Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1859

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
C/10/484321 / HA ZA 15-939
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Internationale handelskoop. Forumkeuzes voor rechtbank Rotterdam en gerecht te Bologna? Litispendentie. Herschikte EEX-Verordening (EEX II-Vo). Aanhouding ex art. 31 lid 2 EEX II-Vo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/969
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/484321 / HA ZA 15-939

Vonnis in incident van 16 maart 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SFI ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. A.J. Dolk,

tegen

de vennootschap naar vreemd recht

FRUTTAVIVA SRL.,

gevestigd te Modena, Italië,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. E. Tros.

Partijen zullen hierna SFI en Fruttaviva genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 mei 2015 alsmede de door SFI op de rolzitting van 16 september 2015 in het geding gebrachte producties 1-9 ter onderbouwing van de betekening van de dagvaarding aan Fruttaviva ingevolge EU-Verordening 1393/2007;

  • -

    de incidentele conclusie van eis, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord, met producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

SFI vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Fruttaviva veroordeelt tegen behoorlijk bewijs van kwijting tot betaling aan SFI van € 20.334,05, te vermeerderen met de samengestelde wettelijke handelsrente over € 19.019,36 primair vanaf 1 mei 2015, subsidiair vanaf de dag van de dagvaarding, tot de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van Fruttaviva in de proceskosten.

2.2.

Hieraan legt SFI - samengevat - de volgende stellingen ten grondslag:

  • -

    SFI heeft met Fruttaviva via telefonische contacten en een wisseling van e-mailberichten in maart 2015 een overeenkomst gesloten inzake de verkoop en levering aan Fruttaviva van 1.560 dozen blauwe bessen voor een prijs van € 14,50 per doos (hierna: de Koopovereenkomst);

  • -

    als leveringsconditie gold af adres DL Logistics, Klappolder 191 te Bleiswijk, “eigen vervoer”;

  • -

    op haar factuur verwijst SFI naar haar verkoopvoorwaarden; deze houden in een onverwijlde controle door de koper op de plaats waar de goederen worden afgeleverd, in het onderhavige geval Bleiswijk; dezelfde controleverplichting van Fruttaviva volgt ook uit het Weens Koopverdrag;

  • -

    de facturen moesten binnen veertien dagen zijn betaald, zo volgt uit genoemde verkoopvoorwaarden, hetgeen SFI heeft nagelaten;

  • -

    Fruttaviva heeft de dozen blauwe bessen op 27 maart 2015 zonder enig voorbehoud in ontvangst genomen;

  • -

    eerst later, op 30 maart 2015, heeft Fruttaviva geklaagd; Fruttaviva was echter veel te laat met haar klacht, die bovendien nergens op was gebaseerd;

  • -

    niettemin heeft SFI - zonder haar recht op betaling van de verkoopprijs prijs te geven - de dozen blauwe bessen teruggenomen en, voor zover nog mogelijk was, doorverkocht, zij het tegen een geringe opbrengst;

  • -

    voor deze doorverkoop heeft SFI diverse kosten moeten maken;

  • -

    dit heeft geleid tot een vordering van SFI op Fruttaviva ter hoogte van € 19.019,36, welk bedrag resteert na aftrek van vorenbedoelde kosten van de door SFI gerealiseerde verkoopopbrengst van € 22.500,00;

  • -

    Fruttaviva is gehouden tot betaling van genoemde hoofdsom van € 19.019,36 alsmede de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 1 mei 2015 en buitengerechtelijke kosten van € 1.167,88;

  • -

    op 28 april 2015 heeft de raadsman van SFI Fruttaviva gesommeerd tot betaling van het op dat moment door Fruttaviva verschuldigde bedrag van € 20.334,05; Fruttaviva is echter niet overgegaan tot betaling hiervan;

  • -

    de rechtbank Rotterdam is bevoegd op grond van een forumkeuze; daarnaast is de rechtbank Rotterdam bevoegd op grond van artikel 5 lid 1(a) van EG-Verordening nr. 44/2001 (hierna: de EEX-Verordening).

3 Het geschil in het incident

3.1.

Fruttaviva vordert dat de rechtbank zich bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad onbevoegd verklaart, dan wel de zaak aanhoudt totdat de bevoegdheid van het gerecht in Bologna, Italië, vaststaat en zich daaropvolgend onbevoegd verklaart, dan wel de zaak verwijst naar de bevoegde kantonrechter, met veroordeling van SFI in de proceskosten.

3.2.

Hieraan legt Fruttaviva de volgende stellingen - kort samengevat en zakelijk weergegeven - ten grondslag:

  • -

    op het onderhavige geschil tussen Fruttaviva en SFI is een exclusieve forumkeuze voor het gerecht te Bologna, Italië, van toepassing;

  • -

    tussen SFI en Fruttaviva loopt over hetzelfde onderwerp een procedure bij dit gerecht te Bologna;

  • -

    de onderhavige zaak behoort tot de bevoegdheid van de kantonrechter omdat de vordering van SFI niet meer dan € 25.000,00 bedraagt.

3.3.

SFI voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering van Fruttaviva alsmede tot verwijzing van de zaak naar de bevoegde kantonrechter, met veroordeling van Fruttaviva in de proceskosten van het incident. Op de argumenten van SFI zal hieronder bij de beoordeling, voor zover zij relevant zijn, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

Inleiding

4.1.

De vraag of deze rechtbank internationaal bevoegd is, dient beantwoord te worden aan de hand van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX II-Vo). Aangezien sprake is van een burgerlijke- of handelszaak in de zin van artikel 1 EEX II-Vo, is deze verordening materieel van toepassing. Aangezien Fruttaviva, de gedaagde, woonplaats heeft op het grondgebied van een EEX II-Vo-lidstaat, is zij ook formeel (territoriaal) van toepassing (zie artt. 4 en 5 EEX II-Vo). Ten slotte is de EEX II-Vo ook temporeel van toepassing, aangezien de vordering in de hoofdzaak is ingesteld na 10 januari 2015 (zie art. 66 lid 1 EEX II-Vo).

De door SFI gestelde forumkeuze voor deze rechtbank (de rechtbank Rotterdam)

4.2.

Artikel 25 EEX II-Vo regelt de bevoegdheid op grond van een exclusieve forumkeuze. Dit artikel luidt - weergegeven voor zover relevant - als volgt:

1. Indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

  1. hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

  2. hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

  3. hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.

4.3.

Ter onderbouwing van de geldigheid van de forumkeuze voor deze rechtbank doet SFI uitsluitend een beroep op bovengenoemd vormvereiste onder b); dat deze forumkeuze niet voldoet aan de andere vormvereisten, onder a) en c), is niet in geschil.

Genoemd vormvereiste onder b) van artikel 25 EEX II-Vo ziet op een gewoonte die tussen partijen is ontstaan, derhalve niet een gewoonte die slechts één van de partijen erop nahoudt. Volgens SFI houdt deze gewoonte in de onderhavige zaak in dat partijen sedert jaar en dag zaken met elkaar doen en dat op haar facturen aan Fruttaviva steeds wordt verwezen naar algemene voorwaarden - haar “verkoopcondities” - die op de achterzijde van die facturen zijn vermeld en waarvan een forumkeuze voor de rechtbank Rotterdam deel uitmaakt. Fruttaviva meent dat vorenbedoelde forumkeuze voor de rechtbank Rotterdam niet aan het vormvereiste onder b) van artikel 25 EEX II-Vo voldoet. Zij betwist dat direct of indirect uit de facturen van SFI blijkt dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is. Bovendien, zo voegt zij hier nog aan toe, is de betreffende factuur van SFI pas gestuurd nadat de forumkeuze voor het gerecht te Bologna reeds tot stand was gekomen als gevolg van het niet protesteren door SFI tegen de tekst van de door Fruttaviva verzonden opdrachtbevestiging, waarin onder andere staat: “Per eventuali controversie, il foro competente sara’ Bologna.”

4.4.

Dat door artikel 25 EEX II-Vo “een overeenkomst” wordt verlangd, betekent volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (EG) dat de forumkeuze het voorwerp moet zijn geweest van een wilsovereenstemming tussen partijen, die duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking komt. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de vormvereisten van het eerste lid van artikel 25 EEX II-Vo ten doel hebben te waarborgen dat de wilsovereenstemming inderdaad vaststaat. Gelet op deze rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de noodzaak van een duidelijke en nauwkeurige forumkeuze is de rechtbank met Fruttaviva van oordeel dat uit de facturen van SFI niet blijkt (lees: niet duidelijk blijkt) dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is. De rechtbank wijst in dit verband op de facturen aan Fruttaviva die SFI als productie 3 en 4 bij haar incidentele conclusie van antwoord in het geding heeft gebracht. De verwijzingstekst onderaan deze facturen van SFI naar de algemene voorwaarden is weliswaar niet alleen in het Nederlands maar ook in het Duits en het Engels gesteld (“Allgemeine Verkaufsbedingungen / algemene voorwaarden / applicable sales conditions: www.sfifruit.com”), maar dat neemt niet weg dat van deze verwijzingstekst geen deel uitmaakt een verwijzing naar de forumkeuze voor de rechtbank Rotterdam en in deze tekst evenmin wordt verwezen naar algemene voorwaarden die op de achterzijde van deze factuur zijn vermeld. Weliswaar is het kennelijk de gewoonte van SFI om onderaan haar facturen te verwijzen naar haar algemene voorwaarden, maar daar staat tegenover dat Fruttaviva er kennelijk de gewoonte op nahoudt om op haar orderbevestiging te vermelden dat het gerecht te Bologna bevoegd is (r.o. 4.3 hierboven). Uit dit geheel valt dus geen gewoonte van beide partijen als bedoeld in het vormvereiste onder b) van artikel 25 EEX II-Vo af te leiden. Geconcludeerd moet dan ook worden dat de forumkeuze voor deze rechtbank waar SFI een beroep op doet niet voldoet aan dit vormvereiste. Van een rechtsgeldige forumkeuze voor deze rechtbank is dan ook geen sprake. Het door SFI gedane bewijsaanbod is tegen het licht van het voorgaande te weinig specifiek en wordt gepasseerd.

Voor welk gerecht is de zaak het eerst aanhangig gemaakt, de rechtbank Rotterdam of het gerecht te Bologna?

4.5.

Een van de gronden waarop Fruttaviva haar onbevoegdheidsverweer baseert, is dat - in de woorden van Fruttaviva - “[t]ussen SFI en Fruttaviva [..] over hetzelfde onderwerp reeds een procedure bij het gerecht in Bologna, Italië [loopt]”.

De rechtbank wijst in dit verband op de artikelen 29 en 32 van de EEX II-Vo:

Artikel 29

1. Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, onverminderd artikel 31, lid 2, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

2. In de in lid 1 bedoelde gevallen wordt op verzoek van een gerecht waarbij de zaak is aangebracht door een ander aangezocht gerecht onverwijld aan het eerstbedoelde gerecht meegedeeld op welke datum het in overeenstemming met artikel 32 is aangezocht.

3. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.

Artikel 32

1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt een zaak geacht te zijn aangebracht bij een gerecht:

a. a) op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen, of

b) indien het stuk betekend of meegedeeld moet worden voordat het bij het gerecht wordt ingediend, op het tijdstip waarop de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving het stuk ontvangt, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de indiening van het stuk bij het gerecht moest doen.

De onder b) bedoelde autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving is de eerste autoriteit die de te betekenen of mee te delen stukken ontvangt.

2. Het gerecht dat, of de autoriteit die belast is met de betekening als bedoeld in lid 1, noteert, respectievelijk, de datum van indiening van het gedinginleidende stuk of het gelijkwaardige stuk, of de datum van ontvangst van de te betekenen of mee te delen stukken.

4.6.

Uit de processtukken in de onderhavige zaak volgt dat niet in geschil is dat deze procedure voor het gerecht in Bologna waar Fruttaviva zich op beroept dezelfde partijen, hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak in de zin van artikel 29 EEX II-Vo betreft als de onderhavige zaak. In geschil is echter welke van deze twee zaken het eerst is aangebracht in de zin van artikel 32 EEX II-Vo. Fruttaviva meent dat de zaak in Bologna als eerste is aangebracht, terwijl SFI van opvatting is dat dat het geval is met de onderhavige zaak.

4.7.

Fruttaviva betwist dat deze rechtbank bevoegd is. Aan de beoordeling van genoemd geschilpunt bij welk gerecht de zaak als eerste aanhangig is gemaakt, komt deze rechtbank dan ook slechts toe, voor zover zij in beginsel - los van de eventuele forumkeuze voor de Italiaanse rechter - bevoegd is van de vordering van SFI kennis te nemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

4.8.

Fruttaviva, de gedaagde, heeft geen woonplaats in Nederland maar in Italië. De Nederlandse rechter kan in de onderhavige zaak derhalve geen rechtsmacht ontlenen aan de in artikel 4 lid 1 EEX II-Vo neergelegde hoofdbevoegdheidsregel van de EEX-Vo.

Gelet op de feitelijke omstandigheden van de onderhavige zaak moet echter ook worden beoordeeld of deze rechtbank bevoegd is op grond van artikel 7 lid 1 EEX II-Vo. Artikel 7, aanhef en lid 1, EEX II-Vo luidt als volgt:

Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1. a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b) voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:
- voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;
- voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c) punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is.

4.9.

SFI heeft zich bij dagvaarding onder 2 op het standpunt gesteld dat de met Fruttaviva overeengekomen leveringsconditie was “af adres DL Logistics, Klappolder 191 te Bleiswijk”. Voorts heeft SFI zich onder 5 van de dagvaarding op het standpunt gesteld dat deze rechtbank niet alleen op grond van een forumkeuze maar tevens op grond van “art. 5 lid 1(a)” van “de EG-Verordening nr. 44/2001” bevoegd is. Dit is de oorspronkelijke EEX-Verordening, de ‘voorloopster’ van de in het onderhavige geval toepasselijke EEX II-Verordening. Gelet op haar incidentele conclusie van antwoord heeft SFI kennelijk uiteindelijk zélf ook ingezien dat in het onderhavige geval niet de EEX-Verordening (EEX-Vo) maar de EEX II-Verordening van toepassing is. Lid 1 van artikel 5 EEX-Vo is gelijkluidend aan lid 1 van artikel 7 EEX II-Vo. Gelet op een en ander vat de rechtbank de verwijzing in de dagvaarding door SFI naar lid 1 van artikel 5 EEX-Vo dan ook op als een verwijzing naar lid 1 van artikel 7 EEX II-Vo.

Fruttaviva heeft onder 13 van haar incidentele conclusie van eis in reactie op bovengenoemde stelling van SFI dat deze rechtbank tevens bevoegd is op grond van artikel 5 sub 1 (lid 1) EEX-Vo (artikel 7 lid 1 EEX II-Vo) het volgende aangevoerd:

Ten aanzien van het tweede argument van SFI geldt het volgende. Gezien de forumkeuze van partijen is artikel 5 lid 1a van EG-Verordening 44/2001 (of artikel 5 EEX-II) niet van toepassing. In artikel 23 van de EG-Verordening 22/2001 (of artikel 25 EEX-II 1215/2012) is immers bepaald dat partijen een exclusief bevoegd recht kunnen aanwijzen.

[per abuis heeft Fruttaviva het hier over “artikel 5 EEX-II”; dit had moeten zijn “artikel 7 EEX II-Vo”; Rechtbank]

Naar het oordeel van de rechtbank moet dit standpunt van Fruttaviva worden begrepen als een erkenning van bovengenoemde stelling van SFI dat deze rechtbank bij gebreke van een rechtsgeldige forumkeuze (in beginsel) bevoegd is. Aan bovengenoemde voorwaarde dat deze rechtbank in beginsel bevoegd is, is derhalve voldaan, temeer omdat op haar genoemde facturen die SFI bij incidentele conclusie van antwoord in het geding heeft gebracht de leveringsconditie “free on truck” is vermeld, welke conditie wijst op aflevering van de lading aan Fruttaviva op het bedrijfsterrein van DL Logistics te Bleiswijk in het rechtsgebied van deze rechtbank. Nu is dan ook de vraag relevant geworden of de zaak voor het gerecht in Bologna dan wel de onderhavige zaak als eerste is aangebracht in de zin van artikel 32 EEX II-Vo. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

4.10.

In bovengenoemd artikel 32 EEX II-Vo worden twee verschillende soorten stelsels van intern procesrecht genoemd met betrekking tot de vraag wanneer een zaak aanhangig is.

Het Nederlandse stelsel is een stelsel als bedoeld onder b) van het eerste lid van artikel 32 EEX II-Vo, namelijk een stelsel dat inhoudt dat een zaak wordt aangebracht op het tijdstip waarop de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening het stuk ontvangt, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de indiening van het gedinginleidende stuk bij het gerecht moest doen. In de onderhavige zaak heeft de deurwaarder de dagvaarding (uiterlijk) op 21 mei 2015 voor betekening ontvangen. Aangezien gesteld noch gebleken is dat SFI iets heeft nagelaten te doen wat zij met het oog op de indiening van de dagvaarding bij het gerecht moest doen, heeft als datum waarop de onderhavige zaak is aangebracht dan ook te gelden 21 mei 2015.

4.11.

Ter onderbouwing van haar stelling over de (eerdere) aanhangigheid van de zaak bij het gerecht te Bologna, Italië, beroept Fruttaviva zich op een Italiaanse dagvaarding die dateert van 22 mei 2015 (prod. 8 van Fruttaviva). Deze datum blijkt eveneens uit de Nederlandse vertaling van deze dagvaarding die Fruttaviva in het geding heeft gebracht (prod. 9 van Fruttaviva). Nog daargelaten de vraag tot welk van de twee in artikel 32 EEX II-Vo bedoelde stelsels het Italiaanse stelsel behoort, gaat de rechtbank er dan ook voorlopig van uit dat de onderhavige zaak op een eerder tijdstip is aangebracht dan de zaak voor het gerecht te Bologna.

Bevoegdheid van het gerecht te Bologna op grond van een forumkeuze

4.12.

Ook voor zover de onderhavige zaak op een eerder tijdstip is aangebracht dan de zaak voor het gerecht te Bologna, dient deze rechtbank zich evenwel onbevoegd te verklaren, indien het gerecht te Bologna bevoegd is op grond van een rechtsgeldige forumkeuze in de zin van artikel 25 EEX II-Vo. Dit volgt uit de leden 2 en 3 van artikel 31 EEX II-Vo:

Artikel 31

1. […]

2. Wanneer een zaak aanhangig wordt gemaakt bij een gerecht van een lidstaat dat op grond van een in artikel 25 bedoelde overeenkomst bij uitsluiting bevoegd is, houdt elk gerecht van de andere lidstaten, onverminderd artikel 26, de uitspraak aan totdat het krachtens de overeenkomst aangezochte gerecht verklaart geen bevoegdheid aan de overeenkomst te ontlenen.

3. Indien het in de overeenkomst aangewezen gerecht zijn bevoegdheid in overeenstemming met de overeenkomst heeft vastgesteld, verklaart elk gerecht van de overige lidstaten zich onbevoegd ten gunste van dat gerecht.

4. […]

Uit het bepaalde in artikel 29 en artikel 31, leden 2 en 3 EEX II-Vo volgt het volgende. Deze rechtbank dient de zaak aan te houden totdat vast is komen te staan dat het gerecht te Bologna zich bevoegd acht op grond van een exclusieve forumkeuze in de zin van artikel 25 EEX II-Vo. Verklaart het gerecht te Bologna zich om deze reden bevoegd, dan dient deze rechtbank zich vervolgens onbevoegd te verklaren. Voor zover daarnaast - in weerwil van hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen in r.o. 4.10-4.11 - komt vast te staan dat de zaak voor het gerecht te Bologna eerder is aangebracht dan de onderhavige zaak, dient deze rechtbank zich eveneens onbevoegd te verklaren zodra het gerecht te Bologna zich bevoegd heeft verklaard, waarbij het niet uitmaakt of dat wel of niet gebeurd is op grond van een exclusieve forumkeuze in de zin van artikel 25 EEX II-Vo.

4.13.

De rechtbank zal de zaak aanhouden op grond van artikel 31 lid 2 EEX II-Vo, zolang niet is gebleken dat het gerecht te Bologna zich bevoegd acht op grond van een exclusieve forumkeuze in de zin van artikel 25 EEX II-Vo.

4.14.

De meeste gerede partij kan de zaak opbrengen indien zich relevante verwikkelingen hebben voorgedaan ten aanzien van de vraag of het gerecht te Bologna zich bevoegd acht op grond van een exclusieve forumkeuze in de zin van artikel 25 EEX II-Vo.

4.15.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

verwijst de zaak naar de parkeerrol van 1 oktober 2016 waarbij de meest gerede partij de zaak kan opbrengen indien zich relevante verwikkelingen hebben voorgedaan ten aanzien van de vraag of het gerecht te Bologna zich bevoegd acht op grond van een exclusieve forumkeuze in de zin van artikel 25 EEX II-Vo;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.

901/32