Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1797

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
15-04-2016
Zaaknummer
KTN-4785803_04032016
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWZ; artikel 7:681; vernietiging ontslag op staande voet; wedertewerkstelling; afwijzing voorwaardelijke ontbinding e-grond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4785803 VZ VERZ 16-1287

uitspraak: 4 maart 2016

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

[werknemer] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het incident en in de hoofdzaak,

verweerder in de (voorwaardelijke) zelfstandige tegenverzoeken,

gemachtigden: mr. J. van der Stel, advocaat te Dordrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Linde Gas Benelux B.V.,

gevestigd te Schiedam,

verweerster in het incident en in de hoofdzaak,

verzoekster in de (voorwaardelijke) zelfstandige tegenverzoeken,

gemachtigde: mr. M.I. van Dijk, advocaat te Utrecht.

Partijen worden hierna ‘[werknemer]’ respectievelijk ‘Linde Gas Benelux’ genoemd.

1 Het verloop van het proces

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift tot vernietiging van ontslag op staande voet tevens houdende incidentele vorderingen (art. 7:681 BW e.v., art. 223 Rv), ingekomen op 29 januari 2016;

- het verweerschrift ex art. 7:686a jo 7:677 jo. 7:681 BW tevens houdende een verzoekschrift ex art. 7:671b jo. 7:669 lid 3 sub e BW strekkende tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, ingekomen op 15 februari 2016;

- de op 17 februari 2016 door beide partijen ingediende aanvullende producties;

- het verweerschrift tegen verzoekschrift tot voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst, ingekomen op 19 februari 2016;

- de bij voornoemde processtukken behorende bescheiden.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 februari 2016. Tijdens deze mondelinge behandeling zijn de incidentele verzoeken gezamenlijk met de bovenstaande (tegen)verzoeken behandeld. [werknemer] is verschenen met zijn gemachtigde mr. J. van der Stel. Namens Linde Gas Benelux zijn verschenen mevrouw [P.] (Hoofd HR) en de heer

[B.] (HR manager), bijgestaan door de gemachtigde mr. T.F.E. Hoekstra (kantoorgenoot van mr. M.I. van Dijk). Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, waarbij de gemachtigde van Linde Gas Benelux zich heeft bediend van pleitnotities die in het geding zijn gebracht.

1.3.

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

2.1.

Linde Gas is actief in de productie, levering en distributie van onder meer industriële gassen en maakt onderdeel uit van de Linde Group. Een van de gassen die Linde Gas Benelux levert is Acetyleen. Acetyleen is licht ontvlambaar en zeer gevaarlijk en wordt opgeslagen in cilinders. Op iedere acetyleencilinder van Linde Gas Benelux zit een sticker waarop wordt gewaarschuwd voor de ontvlambaarheid en de mogelijkheid dat de cilinder asbest kan bevatten. Linde Gas Benelux heeft voor haar personeel interne veiligheidsregels opgesteld waarin wordt aangegeven hoe de cilinders moeten worden getransporteerd en vernietigd. Deze veiligheidsregels zijn gepubliceerd op het intranet van Linde Gas Benelux.

2.2.

[werknemer], geboren op [geboortedatum] 1956, is sinds 5 januari 1976 bij (een rechtsvoorganger van) Linde Gas Benelux in dienst, laatstelijk in de functie van Coördinator verpakkingsmiddelen onderhoud op de afdeling Plan Source/Plan PGB Benelux. Het salaris van [werknemer] bedraagt thans € 5.345,- bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.3.

In het voorjaar van 2013 kreeg de afdeling waar [werknemer] op werkt de opdracht tot het laten verschroten van ongeveer 5000 afgekeurde acetyleencilinders. Nadat [werknemer] samen met de heer [leidinggevende] (de toenmalige leidinggevende van [werknemer], hierna: [leidinggevende]) bij verschillende bedrijven had geïnformeerd naar de mogelijkheden, is de opdracht in augustus 2013 aan Zemo V.O.F. Metaalrecycling & Metaalhandel (hierna: Zemo) gegund. Zemo is een gecertificeerd bedrijf en had al eerder cilinders van Linde Gas Benelux verwerkt. Zemo heeft voornoemde opdracht laten uitvoeren door Groenleer Metaalrecycling B.V. (hierna: Groenleer).

2.4.

In november 2013 is een proefzending van 1300 à 1400 afgekeurde acetyleenflessen naar Zemo verzonden. Vanaf medio december 2013 leverde Linde Gas Benelux twee à drie vrachten per week met afgekeurde acetyleenflessen af op de locatie van Groenleer.

2.5.

Op 23 januari 2014 is door Groenleer geconstateerd dat bij de verschroting van de door Linde Gas Benelux geleverde acetyleenflessen asbest was vrijgekomen. Hiervan is melding gemaakt bij de Inspectie SZW. Uit het rapport van de Inspectie SZW d.d. 4 juni 2014 blijkt, onder meer, dat bij het verschroten van de cilinders door Groenleer asbest is vrijgekomen.

2.6.

Medio mei 2014 is het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek gestart gericht op een verdenking van het opzettelijk in de bodem of in de lucht brengen van gevaarlijke stoffen. In het kader van dat onderzoek zijn onder meer Linde Gas Benelux, [werknemer] en

[leidinggevende] als verdachten aangemerkt.

2.7.

Op 3 december 2015 heeft Linde Gas Benelux het eindproces-verbaal van het Openbaar Ministerie ontvangen. Aan dit proces-verbaal zijn transcripties gehecht van telefoongesprekken van [werknemer] met [leidinggevende] en van [werknemer] met de heer [M.] (afdeling Plan & Source van Linde Gas Benelux) en e-mailcorrespondentie tussen [werknemer] en [leidinggevende].

• De transcriptie van het telefoongesprek van [werknemer] met [leidinggevende] op 30 september 2014 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“NN-[werknemer] (..) En wij gingen er vanuit dat onze standpunt was dat 99% van de flessen, zeg maar verwerkt waren die.. nu moesten doen, dat dat asbestvrij was.

NN-[leidinggevende]: Ja”

“NN-[werknemer]: (..) maar het woord asbest is wel genoemd als zijnde, wat daar zat [voornaam collega] bij, ik zei het kan zijn dat er asbesthoudend materiaal in zit. Het is niet veel maar het kan zijn. He, misschien 1, 2 procent. En ik zeg, maar dat is vooral bij oudere flessen, niet wetende dat ook flessen van 1970, 1980 was. Dat heb ik nooit geweten.”

“NN-[leidinggevende]: (..) maar kijk ik meer naar mezelf , goh ben ik niet iets te makkelijk geweest in het feit van joh, we transporteren afval naar, naar Zemo en hoeft dat dan niet onder de noemer van afvaltransport en gaan we dan volledig maar eh.. af op wat Zemo ons verteld en dat ja.. nu heb ik daar een beetje zoiets van ja, ja, maar ja goed als ik daar over na denk, denk ik maar Zemo is een VIHB gecertificeerd bedrijf…

NN-[werknemer]: Precies, dat heb ik…

NN-[leidinggevende]: dat daar de kennis van heeft en wij hadden die kennis.”

• De transcriptie van het telefoongesprek van [werknemer] met de heer [M.] op 2 oktober 2014 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“NN-[werknemer]: [leidinggevende] zegt gaan, gaan, gaan. Heeft de druk op zitten voeren. Flessen moeten snel, op het einde van het jaar. Nou dat is… Dat is… ja de wet van Murphey. Zal ik maar zeggen. Maar dat is wel de oorzaak geweest en dat zei [voor + achternaam] ook, ja hij zegt, [leidinggevende] is denk ik nog het meest schuldige, want die heeft de boel op zitten kloppen. Die heeft constant zitten douwen.”

“NN-[werknemer]: (..) ik heb iedereen gevraagd en niemand kon mij helpen, dus ja wat moet ik dan doen? En mijn baas.. ja en mijn baas, die heeft gewoon groen licht gegeven. Dit had moeten zeggen, op een gegeven moment, van wacht eens even, wij gaan even verder, wij gaan even ‘global’ kijken, we gaan in Duitsland vragen of dit wel kan. Nou dat heeft ie dus niet gedaan.”

“NN-[werknemer]: En mij ook niet.. en mij ook niet dat advies gegeven, dus.. die zei gewoon van, ga maar. Ja.”

• De e-mail van [leidinggevende] aan [werknemer] d.d. 25 september 2013 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Mijn gedachten zijn:

1. 1e vracht sturen met een beperkte hoeveelheid waarvan wij duidelijk weten hoeveel Aceton & DMF het betreft (maar dit Zemo niet zeggen, we kunnen het dan achteraf checken).

2. Ik zou deze als een gewone rit sturen en niet als afval. Voor het daaropvolgende traject moeten we het transport goed inregelen conform de wet.”

2.8.

Na bestudering van het eindproces-verbaal door Linde Gas Benelux heeft er op

21 december 2015 een gesprek plaatsgevonden tussen Linde Gas Benelux en [werknemer] en is aan [werknemer] een voorstel tot beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst gedaan. [werknemer] heeft dat voorstel niet geaccepteerd.

2.9.

Bij brief van 24 december 2015 heeft Linde Gas Benelux [werknemer] op staande voet ontslagen op grond van een dringende reden. Deze brief luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Geachte heer [werknemer],

Op 17 december 2015 constateerden wij feiten in het strafdossier waarin zowel Linde Gas als u betrokken zijn. Naar aanleiding hiervan heeft er op maandag 21 december 2015 een gesprek plaatsgevonden tussen u [P.] en [B.] van Linde Gas.

Na zorgvuldig onderzoek is vastgesteld dat u zich ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met Zemo (…) in augustus 2013 althans kort daarna bewust was dat de aan Zemo aangeboden acetyleenflessen zeer gevaarlijke en giftige stoffen, waaronder asbest, acyteleen en DMF konden bevatten. Ondanks de strikte verplichting hiertoe, heeft u hiervan géén melding of een onvolledige melding gemaakt aan Zemo, Linde Gas en/of de Inspectie SZW.

Door hiervan geen (volledige) melding te maken heeft u rechtstreeks in strijd gehandeld met interne reglementen van Linde Gas en de relevante wet- en regelgeving. Zo heeft u onder meer in strijd gehandeld met de veiligheids- en informatieverplichtingen (…) die van toepassing zijn op uw arbeidsovereenkomst, artikelen 10.1 en 10.37 lid 1van de Wet Milieubeheer en artikel 4 Productbesluit Asbest.

(…)

Gedurende en ná het onderzoek van de Inspectie SZW in januari 2014 hebben wij, vele malen (…) expliciet gevraagd of u al vóór het onderzoek van de Inspectie SZW kennis had van het feit dat de acetyleenflessen gevaarlijke stoffen bevatten, althans of u de daarvoor relevante wet- en regelgeving heeft overtreden bij het organiseren van het transport c.q. laten verschroten van de cilinders. U heeft meerdere malen nadrukkelijk aangegeven hier géén kennis van te hebben gehad, althans van slechts een gedeelte van de flessen. U heeft hiermee Linde Gas bewust misleid, althans bewust foutief geïnformeerd Inmiddels is gebleken dat u die kennis wel had.

Met de bovenstaande gedragingen heeft u het verbouwen van Linde Gas in u als zorgvuldig handelend werknemer ernstig geschonden en uw plichten uit de arbeidsovereenkomst grovelijk veronachtzaamd.

Deze gedragingen zijn zeer ernstig en door Linde Gas absoluut niet te tolereren.

Alle hiervoor genoemde punten vormen in samenhang bezien en ieder op zichzelf staand, een dringende reden voor ontslag op staande voet. (…)”

2.10.

Bij brief van 31 december 2015 heeft de gemachtigde van [werknemer] bezwaar gemaakt tegen het ontslag op staande voet en bericht dat [werknemer] zich beschikbaar houdt de bedongen werkzaamheden te verrichten.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1.

[werknemer] heeft verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van de procedure:

primair

I. de opzegging van de arbeidsovereenkomst c.q. het op of omstreeks 24 december 2015 door Linde Gas Benelux aan [werknemer] gegeven ontslag op staande voet te vernietigen;

II. Linde Gas Benelux te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [werknemer] te betalen het verschuldigde salaris ten bedrage van EUR 5.345,- bruto per maand vermeerderd met alle emolumenten, waaronder vakantietoeslag, vanaf 24 december 2015 tot aan de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

III. Linde Gas Benelux te veroordelen, althans te gelasten, [werknemer] toe te laten tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten op straffe van verbeurte van een door Linde Gas Benelux aan [werknemer] te betalen dwangsom ter hoogte van EUR 500,- per dag, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, met een maximum van EUR 50.000,-, voor elke dag dat Linde Gas Benelux, binnen vijf dagen na betekening van het ten deze te wijzen beschikking, niet aan de beschikking voldoet;

IV. Linde Gas Benelux te veroordelen om aan [werknemer] te verstrekken schriftelijke en deugdelijke netto/bruto salarisspecificaties, waarin de betaling van het sub II gevorderde is verwerkt, vanaf 24 december 2015 tot aan de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd, een en ander op straffe van verbeurte van een door Linde Gas Benelux aan [werknemer] te betalen dwangsom ter hoogte van EUR 100,- per dag, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, met een maximum van

€ 10.000,-, voor elke dag dat Linde Gas Benelux, binnen vijf dagen na betekening van het ten deze te wijzen beschikking, niet aan de beschikking voldoet;

V. Linde Gas Benelux te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [werknemer] te betalen de wettelijke verhoging van 50%, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen percentage, wegens vertraging over het aan [werknemer] toekomende salaris ex artikel 7:625 BW;

VI. Linde Gas Benelux te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [werknemer] te betalen een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van EUR 500,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag conform de staffel buitengerechtelijke incassokosten;

VII. Linde Gas Benelux te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [werknemer] te betalen de wettelijke rente over de sub II t/m VI genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot aan de dag der algehele vergoeding,

subsidiair

VIII. Linde Gas Benelux te veroordelen om binnen vijf dagen na de ten deze te wijzen beschikking aan [werknemer] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW ten bedrage van EUR 311.300,- bruto, waarbij in geval van integrale toekenning de transitievergoeding als hieronder verzocht inbegrepen wordt geacht, althans een vergoeding zoals de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

IX. Linde Gas Benelux te veroordelen om binnen vijf dagen na de ten deze te wijzen beschikking aan [werknemer] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, dan wel van rechtswege zou zijn beëindigd, conform artikel 7:677 lid 2 e.v. BW, zijnde een bedrag ad EUR 44.539,- bruto, althans een bedrag zoals de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

X. Linde Gas Benelux te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [werknemer] te betalen de wettelijke verhoging van 50%, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen percentage, wegens vertraging over het aan [werknemer] toekomende salaris ex artikel 7:625 BW;

XI. Linde Gas Benelux te veroordelen om binnen vijf dagen na de ten deze te wijzen beschikking tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [werknemer] te betalen transitievergoeding ten bedrage van EUR 89.076,- bruto, althans een vergoeding zoals de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

XII. Linde Gas Benelux te veroordelen om aan [werknemer] te verstrekken schriftelijke en deugdelijke netto/bruto salarisspecificaties, waarin de betaling van het sub V tot en met sub VII gevorderde is verwerkt, een en ander op straffe van verbeurte van een door Linde Gas Benelux aan [werknemer] te betalen dwangsom ter hoogte van EUR 100,- per dag, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, met een maximum van EUR 10.000,-, voor elke dag dat Linde Gas Benelux, binnen vijf dagen na betekening van het ten deze te wijzen beschikking, niet aan de beschikking voldoet;

XIII. Linde Gas Benelux te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [werknemer] te betalen een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van EUR 500,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag conform de staffel buitengerechtelijke incassokosten;

XIV. Linde Gas Benelux te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [werknemer] te betalen de wettelijke rente over de sub VIII t/m XIII genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot aan de dag der algehele vergoeding;

XV. te besluiten tot verval van de werking van het non-concurrentiebeding, voor zover en indien dit van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen Linde Gas Benelux en [werknemer], op grond van artikel 7:653 lid 4 BW, nu het eindigen c.q. het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van Linde Gas Benelux;

XVI. te besluiten tot verval van de werking van het relatiebeding, voor zover en indien dit van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen Linde Gas Benelux en [werknemer], op grond van artikel 7:653 lid 4 BW nu het eindigen c.q. het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van Linde Gas Benelux;

primair en subsidiair met veroordeling van Linde Gas Benelux in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking.

Daarnaast heeft [werknemer] een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv voor de duur van de procedure verzocht ten aanzien van de verzoeken onder II tot en met VII.

3.2.

Aan zijn verzoek heeft [werknemer] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd. Het op 24 december 2015 gegeven ontslag op staande voet kan geen stand houden, omdat een dringende reden ontbreekt. Van bewuste misleiding of bewust foutief informeren is geen sprake. Er is wel degelijk aan Zemo gemeld dat de aangeboden flessen mogelijk gevaarlijke stoffen konden bevatten. De opdracht aan Zemo is vooraf getoetst door de veiligheidsdeskundige en de afdeling inkoop van Linde Gas Benelux. Er is ook niet, althans niet bewust, in strijd met interne reglementen, beleid of wet- en regelgeving gehandeld. Er is niet eerder dan in deze procedure door Linde Gas Benelux gewezen op het bestaan van werkinstructies.

Tot slot heeft [werknemer] op zijn persoonlijke omstandigheden gewezen, waaronder zijn leeftijd, de duur van het dienstverband en de (financiële) gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem heeft.

3.3.

De overige stellingen van [werknemer] zullen hierna – voor zover van belang voor de beoordeling – worden besproken.

4 Het verweer en de (voorwaardelijke) zelfstandige tegenverzoeken

4.1.

Het verweer van Linde Gas Benelux strekt tot afwijzing van de verzoeken van [werknemer] in het incident en de verzoeken in de hoofdzaak, met veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na datum van de uitspraak tot aan de dag der voldoening. Daartoe heeft Linde Gas Benelux – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd.

4.2.

Uit de in 2.7 vermelde transcripties en e-mailcorrespondentie blijkt dat [werknemer] kennis had, althans vermoedde dat er een risico bestond dat de cilinders van ná 1968 asbest bevatten en dat hij zich ervan bewust was dat de transporten van de acetyleencilinders naar Zemo niet conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving zou geschieden. Deze handelwijze Van [werknemer] is flagrant in strijd met zijn taken en verantwoordelijkheden, de geldende veiligheidsvoorschriften en de normen en waarden waar Linde Gas Benelux voor staat en is daarmee onverteerbaar en onacceptabel. Deze omstandigheden in samenhang en iedere op zichzelf staand vormen een dringende reden voor ontslag op staande voet.

4.3.

De overige stellingen van Linde Gas Benelux zullen hierna – voor zover van belang voor de beoordeling – worden besproken.

4.4.

Voor het geval de verzoeken van [werknemer] worden afgewezen, heeft Linde Gas Benelux twee zelfstandige tegenverzoeken ingediend. Deze verzoeken zien op een verklaring voor recht dat Linde Gas Benelux geen transitievergoeding aan [werknemer] is verschuldigd en een veroordeling van [werknemer] tot betaling aan Linde Gas Benelux van de vergoeding zoals bedoeld in artikel 7:677 lid 2 jo. 3 sub a BW. Deze tegenverzoeken zullen hierna – voor zover van belang – worden besproken.

5 Het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst

5.1.

Linde Gas Benelux heeft zowel in geval van afwijzing van de verzoeken van [werknemer] als in geval van toewijzing van de verzoeken van [werknemer] verzocht om de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover tussen partijen of onherroepelijk in rechte wordt vastgesteld dat deze nog bestaat, voorwaardelijk te ontbinden tegen een zo kort mogelijke termijn, primair zonder toekenning van de transitievergoeding dan wel billijke vergoeding en subsidiair onder toekenning van uitsluitend een transitievergoeding, met veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na datum van de uitspraak tot aan de dag der voldoening.

5.2.

Bovenstaand verzoek heeft Linde Gas Benelux gegrond op artikel 7:671b jo. artikel 7:669 lid 3 sub e BW, te weten verwijtbaar handelen van [werknemer] in de nakoming van zijn uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. Hieraan zijn dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd als die hiervoor aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd.

5.3.

[werknemer] heeft tegen de verzoeken van Linde Gas Benelux gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan.

6 De beoordeling

Het ontslag op staande voet

6.1.

Het verzoek is - gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 aanhef en sub a jo. artikel 7:681 lid 1 BW - tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

6.2.

Uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Gelet op dat artikel kan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer. Op grond artikel 7:671 lid 1 sub c BW geldt die eis niet wanneer de opzegging geschiedt op grond van artikel 7:677 lid 1 BW, waarin is bepaald dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

6.3.

Uit de in 2.9 genoemde brief van 24 december 2015 blijkt dat Linde Gas Benelux de arbeidsovereenkomst met [werknemer] per direct heeft opgezegd op grond van twee redenen, (a) het bewust geen of onvolledig melding maken van de mogelijkheid dat de aan Zemo aangeboden acetyleenflessen zeer gevaarlijke en giftige stoffen zoals asbest konden bevatten en (b) het in strijd handelen met de interne reglementen van Linde Gas Benelux en de relevante wet- en regelgeving.

(a) het bewust geen of onvolledig melding maken van de mogelijkheid dat de aan Zemo aangeboden acetyleenflessen zeer gevaarlijke en giftige stoffen zoals asbest konden bevatten

6.4.

In tegenstelling tot hetgeen Linde Gas Benelux meent, kan op grond van de in 2.7 genoemde transcripties van telefoongesprekken en e-mailcorrespondentie tussen [werknemer] en [leidinggevende]/[M.] niet worden geconcludeerd dat [werknemer] bewust informatie over de mogelijke aanwezigheid van asbest heeft achtergehouden over de naar Zemo vervoerde acetyleenflessen. Het percentage van 1 à 2% van de flessen waar asbesthoudend materiaal in zou kunnen zitten, zoals [werknemer] dat in het telefoongesprek met [leidinggevende] van 30 september 2014 noemt, ziet blijkens de verdere inhoud van het transcript van dat telefoongesprek op de oudere flessen van voor 1968 en niet op flessen van ná 1968. [werknemer] zegt in dit gesprek ook dat hij nooit heeft geweten dat de flessen van na 1968 ook asbesthoudend materiaal zouden kunnen bevatten. De interpretatie van Linde Gas Benelux, die vooral gefocust is op het door [werknemer] genoemde percentage, is dan ook te kort door de bocht. Daarbij komt dat [werknemer] blijkens de transcriptie van het telefoongesprek van 2 oktober 2014 in het kader van de opdracht aan Zemo informatie bij collega’s heeft gevraagd, hetgeen hij ook tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, juist omdat hij naar eigen zeggen nog niet eerder met verschroting van acetyleencilinders te maken had gehad en hij geen opleidingsachtergrond heeft met betrekking tot chemische stoffen/gevaarlijke gassen.

Dit laatste is niet door Linde Gas Benelux betwist.

Bovendien is op elke cilinder een sticker geplakt met daarop een waarschuwing voor de mogelijkheid van asbesthoudend materiaal en de ontvlambaarheid van de inhoud. Ook al was er tegen Zemo niets gezegd over de mogelijkheid van asbest in de te verschroten cilinders, dan had Zemo reeds uit de sticker op de cilinders kunnen afleiden dat zij bij het verschroten voorzichtigheid moest betrachten vanwege de mogelijke aanwezigheid van asbest. Dit mag ook van Zemo verwacht worden, aangezien Zemo een gecertificeerd bedrijf is met een vergunning voor het verschroten van dergelijke cilinders én zij al vaker voor Linde Gas Benelux gasflessen had verschroot. Hierbij wordt ook in aanmerking genomen dat eerst een proefzending naar Zemo was gestuurd om te ontdekken welke gassen/materialen zij tijdens het verschroten zou aantreffen. Linde Gas Benelux is er op basis van de vergunning van Zemo ook vanuit gegaan dat Zemo de acetyleencilinders op een veilige manier, met inachtneming van de waarschuwingsstickers, zou kunnen verschroten. Er is ten aanzien van de proefzending ook geen aanvullende audit door de veiligheidsafdeling van Linde Gas uitgevoerd. [werknemer] mocht ook afgaan op de vergunning van Zemo. Dat Zemo Groenleer inschakelde maakt een en ander niet anders.

Noch uit de overgelegde stukken noch uit de stellingen van partijen blijkt dat bij [werknemer] sprake is geweest van het welbewust achterhouden van informatie over de mogelijke aanwezigheid van asbest en/of andere gevaarlijke stoffen in de cilinders die aan Zemo zijn aangeboden.

(b) het in strijd handelen met de interne reglementen van Linde Gas Benelux en de relevante wet- en regelgeving

6.5.

Van het in strijd handelen met interne reglementen en relevante wet- en regelgeving is niet gebleken. In dit kader wordt ook gewezen op hetgeen hiervoor in 6.4 reeds is overwogen over Zemo als gecertificeerd bedrijf en de waarschuwingsstickers op de cilinders. Het e-mailbericht van 25 september 2013 waar Linde Gas Benelux in dit kader vooral op wijst, is afkomstig van [leidinggevende] aan [werknemer]. Dit e-mailbericht ziet, blijkens de inhoud, op de proefzending cilinders die niet als afval naar Zemo is vervoerd. Uit deze e-mail blijkt niet dat [werknemer] daarbij bewust in strijd heeft gehandeld met interne reglementen en/of relevante wet- en regelgeving. [werknemer] heeft daarover onweersproken gesteld dat hij verder niet betrokken was bij de verzending van de cilinders. Bovendien had Linde Gas Benelux het feit dat de proefzending niet als afval naar Zemo is verzonden niet uit het proces-verbaal van het Openbaar Ministerie hoeven te halen, nu zij dit in haar eigen administratie had kunnen terugvinden. In dat laatste geval had Linde Gas Benelux reeds in januari 2014 tot ontslag kunnen overgaan en niet pas op 24 december 2015. Het ontslag op 24 december 2015 wegens dit vermeende feit is dan ook niet onverwijld gegeven.

Uit de overgelegde stukken en de stellingen van partijen blijkt dat de opdracht aan Zemo vooral te maken had met het feit dat Linde Gas Benelux voor het einde van het jaar 2013 nog van 5000 acetyleenflessen af wilde. De kantonrechter kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de snelheid waarmee deze opdracht kennelijk nog in het boekjaar 2013 vanwege budgettaire redenen moest worden afgerond, mede heeft bijgedragen aan de situatie waarmee Linde Gas Benelux in januari 2014 geconfronteerd werd. Voor deze situatie kan [werknemer] echter niet verantwoordelijk worden gehouden, althans niet op de wijze waarop dat op 24 december 2015 is gebeurd. Dit zou wellicht anders kunnen zijn indien [werknemer] binnen de organisatie van Linde Gas Benelux [werknemer] vooraf uitdrukkelijk was gewezen op de mogelijke aanwezigheid van asbest in cilinders van ná 1968. Daarover heeft Linde Gas Benelux echter onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld, noch is daarvan gebleken. In de door Linde Gas Benelux overgelegde stukken zijn daarvoor in ieder geval geen aanknopingspunten te vinden, anders dan de waarschuwing op de stickers, welke waarschuwing ook voor Zemo leesbaar was. Gelet op voornoemde omstandigheden is de verwijzing naar de algemene beleidsverklaring, de veiligheidsinstructies op het intranet van Linde Gas Benelux en de aan [werknemer] toegezonden werkinstructie dan ook onvoldoende. Aan een bewijsopdracht wordt op dit punt dan ook niet toegekomen.

De door Linde Gas Benelux aangehaalde jurisprudentie over ontslag op staande voet bij overtreding van veiligheidsvoorschriften is op de onderhavige procedure niet van toepassing. Er zijn immers in de onderhavige procedure onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat [werknemer] veiligheidsvoorschriften heeft overtreden.

6.6.

Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot de ontslaggronden is overwogen, alsmede gelet op de omstandigheden dat het hier gaat om het ontslag van een werknemer die ten tijde van het ontslag bijna 40 jaar bij Linde Gas in dienst was, altijd goed heeft gefunctioneerd en persoonlijk voordeel voor [werknemer] niet aan de orde was, kan het ontslag op staande voet geen stand houden. Dit betekent dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden in strijd met het bepaalde in artikel 7:671 lid 1 aanhef en sub c jo. artikel 7:677 lid 1 BW en dus voor vernietiging in aanmerking komt, zodat de verzochte vernietiging van het ontslag op staande voet wordt toegewezen.

Doorbetaling salaris

6.7.

Nu het ontslag op staande voet wordt vernietigd, is Linde Gas Benelux gehouden het achterstallige salaris vanaf 24 december 2015 aan [werknemer] te betalen, tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst op een rechtsgeldige wijze wordt beëindigd.

Wedertewerkstelling

6.8.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [werknemer] verklaard nog steeds bij Linde Gas Benelux te willen werken. Mede gelet daarop wordt de wedertewerkstelling toegewezen en zal Linde Gas Benelux worden veroordeeld om [werknemer] tot de werkvloer toe te laten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag tot een maximum van

€ 50.000,-.

Salarisspecificaties

6.9.

De verzochte veroordeling tot verstrekking van deugdelijke bruto/netto salarisspecificaties zal eveneens worden toegewezen. De kantonrechter gaat er vanuit dat Linde Gas Benelux als fatsoenlijke werkgever na betaling van het salaris ook steeds een salarisspecificatie zal verstrekken, zodat de verzochte dwangsom wordt afgewezen.

Wettelijke verhoging

6.10.

De verzochte wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW zal worden toegewezen over het salaris, op de wijze zoals hierna vermeld. Voor het matigen van de wettelijke verhoging, zoals door Linde Gas Benelux verzocht, wordt gelet op de wijze waarop Linde Gas Benelux jegens [werknemer] heeft gehandeld, geen aanleiding gezien.

Wettelijke rente

6.11.

De wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het salaris en de dwangsommen is toewijsbaar, op de wijze zoals hierna vermeld. Over de hierboven genoemde wettelijke verhoging is de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW verschuldigd vanaf de datum van deze beschikking, nu Linde Gas Benelux niet eerder dan bij het door [werknemer] ingediende verzoekschrift in gebreke is gesteld.

Buitengerechtelijke kosten

6.12.

De verzochte vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.

Uit de overgelegde stukken is immers niet gebleken van verrichtingen door de gemachtigde van [werknemer] waarvoor de proceskostenveroordeling niet reeds in een vergoeding voorziet. Voorafgaand aan deze procedure heeft de gemachtigde van [werknemer] slechts één keer aangeschreven bij brief van 31 december 2015, waarna het onderhavige verzoekschrift is ingediend dat op 29 januari 2016 op de griffie is ontvangen.

Subsidiaire verzoeken in de hoofdzaak

6.13.

Gezien het vorenstaande kan het door [werknemer] subsidiair verzochte onbesproken blijven.

Verzoeken in het incident

6.14.

De door [werknemer] verzochte voorlopige voorziening zoals bedoeld in artikel 223 Rv wordt afgewezen, omdat het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van de procedure ten aanzien van de vorderingen onder II tot en met VII thans geen nut meer heeft. [werknemer] heeft bij die verzochte voorlopige voorziening thans immers geen belang meer, nu bij deze beschikking een beslissing gegeven wordt ten aanzien van de procedure in de hoofdzaak, het ontslag op staande voet vernietigd wordt en Linde Gas Benelux tevens veroordeeld wordt tot – kort gezegd – doorbetaling van salaris en wedertewerkstelling.

De (voorwaardelijke) tegenverzoeken (verklaring voor recht + schadevergoeding)

6.15.

Nu de verzoeken van [werknemer] inzake het ontslag op staande voet worden toegewezen, is niet aan de voorwaarde waaronder de tegenverzoeken zijn gedaan, voldaan. Deze tegenverzoeken behoeven dan ook geen bespreking meer.

Het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst

6.16.

Van opzegverboden zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW is ten aanzien van het onderhavige verzoek niet gebleken.

6.17.

Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Die eisen gelden volgens artikel 7:671b lid 2 BW ook voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter.

6.18.

Uit artikel 7:699 aanhef en lid 3 sub e BW volgt dat de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Hierbij is de mate van het verwijtbaar handelen of nalaten bepalend voor de vraag of sprake is van een redelijke grond voor ontslag.

Van verwijtbaar handelen door [werknemer] ten aanzien van de verzending van de acetyleencilinders naar Zemo is niet gebleken. Ook in de door Linde Gas Benelux overgelegde stukken is daar geen enkel aanknopingspunt voor te vinden, zodat aan een bewijsopdracht op dit punt niet wordt toegekomen. In dat verband wordt ook verwezen naar hetgeen is overwogen ten aanzien van het ontslag op staande voet, omdat daar exact dezelfde feiten en omstandigheden aan ten grondslag zijn gelegd als aan dit voorwaardelijk ontbindingsverzoek.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de door Linde Gas Benelux gestelde feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst opleveren zoals bedoeld in artikel 7:699 aanhef en lid 3 sub e BW, zodat het verzoek van Linde Gas Benelux wordt afgewezen.

6.19.

Linde Gas Benelux wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

7 De beslissing

De kantonrechter,

ten aanzien van het (primaire) verzoek van [werknemer]:

vernietigt het op 24 december 2015 door Linde Gas Benelux aan [werknemer] gegeven ontslag op staande voet;
veroordeelt Linde Gas Benelux:

  • -

    om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [werknemer] te betalen het verschuldigde salaris ten bedrage van € 5.345,- bruto per maand vermeerderd met alle emolumenten, waaronder vakantietoeslag, vanaf 24 december 2015 tot aan de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW berekend op de wijze zoals in dat artikel is beschreven, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW telkens vanaf de vervaldatum van iedere betalingsperiode, en over de wettelijke verhoging vanaf de datum van deze beschikking tot de dag van de algehele voldoening;

  • -

    [werknemer] toe te laten tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten op straffe van verbeurte van een door Linde Gas Benelux aan [werknemer] te betalen dwangsom ter hoogte van € 500,- per dag, met een maximum van € 50.000,- voor elke dag dat Linde Gas Benelux, binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking, niet aan de beschikking voldoet, de bedragen aan dwangsom te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag van de algehele voldoening;

  • -

    om aan [werknemer] te verstrekken schriftelijke en deugdelijke bruto/netto salarisspecificaties vanaf 24 december 2015 tot aan de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

veroordeelt Linde Gas Benelux in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [werknemer] vastgesteld op € 79,- aan griffierecht en € 600,- aan salaris voor de gemachtigde, genoemde bedragen te vermeerderen met de verschuldigde rente vanaf 14 dagen na de uitspraak van de beschikking tot aan de dag der voldoening;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte;

ten aanzien van het verzoek van Linde Gas Benelux tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst:

wijst het verzoek af;

veroordeelt Linde Gas Benelux in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [werknemer] vastgesteld op € 200,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart de beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

879