niet over de gevraagde gegevens heeft kunnen beschikken. Eiseres heeft binnen de gestelde termijn niet verzocht om verlenging van de termijn omdat zij nog doende zou zijn met het verkrijgen van de benodigde stukken. Eerst ter zitting heeft eiseres gesteld dat haar dochter meermaals om uitstel zou hebben verzocht, maar deze stelling heeft zij verder niet onderbouwd, zodat hieraan voorbij wordt gegaan. De stelling van eiseres dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar gemoedstoestand na het overlijden van haar moeder, kan haar niet baten, aangezien verweerder de hersteltermijn met ruim een maand heeft verlengd.

10.4.

Onder verwijzing naar eveneens vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld de uitspraak van 4 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:857) komt, anders dan eiseres mogelijk betoogt, bij de beoordeling van een besluit tot intrekking van bijstand na en in verband met de opschorting van het recht daartoe in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die tijdens de bezwaar- of beroepsfase alsnog worden verstrekt. Aan de in bezwaar alsnog overgelegde (vertaalde) stukken en aan de in beroep overgelegde verklaring van 15 juni 2015 van het Turkse kadaster komen om die reden dan ook geen betekenis toe.

10.5.

De stellingen van eiseres met betrekking tot de waarde van de onroerende zaken en de huurbetalingen aan haar moeder zijn in het kader van deze procedure niet relevant.

10.6.

In wat eiseres heeft aangevoerd ligt geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand met ingang van

12 november 2014 gebruik heeft kunnen maken. Gelet op het bepaalde in artikel 54, vierde lid, van de Pw was verweerder dan ook bevoegd de bijstandsuitkering met ingang van

12 november 2014 in te trekken.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzitter, en mr. A. van Gijzen en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.