Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1837

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
C/10/474785 / HA ZA 15-391
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervoerovereenkomst. Binnenvaart. CMNI verdrag; Nederlandse recht aanvullend van toepassing; vordering vervoerder tot betaling van vracht gedeeltelijk toegewezen; resterende deel heeft afzender mogen verrekenen in verband met teveel betaalde vracht door onjuist berekende ladinghoeveelheden; verjaring tegenvordering gedeeltelijk gestuit; geen verrekening met schadevergoeding op grond van toerekenbare tekortkoming althans onrechtmatige daad van vervoerder; fouten van ijkmeesters bij het vaststellen van het gewicht komen in casu in beginsel voor rekening en risico van afzender; onvoldoende aanleiding om afzender toe te laten tot bewijs dat door of namens vervoerder doelbewust verkeerde tonnages zijn doorgegeven aan ijkmeesters.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/474785 / HA ZA 15-391

Vonnis van 9 maart 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROSHIP B.V.,

gevestigd te Westervoort,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R.C.A. van 't Zelfde,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DAP BARGING B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.W. ten Katen.

Partijen zullen hierna Euroship en Dap genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 april 2015 met producties

  • -

    de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie met producties

  • -

    het tussenvonnis van 15 juli 2015 waarin een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de brief van 23 september 2015 zijdens Euroship waarin een eisvermindering wordt

aangekondigd

  • -

    de brief van 28 september 2015 zijdens Dap met producties

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met producties

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 2 oktober 2015

  • -

    de akte na comparitie zijdens Dap met producties

  • -

    de akte uitlating producties zijdens Euroship.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Euroship is eigenaar van het koppelverband “MEDIATION” en “MEDIATION II” (hierna: het koppelverband).

2.2.

Dap heeft het koppelverband bevracht voor losse reizen van Rotterdam naar Bottrop in Duitsland en andere bestemmingen. Daartoe werden tussen partijen bevrachtingsovereenkomsten gesloten. De aan Euroship te betalen vracht werd berekend over de hoeveelheid ingenomen lading, die bestond uit cokeskolen.

2.3.

Dap heeft het koppelverband vervracht aan de Duitse ladingbelanghebbenden STEAG GmbH en RAG Verkauf GmbH. Deze dienden vracht te betalen aan Dap, eveneens berekend over de hoeveelheid ingenomen lading.

2.4.

De hoeveelheid ingenomen lading is steeds berekend en vastgesteld door ijkmeesters. De ijkmeesters hebben aan boord de inzinking van het schip ten opzichte van de ijken gemeten en in de tabellen in de meetbrieven van het koppelverband het met die inzinking corresponderende ladinggewicht opgezocht - soms met behulp van de schipper - en rekening houdend met een factor voor zoet, zout of brak water de hoeveelheid ingenomen lading bepaald. De vastgestelde hoeveelheid lading is opgenomen in de “Gauging Reports” van de ijkmeesters.

2.5.

Voor de door Dap aan Euroship verschuldigde vracht maakte Dap creditfacturen op op basis van de in de “Gauging Reports” vastgestelde ladinghoeveelheden. Dap diende deze creditfacturen aan Euroship te voldoen.

2.6.

Van de creditfacturen voor reizen met laaddata in de periode van 2 september 2014 tot en met 26 september 2014 heeft Dap een bedrag groot € 69.518,34 inclusief BTW onbetaald gelaten.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Euroship vordert na vermindering van eis ter comparitie samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    Dap te veroordelen om € 69.518,34 aan Euroship te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 17 november 2014;

  • -

    Dap te veroordelen tot betaling van € 6.775,00, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten;

  • -

    met veroordeling van Dap in de (na)kosten van de procedure met rente.

3.2.

Euroship legt aan haar vordering nakoming van bevrachtingsovereenkomsten ten grondslag, in die zin dat Dap nog een gedeelte van de vrachtfacturen moet betalen.

3.3.

Dap betwist de vordering en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van Euroship, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

Dap betoogt dat zij ten onrechte heeft betaald voor lading die niet daadwerkelijk is ingenomen, omdat de in de “Gauging Reports” structureel is uitgegaan van ladinggewichten die niet strookten met de tabellen in de meetbrieven van het koppelverband.

Dap doet primair een beroep op verrekening en subsidiair op opschorting.

Dap voert voorts aan dat Euroship haar substantiëringsplicht ex artikel 21 Rv heeft geschonden door van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid aan te voeren en de betreffende “Gauging Reports” en Excelsheets met een door Dap gemaakte berekening van de vracht niet in het geding te brengen.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.4.

Dap vordert voor het geval verrekening in conventie niet wordt toegestaan - een verklaring voor recht dat Euroship onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten en dat Euroship aansprakelijk is voor de schade die Dap daardoor heeft geleden, met veroordeling van Euroship tot betaling van € 68.342,68 en een in goede justitie te schatten bedrag voor imagoschade, beide bedragen te vermeerderderen met de wettelijke handelsrente en met veroordeling van Euroship, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

3.5.

Dap voert daartoe aan dat Euroship opzettelijk en stelselmatig onjuiste ladinghoeveelheden heeft opgegeven (namelijk niet conform de ladinggewichten die volgens de meetbrieven corresponderen met de ijkopnames) waardoor te hoge (credit)facturen zijn uitgemaakt.

Voor het geval Euroship geen onjuiste gegevens heeft doorgegeven, is Euroship tekortgeschoten en heeft zij onrechtmatig gehandeld door de “Gauging Reports” en de creditfacturen van Dap niet te controleren, niet vast te stellen dat de creditfacturen onjuist zijn en hiervan geen melding te maken.

Subsidiair doet Dap een beroep op onverschuldigde betaling, althans ongerechtvaardigde verrijking.

Per saldo heeft Dap over 2013 en 2014 € 45.205,23 exclusief BTW teveel betaald voor vracht en kanaalkosten. Daarbij komen € 11.276,55 aan (interne) kosten die Dap heeft moeten maken om vast te kunnen stellen dat Euroship onjuiste tonnages heeft opgegeven en om de zaak minnelijk op te lossen met haar commerciële relaties, en € 11.861,13 aan BTW, aldus nog steeds Dap.

3.6.

Euroship betwist de vordering en concludeert tot afwijzing daarvan met veroordeling van Dap, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten. Volgens Euroship hebben de ijkmeesters zelf de geladen hoeveelheid berekend en vastgesteld, na ijkmetingen en na eigen inzage in de meetbrieven van het koppelverband. Fouten van de ijkmeesters komen voor rekening en risico van Dap (dan wel een derde aan de zijde van Dap) als hun opdrachtgever. Voorts doet Euroship een beroep op verjaring en eigen schuld.

4 De beoordeling in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

4.1.

Op de onderhavige vervoerovereenkomst is het CMNI verdrag van toepassing, nu de laadhaven (Rotterdam) en loshaven (o.a. Bottrop) zijn gelegen in twee verschillende staten waarvan er ten minste één partij is bij dit verdrag (artikel 2 CMNI verdrag). Artikel 29 CMNI verdrag bepaalt dat bij gebrek aan bepalingen in dit verdrag, de vervoerovereenkomst wordt beheerst door het recht van de door de partijen gekozen staat, en bij gebreke van zodanige keuze door het recht van de staat waarmee de vervoerovereenkomst de nauwste banden heeft. Voor zover al niet het door beide partijen aanhalen van artikelen van Nederlands recht als een processuele rechtskeuze is bedoeld, is het Nederlandse recht in ieder geval aanvullend van toepassing nu de vervoerovereenkomsten (vanuit Nederland en gesloten tussen twee Nederlandse partijen) het nauwst met Nederland zijn verbonden.

4.2.

Kern van het geschil is de vraag of Euroship in 2013 en 2014 middels door Dap opgemaakte creditnota’s teveel vracht en kanaalkosten bij Dap in rekening heeft gebracht voor de onder 2.2 genoemde reizen.

4.3.

Volgens Dap is dat het geval. Ter onderbouwing daarvan heeft Dap de voor de afrekeningen gebruikte “Gauging Reports” met de volgens haar deels onjuiste tonnages (productie 6) in het geding gebracht, alsmede gecorrigeerde “Gauging Reports” met de volgens haar juiste tonnages (productie 7) en een door Dap gemaakte berekening in Excelsheets van wat de vracht op basis van de juiste tonnages zou moeten zijn (productie 3 tot en met 5).

Uit deze stukken, waarvan Euroship niet heeft weersproken dat Dap deze reeds maanden voor dagvaarding aan haar heeft toegezonden en die zij dus aan de hand van de meetbrieven van het koppelverband op juistheid heeft kunnen controleren, komt inderdaad naar voren dat in de tonnageberekeningen van de ijkmeesters niet van de juiste gegevens in de meetbrieven is uitgegaan. Veelal lijkt het (grotere) tonnage behorend bij de eerstvolgende ijkopname/positie in de tabel te zijn genoteerd en doorgerekend.

4.4.

Op de zitting van 2 oktober 2015 is als voorbeeld een aantal “Gauging Reports” besproken. Ten aanzien van die “Gauging Reports” is namens Euroship verklaard: “Ik zie dat de gewichten in de “Gauging Reports” met betrekking tot de Mediation I niet overeenkomen met de meetbrief.”

Desondanks betwist Euroship dat zij in 2013 en 2014 middels door Dap opgemaakte creditnota’s teveel vracht bij Dap in rekening heeft gebracht. Tegen de achtergrond van de uitvoerige onderbouwing van Dap dat dit wel het geval is, heeft Euroship haar betwisting echter onvoldoende gemotiveerd. Zij heeft ook niet op detailniveau aangegeven welk onderdeel van de berekening van Dap in welk opzicht niet juist zou zijn, zoals gelet op de inzichtelijkheid van de stukken van Dap en de tijd die Euroship had om zich dat debat voor te bereiden wel op haar weg lag.

De rechtbank zal gelet op de onvoldoende betwisting daarvan uitgaan van de juistheid van de door Dap gemaakte berekening in de Excelsheets. Daarmee staat vast dat een bedrag van € 45.205,23 te vermeerderen met BTW ten onrechte bij Dap in rekening is gebracht. Niet in geschil is immers dat onder de bevrachtingsovereenkomsten diende te worden afgerekend op basis van de werkelijk ingenomen tonnages.

4.5.

Niet in geschil is dat dit bedrag, vermeerderd met BTW, door Dap aan Euroship is voldaan. Uit de creditfacturen blijkt dat een BTW-tarief van 21 procent is gerekend, hetgeen leidt tot een bedrag groot € 9.493,10 voor BTW.

Waarom aan Dap het door haar gevorderde bedrag aan BTW van € 11.861,13 zou zijn verschuldigd, naar de rechtbank begrijpt berekend over hoofdsom en buitengerechtelijke kosten, is onvoldoende toegelicht.

Per saldo heeft Dap € 54.698,33 (€ 45.205,23 plus € 9.493,10) teveel betaald aan Euroship.

4.6.

Vervolgens moet worden beoordeeld welke gevolgen dit heeft voor de vorderingen in conventie en reconventie.

4.7.

Euroship heeft betoogd dat de tegenvordering van Dap zonder effect hoort te blijven omdat deze ingevolge artikel 24 CMNI Verdrag is verjaard. Dit standpunt is door Dap bestreden op de grond dat het niet gaat om een vordering uit hoofde van een vervoerovereenkomst, maar om een vordering uit onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. Bovendien is de verjaring gestuit door (onder meer) de brief van de advocaat van Dap van 7 oktober 2014, aldus Dap. Euroship heeft in reactie daarop betoogd dat aan de betreffende correspondentie geen stuitende werking toekomt, omdat deze niet voldoet aan de aan stuitingsbrieven te stelling criteria.

4.8.

Artikel 24 CMNI Verdrag bepaalt in lid 1 dat alle vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst waarop het verdrag van toepassing is, verjaren na een jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de goederen zijn of hadden moeten zijn afgeleverd bij de geadresseerde (deze dag niet meegerekend).

De vordering van Dap is voortgevloeid uit door het verdrag bestreken losse overeenkomsten van reisbevrachting. Dat de vorderingen zien op terugbetaling van teveel betaalde vracht, die verkeerd was berekend door de ijkmeesters op grond van door hen gebruikte gegevens, maakt dat niet anders. Vrachtbetaling en het door de afzender aan de vervoerder verschaffen van inlichtingen over het gewicht van de lading zijn immers juist door het verdrag bestreken onderwerpen.

De toepasselijkheid van de verjaringsregeling van het CMNI Verdrag brengt mee dat voor ieder onderdeel van de vordering van Dap geldt dat de verjaringstermijn van één jaar is gaan lopen de dag na de dag van lossing uit het koppelverband.

Aangezien de vordering van Dap is opgebouwd uit deelvorderingen voortvloeiend uit reizen met laaddata tussen 25 januari 2013 en 6 september 2014, was de verjaringstermijn van een jaar op het moment van instellen van de tegenvordering bij conclusie van antwoord op 10 juni 2015 voor een groot deel van die deelvorderingen verstreken, tenzij deze termijn voordien was verlengd, gestuit of geschorst als voorzien in leden 2 en 3 van van artikel 24 CMNI Verdrag. Gesteld noch gebleken is dat het geval bedoeld in lid 4 van artikel 24 CMNI Verdrag zich voordoet. Lid 5 van dit artikel bepaalt dat een verjaarde vordering niet kan worden ingesteld in de vorm van een tegenvordering.

4.9.

Dap stelt dat de verjaring is gestuit met de brief van Dap aan Euroship met kopie aan diens advocaat van 7 oktober 2014. Ingevolge lid 4 van artikel 24 CMNI Verdrag moet de vraag naar stuiting worden beoordeeld naar het hier aanvullend toepasselijke Nederlandse recht. Voor stuiting is blijkens artikel 3:317 BW een schriftelijke aanmaning nodig of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser (hier Dap) zich ondubbelzinnig het recht op nakoming van de betrokken verbintenis voorbehoudt.

Ten onrechte bestrijdt Euroship dat de bewuste brief een zodanige stuitingshandeling behelst. In de brief wordt, in reactie op het door Euroship aandringen op betaling door Dap, duidelijk medegedeeld dat Dap een - te verrekenen - tegenvordering heeft wegens het niet corresponderen van de ijkgegevens van een aantal reizen met de bijbehorende meetbriefgegevens en wegens door Euroship te hoog opgegeven tonnages. Daarbij is duidelijk verband gelegd met reizen van het koppelverband van oktober 2013 tot oktober 2014, terwijl ook is gerefereerd aan “de periode 2013-2014”, “deze reizen op Bottrop” en “andere (nog nader te onderzoeken) reizen”. Aan Euroship is verweten dat zij toerekenbaar is tekortgeschoten, dat zij onrechtmatig heeft gehandeld, dat aan haar onverschuldigd is betaald en dat zij ongerechtvaardigd is verrijkt. Dap heeft gesteld dat zij aansprakelijk wordt gehouden door haar opdrachtgevers en dat Euroship ook daarvoor aansprakelijk is. Dap heeft aangegeven dat zij de daaropvolgende weken zou gebruiken om haar vordering verder te onderzoeken en te begroten en het probleem te beperken. Dap besloot de brief met de mededeling dat het bericht ook gold als stuitingshandeling als bedoeld in artikel 3:317 BW met betrekking tot de eventuele verjaring van vorderingen zoals in de brief beschreven, waarbij nogmaals de verschillende grondslagen daarvoor zijn benoemd.

Enkele dagen erna heeft de advocaat van Dap in een e-mail aan de advocaat van Euroship nog eens uitdrukkelijk aan de stuitingsbrief gerefereerd.

Euroship stelt dat de brief niet voldoet aan de door artikel 3:317 BW en de daaronder gewezen jurisprudentie gestelde eisen en voert daartoe aan dat de brief te vaag en algemeen is verwoord en onvoldoende concreet en specifiek is ten aanzien van reizen, vorderingen en bedragen.

Dit standpunt wordt verworpen. De brief is zo duidelijk als onder de omstandigheden van het geval redelijkerwijs van Dap kon worden gevergd en viel - zeker voor een vervoerder bijgestaan door een advocaat geverseerd in het verjaringsgevoelige vervoerrecht niet anders te verstaan dan als een duidelijke aanzegging dat en ter zake van welke (vermoede) feitelijkheden Euroship aansprakelijk werd gesteld dan wel tot terugbetaling van ten onrechte ontvangen bedragen werd aangesproken.

4.10.

Met de brief van 7 oktober 2014 is de verjaring gestuit voor de vorderingen ten aanzien waarvan de termijn op dat moment nog niet was verstreken, te weten de vorderingen met betrekking tot de overeenkomsten waaronder de goederen waren afgeleverd op of voor 7 oktober 2013.

Uit de door Dap overgelegde Excelsheets blijkt dat het in het bijzonder gaat om reizen naar Bottrop met laaddata 25 januari 2013, 21 maart 2013, 7 april 2013, 19 april 2013, 2 mei 2013, 16 juli 2013, 20 juli 2013, 28 juli 2013, 9 augustus 2013, 12 september 2013, 23 september 2013 en 26 september 2013 en om overige reizen met laaddata 22 februari 2013, 8 mei 2013 en 7 september 2013. Optelling van de als teveel betaalde vracht en kanaalkosten bij de verschillende posten vermelde bedragen leidt tot de conclusie dat vorderingen tot een bedrag van € 7.382,82 (€ 7.217,83 vracht plus € 164,99 kanaalkosten) zijn verjaard.

Dit bedrag vermeerderd met de daarover betaalde 21 procent BTW, samen € 8.933,21, kan dus niet worden verrekend.

4.11.

Dap heeft derhalve een verrekenbare tegenvordering tot € 45.765,12 (€ 54.698,33 minus € 8.933,21) inclusief BTW.

4.12.

De vordering van Euroship in conventie strekt tot betaling van aan Euroship - naar zij stelt - nog toekomende factuurbedragen, inclusief BTW groot € 69.518,34. Deze vordering heeft betrekking op reizen uit september 2014.

Dat Dap dit bedrag verschuldigd is geworden, heeft Dap niet betwist. Hoewel Dap stelt dat zij pas naar aanleiding van de lossing te Bottrop op 11 september 2014 ongeregeldheden op het spoor kwam, waarin besloten ligt dat ook de facturen voor laaddata 2 en 6 september 2014 mogelijk onjuist zijn, heeft zij een dergelijk verweer niet gevoerd. De rechtbank gaat aan deze mogelijkheid daarom voorbij. Over de wijze waarop Euroship de door Dap op deze facturen verrichte betaling heeft toegerekend aan verschenen rente en oorspronkelijk verschuldigde hoofdsom zijn partijen het ter comparitie eens geworden.

Dit brengt mee dat de vordering in conventie kan worden toegewezen behoudens voor zover een zelfstandig verweer van Dap opgaat.

4.13.

Dap beroept zich op verrekening met haar tegenvordering wegens ten onrechte betaalde vracht. Uit r.o. 4.11 volgt dat dit beroep op verrekening slaagt tot € 45.765,12.

Na deze verrekening resteert € 23.753,22 in het voordeel van Euroship.

4.14.

Dap doet daarnaast een beroep op verrekening met verdere tegenvorderingen van € 11.300 voor (interne) kosten, € 1.326,55 voor buitengerechtelijke incassokosten en een door een door de rechtbank te schatten bedrag aan imagoschade.

4.15.

Anders dan voor de vordering tot terugbetaling van ten onrechte betaalde vracht kunnen deze vorderingen niet worden gegrond op onverschuldigde betaling. Deze vorderingen strekken immers tot schadevergoeding, en daartoe moet komen vast te staan dat Euroship jegens Dap verplicht is om Daps schade te vergoeden.

4.16.

Dap stelt in dit verband dat Euroship aansprakelijk is op grond van toerekenbare tekortkoming althans onrechtmatige daad. Dit veronderstelt een doen of nalaten van Euroship.

Ter zitting heeft Dap echter verklaard dat het gewicht van de kolen is vastgesteld door ijkmeesters die zijn benoemd door de zeehavenagent van de ontvanger ten behoeve van de ladingbelanghebbenden. Deze ijkmeesters hebben aan boord van het koppelverband ijkopnamen gedaan en aan de hand van de door de schipper overgelegde meetbrieven het bij de betreffende ijkopname behorende tonnage op een briefje genoteerd (een voorbeeld is overgelegd als productie 6 bij conclusie van antwoord in reconventie). De schipper van Euroship heeft van de ijkmeesters ondertekende afschriften gekregen van dat briefje en vervolgens hebben de ijkmeesters op kantoor de “Gauging Reports” opgemaakt, aan de hand waarvan Dap de creditnota’s opstelde. Gelet op deze gang van zaken en het bepaalde in artikel 6 lid 2 onder a en artikel 8 lid 1 onder a en lid 2 CMNI Verdrag komen fouten van de ijkmeesters bij het vaststellen van het gewicht in beginsel voor rekening en risico van Dap en niet van Euroship.

Tussen Euroship en Dap gelden de ijkmeesters immers als personen waarvan Dap als afzender zich bedient bij het nakomen van haar verplichting om gegevens met betrekking tot het gewicht van de goederen aan Euroship als vervoerder te verschaffen.

4.17.

Voor aansprakelijkheid van Euroship voor de verkeerde tonnages kan wel aanleiding bestaan indien door of namens Euroship doelbewust verkeerde tonnages zijn doorgegeven aan de ijkmeesters, bijvoorbeeld door het verkeerd oplezen van tonnages of door het hanteren van onjuiste meetbrieven, teneinde meer vracht bij Dap in rekening te brengen dan gelet op hetgeen daadwerkelijk is vervoerd gerechtvaardigd was, zoals Dap heeft gesteld maar door Euroship stellig is betwist. In dat geval zou immers sprake zijn van onrechtmatig handelen van Euroship jegens Dap.

Dat de schipper van Euroship zich op de door Dap veronderstelde wijze heeft gedragen heeft Dap onvoldoende feitelijk uitgewerkt, onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Zij heeft slechts aangevoerd dat het opmerkelijk is dat de verkeerde tonnages structureel in het voordeel uitvallen van Euroship. Dit is echter, hoewel juist, in het licht van de hiervoor geschetste gang van zaken omtrent het vaststellen van het gewicht van de kolen, de door Dap zelf ter zitting geopperde mogelijkheid dat de ijkmeesters fouten hebben gemaakt, de omstandigheid dat die ijkmeesters geen schriftelijke verklaring hebben willen afleggen, en de stellige betwisting van Euroship, onvoldoende aanleiding om Dap toe te laten tot het bewijs van haar (veronder)stellingen.

Het verwijt dat Euroship is tekortgeschoten in het controleren van de creditnota’s van Dap en daarin door haar vast te stellen onjuistheden te melden, treft geen doel. Het was op de eerste plaats aan Dap om voor correcte nota’s te zorgen, en zij had - naar ter comparitie is gebleken - ook zelf de beschikking over de meetbrieven van het koppelverband. Zou aan Euroship in dit verband al een verwijt kunnen worden gemaakt, dan weegt het aan Dap te maken gelijke verwijt daartegen op.

De conclusie is dat geen grondslag voor een verplichting tot schadevergoeding door Euroship aan Dap is gebleken. Het onder 4.14 bedoelde beroep op verrekening met schade die Dap in dit verband stelt te hebben geleden slaagt dan ook niet.

Terzijde geldt dat voor het begroten van de vordering ter zake van imagoschade ieder cijfermatig aanknopingspunt ontbreekt en dat aan de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten in de weg staat dat onvoldoende is toegelicht waarom kosten ter incasso moesten worden gemaakt nu Dap de door de rechtbank vastgestelde tegenvordering in verrekening heeft gebracht.

4.18.

Voor de vordering in conventie betekent het voorgaande, dat deze zal worden toegewezen tot € 23.753,22.

4.19.

Euroship vordert de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toe te wijzen bedrag vanaf 17 november 2014. Deze vordering zal worden toegewezen.

4.20.

Over de door Euroship gevorderde € 6.775,00 voor buitengerechtelijke kosten en proceskosten oordeelt de rechtbank als volgt.

In de bijzondere omstandigheden van dit geval kan geen van partijen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Euroship heeft een procedure gevoerd om hetgeen haar toekomt te kunnen incasseren maar slechts een deel van haar vordering zal worden toegewezen omdat Daps voornaamste verweer slaagt. De rechtbank acht zeer waarschijnlijk dat het niet tot deze procedure was gekomen als Euroship eerder serieus gehoor had gegeven aan het duidelijk gemotiveerde en onderbouwde standpunt van Dap dat zij onverschuldigd teveel vracht had betaald. De processtukken en de proceshouding van Euroship wijzen erop dat zij zich daarin niet heeft willen verdiepen. Daarmee heeft Euroship het geschil nodeloos groot gelaten.

In deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toe te kennen aan Euroship, ook niet naar rato van het toegewezen bedrag, en om iedere partij de eigen de proceskosten te laten dragen.

4.21.

Nu in conventie verrekening is toegestaan, is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder de eis in reconventie is ingesteld. Aan beoordeling daarvan komt de rechtbank dus niet toe.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Dap om aan Euroship te betalen een bedrag van € 23.753,22, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over dit bedrag met ingang van 17 november 2014 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2016.

615/1885