Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1886

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
18-03-2016
Zaaknummer
C/10/494857 / KG ZA 16-154
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffen beslag. Onrechtmatige wijze van doorstarten van onderneming gefailleerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/805
INS-Updates.nl 2016-0139
UDH:TvCu/13165 met annotatie van prof. mr. A.W. Jongbloed
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/494857 / KG ZA 16-154

Vonnis in kort geding van 3 maart 2016

in de zaak van

[eiser]

,

wonende en gevestigd te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.W.M. Roozeboom te Schiedam,

tegen

[gedaagde]

, kantoorhoudende en wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.G. van den Boogerd te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en de curator genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 16 februari 2016, met producties 1 tot en met 11

  • -

    producties 12 en 13 van [eiser]

  • -

    productie 1 van de curator

  • -

    de mondelinge behandeling op 24 februari 2016

  • -

    de pleitnota tevens aanvulling eis van [eiser]

  • -

    de pleitnota van de curator.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij arrest van 3 juli 2014 van het gerechtshof Den Haag zijn de vennootschap onder firma [bedrijf1] (hierna: de vof of gefailleerde) en haar vennoten (hierna: [persoon1] en [persoon2] ) in staat van faillissement verklaard. Gedaagde is tot curator benoemd. Gefailleerde exploiteerde een schoonmaakbedrijf.

2.2.

[eiser] was als schoonmaker in dienst bij de vof. Tussen enerzijds de vof en haar vennoten en anderzijds [eiser] is kennelijk nimmer een (schriftelijke) arbeidsovereenkomst gesloten. Bij brief van 14 juli 2014 van de curator aan [eiser] heeft de curator, met machtiging van de rechter-commissaris, de (mondelinge) arbeidsovereenkomst van [eiser] met gefailleerde tegen de vroegst mogelijke datum opgezegd. Op 9 juli 2014 had [persoon2] [eiser] verwittigd van het faillissement en hem (meegedeeld dat hij was) ontslagen.

2.3.

[eiser] heeft op 10 juli 2014 de eenmanszaak DPN Cleaning (hierna: DPN) doen inschrijven in het handelsregister van de kamer van koophandel. DPN exploiteert een schoonmaakbedrijf. In het handelsregister staat [eiser] als eigenaar van DPN ingeschreven. Hij is op 10 juli 2014 in functie getreden.

2.4.

In een brief d.d. 10 juli 2014, met als afzender DPN, staat het volgende vermeld:

“Beste mevrouw, mijnheer,

Vanaf komende maand zal de firma de [bedrijf1] niet meer in naam bestaan

De werkzaamheden zullen verder gaan onder de naam DPN cleaning

U zult hier bij de werkzaamheden niks van merken, en ook het personeel blijft hetzelfde.

Alleen de factuur en het rekening nummer zal veranderd worden

De [bedrijf1] bedankt u ook voor al het vertrouwen en de fijne samenwerking de afgelopen jaren.

Nieuwe gegevens zijn DPN Cleaning

KvK 000030195136

[rekeningnummer]

Voor vragen kunt u contact opnemen met dhr [eiser]

Bereikbaar onder nummer [telefoonnummer]

Met vriendelijke groet

DPN Cleaning”

2.5.

[eiser] heeft op 4 november 2015 bij de politie aangifte gedaan, in welke aangifte hij onder meer heeft verklaard dat hij geen brieven (als de hiervoor onder 2.4 geciteerde brief) uit naam van DPN Cleaning heeft verstuurd.

2.6.

In antwoord op een e-mail van de curator heeft [persoon2] in een e-mail d.d. 6 november 2015 aan de curator, over o.a. de brief d.d. 10 juli 2014, het volgende verklaard:

“ De brief is inderdaad door mij getypt.

Wij waren toen een week failliet en inmiddels waren er al klanten volgens mij bij ons weg wij zaten in onze afrondende fase

En dpn cleaning was toen al begonnen met een nieuw bedrijf en had netjes die klanten geïnformeerd telefonisch en met gesprekken

Ik wilde het netjes afhandelen met onze oude klanten on hun de gegevens van het nieuwe bedrijf waar hun uit zich zelf naar toe waren gegaan

De [bedrijf1] bestond immers niet meer en hun te bedanken voor hun jarenlange geloof in ons bedrijf

10 juli was ook de laatste dag van onze werkzaamheden.

Ik heb toen de gegevens aan dpn cleaning gevraagd en medegedeeld aan de klanten dat wij niet meer bestonden, want dit was verder ook niet door jou gedaan.

Er zaten meer kapers op de kust dus meteen de gegevens doorgegeven van het nieuwe bedrijf

Als ik de brief lees kan zou je kunnen denken dat er een overname in zit

Dit is zoals ik je al vaker hebt gezegd niet aan de orde

Dpn cleaning heeft zelf een bedrijf opgezet zonder medeweten van ons daarna wel gevraagd of peter en nog een medewerker bij hem in dienst kwamen

Dit hebben hun toen meteen gedaan om werk te hebben

Als dit een suggestie bij jij oplevert over overname is dit verkeerd geïnterpreteerd

Mijn idee was alleen toendertijd in overleg met dpn cleaning om dit om een nette manier over te geven aan een aantal oude klanten

Ik weet eigenlijk niet precies aan welke oude klanten

Ik zou nu ook niet weten welke klanten dpn cleaning in zijn beheer heeft

Ik zou me ook kunnen voorstellen dat dpn cleaning niet eens meer weet welke klanten dit waren

Ik heb me computer ook leeg gemaakt en heb hier verder helemaal geen gegevens meer dus zou het je niet kunnen

vertellen

Blijkbaar weet jij dit beter want jij hebt een kopie van een klant gehad dan

Het valt me toch tegen dat je op onderzoek bent gegaan terwijl er duidelijk is dat er geen overname is geweest

Het klinkt natuurlijk allemaal wel zo maar is in dit geval totaal niet waar

Het jammere is dat dit nu allemaal zo lang duurt, voordat jij je onderzoek blijkbaar afrond

Ik heb al vaker gezegd er is zowel bij ons als bij dpn cleaning niks te halen

Ik denk dat je blij mag zijn dat er meerdere mensen aan het werk zijn

Zodra dpn cleaning in de problemen komt zou dit voor nog meer mensen een groot probleem worden

Laat het rusten het is meer als een jaar geleden

Ik snap dat je voor ons de schuldeisers na wilt komen, maar niet op deze manier.

(…)”

2.7.

De curator heeft, na verkregen verlof d.d. 11 januari 2016 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ten laste van [eiser] op 12 januari 2016 conservatoir (derden)beslag doen leggen onder (1) de stichting: Stichting Woonplus Schiedam te Schiedam (hierna: Woonplus) en (2) Nolet Distillery B.V. te Schiedam (hierna: Nolet). Daarbij is de vordering begroot op € 195.000,00, inclusief rente en kosten (hierna: beslag I).

2.8.

Het beslag I onder Woonplus is niet (tijdig) overbetekend, ten gevolge waarvan dit beslag is komen te vervallen. De curator heeft daarom, na verkregen verlof d.d. 5 februari 2016, op 9 februari 2016 ten laste van [eiser] wederom onder Woonplus conservatoir (derden)beslag doen leggen. De vordering is eveneens begroot op € 195.000,00, inclusief rente en kosten (hierna: beslag II).

Beslag I en beslag II worden hierna tezamen ‘de beslagen’ genoemd.

2.9.

Volgens [eiser] hebben de beslagen voor een bedrag van € 30.000,00 doel getroffen. De curator heeft nog niet alle derdenverklaringen ontvangen.

2.10.

De curator heeft bij dagvaarding d.d. 26 januari 2016 jegens [eiser] de hoofdzaak aanhangig gemaakt.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis (verkort en zakelijk weergegeven), na aanvulling van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar hij voorraad, om:

1. primair:

op te heffen de beslagen;

subsidiair:

op te heffen de beslagen, onder de voorwaarde dat [eiser] een bankgarantie stelt ten bedrage van € 10.000,00, dan wel een zodanig bedrag dat UEA in goede justitie vermeent te behoren;

2. de curator te veroordelen tot het doen van een mededeling van de opheffing van de respectieve beslagen, mede aan Woonplus en Nolet, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte van de dag dat de curator hiermee in gebreke blijft vanaf betekening van dit vonnis;

3. de curator te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

De curator voert verweer. De curator heeft geen bezwaar gemaakt tegen de aanvulling van eis.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Het verweer van de curator, voor zover zij dit heeft gehandhaafd, inhoudende dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij de jegens de curator gevorderde voorzieningen, wordt verworpen.

Artikel 705 Wetboek van Rechtsvordering (Rv) biedt de beslagschuldenaar, die in beginsel niet wordt gehoord en die tegen een verleend verlof geen rechtsmiddel kan aanwenden, de mogelijkheid in kort geding opheffing van het beslag te vorderen. Een spoedeisend belang bij die opheffing wordt in dat artikel niet als voorwaarde gesteld. In zoverre is dit artikel een lex specialis ten opzichte van artikel 254 Rv.

Materiële toetsingskader

4.2.

Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

Standpunt van de curator

4.3.

In de visie van de curator heeft [eiser] onterecht gemeend zich de klanten van gefailleerde te kunnen toe-eigenen zonder met de curator in overleg te treden over een daarvoor te betalen passende, marktconforme vergoeding (voor activa en goodwill). Deze handelwijze van [eiser] dient primair als onrechtmatig concurrerend tegen gefailleerde, althans de failliete boedel, te worden aangemerkt. (Meer) subsidiair stelt de curator zich op het standpunt dat deze handelwijze op grond van artikel 3:84 lid 1 BW j artikel 23 Fw, althans artikel 3:45 BW e.v., (ver)nietig(baar) is.

Meer in het bijzonder stelt de curator dat [eiser] per (althans vanaf) 10 juli 2014 ruim 80% van het klantenbestand van gefailleerde heeft overgenomen, als ook lopende contracten en onderhanden werk (het percentage is gerelateerd aan een aandeel in de gerealiseerde maandomzet van juni 2014). Daarnaast stelt de curator dat [eiser] personeel van de vof in dienst heeft genomen (waaronder [persoon1] , de persoonlijk failliet verklaarde vennoot van gefailleerde). Volgens de curator heeft [eiser] (feitelijk) een doorstart gemaakt, zonder voor het bedrijfsdebiet van gefailleerde te hebben betaald. De failliete boedel loopt daardoor geld mis. [persoon2] heeft ook (impliciet) bevestigd dat sprake is van een doorstart door [eiser] , aldus de curator. [eiser] heeft, ongetwijfeld in nauw overleg en samenspraak met [personen1/2] , een mogelijke doorstart vanuit faillissement doelbewust gefrustreerd. Daarbij heeft de curator opgemerkt dat als gevolg van de op eigen initiatief verrichte handelwijze van de vennoten van gefailleerde een doorstart vanuit faillissement feitelijk illusoir is geworden en [eiser] zo de boedel heeft kunnen ontdoen (van een deel) van haar activa zonder daarvoor een vergoeding te betalen. De vennoten hebben voorts in de visie van de curator haar geen enkel inzicht willen geven in de bedrijfsvoering van de vof ter afwikkeling van de failliete boedel.

De curator heeft in de gegeven omstandigheden tot meerdere zekerheid van verhaal van haar summierlijk aannemelijke vordering ten behoeve van de failliete boedel ten laste van [eiser] gerechtvaardigd de beslagen mogen leggen onder een 2-tal debiteuren van hem en voorheen van gefailleerde (Woonplus en Nolet). De hoogte van de vordering waarvoor de beslagen zijn gelegd, heeft de curator gerelateerd aan de koopprijs voor de overname van de bedrijfsactiviteiten van de vof die zij gelijkstelt aan 50% van de jaaromzet van € 300.000,00 (de omzet op vaste klanten bedroeg ongeveer € 25.000,00 per maand, exclusief btw), zijnde de als gevolg van het handelen van [eiser] opgetreden schade voor de boedel, te vermeerderen met rente en kosten.

Standpunt van [eiser]

4.4.

Primair stelt [eiser] dat de curator geen vordering op hem heeft. [eiser] heeft betwist dat sprake is van een doorstart. Hij verwijt de curator dat zij onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van de door haar gepresenteerde feiten en bovendien te lang heeft gewacht met de aansprakelijkheidsstelling jegens [eiser] .

Indien en voor zover de voorzieningenrechter van oordeel is dat wel sprake is van een voortzetting van de onderneming van gefailleerde door [eiser] , is [eiser] subsidiair van mening dat een goodwill van € 355,00 een redelijke vergoeding zou zijn voor 80% van het klantenpakket van gefailleerde. [eiser] stelt dat de waarde van de onderneming beter berekend kan worden op basis van de rentabiliteitswaarde. Bij deze methode wordt de contante waarde van het genormaliseerde winstniveau berekend met behulp van een nader vast te stellen rentevoet. In dat verband heeft [eiser] productie 12 overgelegd.

Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter

4.5.

Bij de voorzieningenrechter bestaat op grond van de stellingen van partijen en de in dit kort geding overgelegde producties de indruk dat in deze zaak aan de zijde van [eiser] sprake is van een samenloop van iets te veel toevalligheden, en tegenstrijdigheden in ingenomen stellingen, om voorshands te kunnen oordelen dat de vordering van de curator summierlijk ondeugdelijk is omdat geen sprake zou zijn geweest van een doorstart van de onderneming van gefailleerde door [eiser] . Vanuit het oogpunt van volgtijdelijkheid bezien klopt hetgeen [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd, in combinatie met de vaststaande feiten en de onbetwist gebleven stellingen van de curator, niet althans in onvoldoende mate. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.6.

Gebleken is dat in/na het eerste contact tussen de curator en de gefailleerde door

[persoon2] in haar e-mail van 10 juli 2014 aan de curator is verklaard dat mogelijk een werknemer van gefailleerde de onderneming wil overnemen (dit kan worden afgeleid uit productie 3 bij de door de curator overgelegde dagvaarding in de hoofdzaak: “(…) Of doorstart dan wil je een plan en een gesprek met onze collega waar dit dan om zou draaien (…)”. Enkele dagen later raakte de curator ermee bekend dat [eiser] DPN op diezelfde dag had ingeschreven in het handelsregister, DPN is gaan exploiteren als schoonmaakbedrijf en dat één van de gefailleerde vennoten bij dat bedrijf in loondienst was getreden.

4.7.

Als verklaring voor het vaststaande contact tussen [eiser] en de voormalige klanten van gefailleerde geeft [eiser] in eerste instantie aan dat hij - nadat hij in de eerste week na de opzegging van zijn dienstverband van het UWV hoorde dat er, gelet op zijn leeftijd (in de dagvaarding: 57 jaar, ter zitting: 53 jaar), nauwelijks of geen arbeidsmogelijkheden voor hem zijn - deze klanten zelf heeft gebeld, gesprekken heeft gevoerd en offertes heeft verstuurd (punt 10 van de dagvaarding). Vervolgens verklaart [eiser] ter zitting dat het de klanten van gefailleerde waren die hem al op 10 juli 2014 belden en dat hij pas later offertes heeft opgesteld, hetgeen hij niet eerder kon doen omdat hij niet de beschikking over een computer had.

Geconstateerd moet worden dat deze twee lezingen wezenlijk van elkaar verschillen en dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van [eiser] . Daarnaast is, op het eerste gezicht, ongeloofwaardig dat [eiser] zijn zaken in iets meer dan één dag geregeld zou hebben. Immers, volgens eigen zeggen heeft hij op 9 juli 2014 gehoord dat hij was ontslagen en zou hij vervolgens uiterlijk op 10 juli 2014 bij het UWV zijn geweest - terwijl voor afspraken bij het UWV veelal wachttijden gelden - en zijn bedrijf hebben ingeschreven en klanten zijn gaan bellen. En mocht hij niet zelf zijn gaan bellen maar gebeld zijn door klanten, zoals zijn blijkbaar gewijzigde standpunt luidt, is relevant dat hij ter zitting niet (goed) kan verklaren hoe het kan dat die klanten over zijn telefoonnummer beschikken. Dat hij bekend zou zijn in Schiedam is daarvoor vooralsnog onvoldoende. Dat hij door klanten gebeld is, past echter heel goed bij de inhoud van de aan klanten van gefailleerde verzonden brief d.d. 10 juli 2014 (zie 2.4, productie 6 [eiser] en productie 5 bij de door de curator overgelegde dagvaarding in de hoofdzaak) en de vermelding van zijn (bedrijfs-) naam en telefoonnummer daarin. Van ondergeschikt belang daarbij is, dat het kvk-nummer van DPN en het bankrekeningnummer van [eiser] daarin kennelijk verkeerd zijn weergegeven, omdat het vermelde kvk-nummer namelijk wel overeenkomt met het vestigingsnummer van DPN en in het bankrekeningnummer slechts één cijfer verkeerd staat. Bij dit plaatje past, naast de inhoud van meergenoemde brief, ook heel goed dat zo’n 80% van de klanten van gefailleerde thans door DPN wordt bediend en dat velen daarvan rondom 10-12 juli 2014 al klant van DPN zijn geworden. Voorshands is niet aannemelijk dat [eiser] al deze klanten op eigen kracht, enkel door eigen kennis en gegevens, heeft vergaard of dat al deze klanten [eiser] hebben gevonden.

Dat niet [eiser] , doch [persoon2] , in lijn met de verklaring van [eiser] , de brief d.d. 10 juli 2014 zou hebben geschreven doet aan het voorgaande niet af. Dit laatste vormt enkel een aanwijzing voor de betrokkenheid van meerdere personen bij de doorstart van de onderneming van gefailleerde door DPN zonder dat daartegenover een vergoeding is betaald. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de inhoud van het hiervoor onder 2.6 weergegeven e-mailbericht van 6 november 2015 van [persoon2] (productie 8 bij de door de curator overgelegde dagvaarding in de hoofdzaak), welke inhoud door [eiser] verder niet is betwist, in aanmerking genomen. Met het in die e-mail herhaaldelijk verklaren door [persoon2] dat, ook al doen de feiten en omstandigheden anders voorkomen, geen sprake is van een overname door [eiser] , is die stellingname daarmee nog geen vaststaand gegeven geworden. Voorts past in het beeld dat in de betreffende e-mail wordt geschetst door [persoon2] dat de vennoten van gefailleerde door hun handelwijze en uitlatingen een doorstart vanuit faillissement feitelijk illusoir hebben willen maken.

4.8.

De voorgaande overwegingen, op zich en in onderlinge samenhang bezien, leiden tot het voorlopig oordeel dat [eiser] , naar het zich laat aanzien in samenwerking met [personen1/2] , feitelijk en op onrechtmatige wijze een doorstart van de onderneming van gefailleerde heeft gemaakt door o.a. gebruik te maken van de bij de voormalige werkgever opgedane gegevens omtrent klanten, waardoor stelselmatig en substantieel bedrijfsdebiet van gefailleerde, althans de failliete boedel, (mede) is afgebroken, terwijl [eiser] daarvoor geen passende vergoeding heeft betaald. Een dergelijke handelwijze die erop neerkomt dat de failliete boedel is ontdaan van (de meeste van) haar activa kan rechtens niet zonder (financiële) gevolgen blijven. Dat de afbreuk aan het bedrijfsdebiet mede is veroorzaakt door de voormalig vennoten van de vof doet daaraan niet af. Op het eerste gezicht heeft [eiser] dus, zoals hiervoor reeds gezegd, onrechtmatig jegens gefailleerde dan wel de gefailleerde boedel gehandeld, zoals door de curator primair aan de vordering waarvoor beslag ten grondslag is gelegd. Gelet op de aannemelijke onrechtmatige handelwijze van [eiser] doet daaraan niet af het door [eiser] gestelde recht op vrije arbeidskeuze ingevolge artikel 19 lid 3 Gw en het uitgangspunt van vrije concurrentie in het geval dat geen arbeidsovereenkomst met [eiser] zou bestaan met daarin opgenomen een concurrentiebeding. Dat [eiser] zich niet van de handelsnaam en bedrijfsgegevens van gefailleerde heeft bediend doet daaraan evenmin af. Dat de curator langere tijd heeft gewacht met het benaderen van [eiser] en dat het bedrijfsdebiet van de boedel wellicht zou zijn verdampt op het moment dat de curator, nadat zij alle relevante gegevens had verzameld, tot verkoop van de onderneming van gefailleerde was overgegaan, doet daaraan ook niet af, nu aannemelijk is dat dit deels te wijten is aan de opstelling van de vennoten van gefailleerde met wie [eiser] lijkt te hebben samengewerkt.

Aan de bespreking van de (meer) subsidiair door de curator aangevoerde gronden komt de voorzieningenrechter niet toe.

4.9.

De vordering van de curator op [eiser] is mitsdien summierlijk deugdelijk te achten. De curator heeft daarvoor de beslagen mogen leggen.

4.10.

Vraag is nog wel of het bedrag waarop de vordering is begroot (€ 195.000,00, inclusief rente en kosten), gegeven de door de curator voorgestane berekeningswijze van de goodwill van de gefailleerde onderneming, correct is. [eiser] heeft gesteld (zie ook 4.4) dat in het geval van een aangenomen doorstart door hem de waarde van het overgenomen klantenbestand op € 355,00 gesteld moet worden. Hij heeft daartoe productie 12 overgelegd: een verklaring van zijn accountant, J. van Riet MSc Ra van Bastiaans & Van Riet registeraccountants en belastingadviseurs. In de situatie dat niet in geschil is dat voor het faillissement sprake was van een goed lopend bedrijf, ware het niet dat de vennoten teveel geld aan dat bedrijf hebben onttrokken ten behoeve van privéuitgaven, is een goodwillwaarde voor 80% van het klantenbestand van € 355,00 zó ongeloofwaardig dat aan de verklaring van de accountant vooralsnog geen waarde wordt gehecht. Dit geldt ook nu de schoonmaakbranche kennelijk een markt van gunnen kent, de schoonmaakcontracten veelal kortdurende contracten zijn en indien, voor het geval dat in de berekening van de curator niet de invloed van het faillissement op de waarde van de onderneming zou zijn meegenomen en dit wel naar algemeen aanvaarde boekhoudtechnieken had gemoeten, haar waardering naar beneden dient te worden bijgesteld. Vooralsnog wordt dus vastgehouden aan de begroting van de vordering op € 195.000,00, met inbegrip van rente en kosten.

De voorzieningenrechter ziet in dit kort geding, gegeven het in het petitum gevorderde en de aard van het kort geding, geen aanleiding om thans, in de onderhavige faillissementssituatie, met de beperkte financiële gegevens en methodieken die naar voren zijn gebracht, de vordering ambtshalve nader te begroten.

4.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] (in alle onderdelen) dienen te worden afgewezen.

4.12.

Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel.

De stelling dat de liquiditeitspositie van DPN/ [eiser] als gevolg van de beslagen is verminderd en [eiser] daardoor personeel zal moeten ontslaan en onafwendbaar afstevent op een faillissement is door [eiser] in onvoldoende mate onderbouwd. Het enkele overleggen van productie 13 en het bloot stellen dat hij een omzet heeft van ongeveer € 25.000,00 en personeelskosten van ongeveer € 11.000,00 is in de gegeven omstandigheden te weinig om van een gemotiveerde adstructie van zijn stellingen op dit punt te kunnen spreken. Bovendien is dit een omstandigheid die inherent is aan de hiervoor geschetste voldoende aannemelijk te achten onrechtmatige handelswijze van (in elk geval ook) [eiser] , in welk kader de beslagen zijn gelegd, welke handelwijze voor zijn (ondernemings-)risico dient te komen. [eiser] heeft voorts in het geheel niet onderbouwd dat Woonplus, vanwege het onder haar gelegde beslag, bestaande overeenkomsten met [eiser] wenst op te zeggen.

Daartegenover staat het evidente gerechtvaardigde belang van de curator om tot een juiste afwikkeling van de failliete boedel te komen.

4.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- griffierecht € 288,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.104,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen (in alle onderdelen) af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 1.104,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. [persoon1] en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2016.1734/2009