Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1792

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
C/10/480555 / HA ZA 15-764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zeevervoer onder cognossement. Cognossementen in omloop die ondertekend zijn door beweerdelijk onbevoegde agenten. Onbekendheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/73
NTHR 2016, afl. 4, p. 244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/480555 / HA ZA 15-764

Vonnis van 16 maart 2016

in de zaak van

1. de vennootschap naar buitenlands recht

STEELFORCE EUROPE N.V.,

gevestigd te Antwerpen, België,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

STEELFORCE N.V.,

gevestigd te Antwerpen, België,

eiseressen,

advocaat mr. T. van der Valk,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

THORESEN SHIPPING SINGAPORE PTE LTD,

gevestigd te Singapore,

gedaagde,

advocaat mr. R.C.A. van 't Zelfde.

Eiseres sub 1 zal hierna Steelforce Europe NV. genoemd worden, eiseres sub 2 Steelforce NV. en gedaagde Thoresen. Eiseressen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als Steelforce c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 april 2015, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot nietigverklaring van de dagvaarding tevens conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 4 november 2015 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de zittingsagenda van 3 december 2015;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot nietigverklaring van de dagvaarding;

  • -

    de akte ter voorbereiding op de comparitie van partijen van Steelforce c.s.. met producties;

- het faxbericht van de advocaat van Steelforce c.s. van 18 januari 2016;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van Thoresen van 20 januari 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 25 januari 2016;

  • -

    de brief van de advocaat van Thoresen van 3 februari 2016;

  • -

    de brief van de advocaat van Steelforce c.s. van 5 februari 2016;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van Thoresen van 11 februari 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil in de hoofdzaak en het geschil in het incident

2.1.

Steelforce c.s. vorderen bij dagvaarding dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Thoresen veroordelen tot:

  1. betaling aan Steelforce c.s., althans aan Steelforce Europe N.V. en/of Steelforce N.V., van een bedrag van € 372.000,00, althans aan Steelforce Europe N.V. en/of Steelforce N.V. het deel dat hen toekomt, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW althans ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 25 maart 2015 tot de dag der algehele voldoening;

  2. betaling aan Steelforce c.s., althans aan Steelforce Europe N.V. en/of Steelforce N.V., van een bedrag van € 3.635,00 bij wijze van vergoeding van buitengerechtelijke kosten;

  3. betaling aan Steelforce c.s., althans aan Steelforce Europe N.V. en/of Steelforce N.V., van de kosten van het geding, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

2.2.

Aan de hierboven in 2.1 genoemde vorderingen leggen Steelforce c.s. in de dagvaarding de volgende stellingen ten grondslag:

  1. Voor vervoer van rollen metaaldraad van Pohang in Zuid-Korea naar Rotterdam met de “Thor Insuvi” zijn een zestal cognossementen afgegeven; Thoresen staat als carrier op de cognossementen;

  2. Voor het vervoer zijn zes schone cognossementen uitgegeven (prod. E1 van Steelforce c.s.);

  3. Steelforce N.V. is geadresseerde en recht- en regelmatig houdster van de cognossementen met nummer TIPR101, TIPR102 en TIPR103;

  4. Steelforce Europe N.V. is geadresseerde en recht- en regelmatig houdster van de cognossementen met nummer TIPR104, TIPR105 en TIPR106;

  5. De rollen metaaldraad waren met een kleur gemarkeerd: rood (TIPR101 en TIPR 104), geel (TIPR102 en TIPR105) en blauw (TIPR103 en TIPR106);

  6. De rollen metaaldraad zijn blijkens de cognossementen in goede staat door Thoresen ten vervoer in ontvangst genomen; bij aankomst in Rotterdam is schade vastgesteld aan de rollen metaaldraad; de verschillende partijen rollen metaaldraad met eigen kleurmarkeringen waren door elkaar heen en over verschillende ruimen geladen en gestuwd; de rollen metaaldraad waren verder hoog op elkaar gestapeld en bleken in alle ruimen ernstig doorgezakt, losgeraakt en volledig uit vorm te zijn; ook werd in ruim 4 een lege ruimte geconstateerd van 3 à 4 meter in strijd met het stuwageplan waardoor mede de schade is ontstaan dan wel verergerd; voorts werd door de bemanning van het schip meegedeeld dat bovenop de rollen metaaldraad nog projectlading bestaande uit staalconstructies was geladen; verder is vastgesteld dat de rollen metaaldraad met veel (extra) riemen waren vastgezet; verwezen wordt naar het rapport van GC Surveys van 25 maart 2015 (prod. E2 van Steelforce c.s.);

  7. De schade bestaat uit het verlies van rollen metaaldraad, uit reconditioneringskosten, sorteringskosten, extra loskosten en liggelden van lichters die vertraging oplopen; de schade wordt begroot op € 372.000,00 (prod. E3 van Steelforce c.s.); Thoresen is hiervoor tegenover Steelforce c.s. aansprakelijk; Steelforce c.s. maken tevens aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten op grond van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten;

  8. Steelforce N.V. en Steelforce Europe N.V. hebben Thoresen aansprakelijk gesteld voor de schade (prod. E4 van Steelforce c.s.).

2.3.

Thoresen voert verweer. Zij concludeert primair, bij wijze van incidentele vordering, tot nietigverklaring van de dagvaarding en niet-ontvankelijkverklaring van Steelforce c.s. in hun vorderingen in de hoofdzaak. Hiertoe voert Thoresen het volgende aan:

  • -

    de inhoud van de dagvaarding is uiterst summier en bevat geen gronden van eis; de dagvaarding vermeldt niet op welke grond Thoresen aansprakelijk zou zijn jegens Steelforce c.s. en het is voor Thoresen onmogelijk om concreet van antwoord te dienen;

  • -

    Steelforce c.s. noemen geen enkele juridische grondslag voor de eis c.q. voor de beweerdelijke aansprakelijkheid; de dagvaarding biedt terzake geen enkele duidelijkheid of houvast;

  • -

    niet duidelijk is of de beweerdelijke vordering van Steelforce c.s. een contractuele of buitencontractuele vordering op Thoresen betreft; evenmin wordt aangegeven welk recht de gestelde vordering beheerst, zodat ook niet duidelijk is naar welk recht verweer moet worden gevoerd;

  • -

    Steelforce c.s. volstaan in weerwil van artikel 111 lid 2 sub d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en artikel 120 lid 1 Rv met de enkele niet nader onderbouwde stelling dat Thoresen aansprakelijk is zonder daarbij enige grond aan te voeren voor die aansprakelijkheid; Steelforce c.s. leggen niet uit dat en waarom Thoresen volgens het toepasselijke recht aansprakelijk zou zijn jegens Steelforce c.s. voor het gevorderde bedrag van € 372.000,00;

  • -

    omdat er geen gronden zijn genoemd, is sprake van een ernstig gebrek in de dagvaarding; de onderhavige dagvaarding beantwoordt dus niet aan de functie van een dagvaarding, te weten die van een inleidend processtuk waarin de rechtsstrijd wordt bepaald; de onderhavige dagvaarding moet derhalve nietig worden verklaard.

2.4.

Met het oog op het geval dat de dagvaarding niet nietig wordt verklaard, concludeert Thoresen subsidiair tot afwijzing van de vorderingen van Steelforce c.s.

2.5.

Steelforce c.s. voeren verweer in het incident en concluderen tot afwijzing van de incidentele vordering van Thoresen.

2.6.

Tot haar hierboven onder 2.4 genoemde subsidiaire conclusie tot afwijzing van de vorderingen van Steelforce c.s. in de hoofdzaak voert Thoresen bij conclusie van antwoord
- aangehaald voor zover relevant en samengevat - de volgende argumenten aan:

  • -

    Thoresen is eigenaar van het zeeschip ‘Thor Insuvi’, dat zij door middel van een fixture van 9 januari 2015 (prod. 1a van Thoresen) in tijdbevrachting heeft gegeven aan het bedrijf Sinoriches Enterprises Co. Ltd. (hierna: Sinoriches), waarop verder van toepassing is (zijn) een time charter van 20 januari 2014 (prod. 1b van Thoresen) en rider clauses (prod. 1c van Thoresen);

  • -

    Thoresen en Sinoriches zijn hierbij overeengekomen dat de kapitein van de ‘Thor Insuvi’ cognossementen mag ondertekenen voor de door Sinoriches gepresenteerde lading, zulks onder de uitdrukkelijke beperking dat het dan om cognossementen moet gaan die zijn opgesteld conform de “Mate’s of Tally’s Receipts”; het gaat hier om het ondertekenen van een cognossement door de kapitein zélf; ook is mogelijk dat de kapitein niet zélf het cognossement ondertekent maar een andere partij machtigt om dit voor en namens hem te ondertekenen; in dit geval zijn door Thoresen, althans de kapitein van de ‘Thor Insuvi’, twee scheepsagenten gemachtigd om dit te doen, namelijk de bedrijven Taipyong Shipping Co. Ltd. en Shinyang Shipping Agency Co. Ltd.; andere tot ondertekening van de cognossementen gemachtigde partijen zijn er niet;

  • -

    Steelforce c.s. beroepen zich op zes ‘schone’ cognossementen, met nummer TIPR101, TIPR102, TIPR103, TIPR104, TIPR105 en TIPR106; van deze zes ‘schone’ cognossementen zijn door Thoresen twee versies in het geding gebracht, namelijk een versie die deel uitmaakt van haar productie 8 en een versie die deel uitmaakt van haar productie 9; eerstgenoemde versie cognossementen is ondertekend door Sejung Ocean Shipping Co. Ltd. en de als tweede genoemde versie door Banseok Shipping Co. Ltd.; zoals volgt uit het voorafgaande gaat het hier om partijen die niet tot ondertekening van de cognossementen gemachtigd waren; de cognossementen waarop Steelforce c.s. zich beroepen zijn dus onbevoegd afgegeven;

  • -

    verder wordt de (omvang van de) schade waarvan vergoeding wordt gevorderd betwist.

2.7.

Voor zover Steelforce c.s. en Thoresen na het moment van de incidentele conclusie van antwoord nieuwe standpunten hebben ingenomen, zal op die nieuwe standpunten - voor zover van belang - nader worden ingegaan bij de beoordeling hieronder.

3 De beoordeling

in het incident

3.1.

Het beroep van Thoresen op nietigheid van de dagvaarding faalt. De dagvaarding vermeldt immers de eis en de gronden daarvan, zoals is voorgeschreven in artikel 111 lid 2 onder d Rv. Aan Thoresen kan worden toegegeven dat de in de dagvaarding vermelde gronden slechts zien op de feitelijke onderbouwing van hetgeen Steelforce c.s. vorderen, maar Thoresen is daardoor niet onredelijk in haar belangen geschaad (art. 122 lid 1 Rv).

3.2.

De incidentele vordering zal dan ook worden afgewezen.

3.3.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Thoresen in de proceskosten in het incident worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van Steelforce c.s. worden tot aan deze uitspraak begroot op € 452,00 aan salaris voor de advocaat.

in de hoofdzaak

Eisvermindering

3.4.

Ter comparitiezitting hebben Steelforce c.s. hun hierboven onder 1 van 2.1 genoemde gevorderde hoofdsom van € 372.000,00 verminderd tot € 128.295,22 tezamen met US$ 56.882,26.

Bevoegdheid

3.5.

Aangezien Steelforce c.s. en Thoresen buiten Nederland zijn gevestigd, is sprake van een internationale zaak en dient de rechtbank ambtshalve te onderzoeken of zij internationaal bevoegd is. Aangezien Thoresen de bevoegdheid van deze rechtbank niet vóór alle weren in de hoofdzaak heeft betwist, is sprake van een stilzwijgende forumkeuze en is deze rechtbank (in ieder geval) op grond van artikel 9, aanhef en onder a, Rv juncto artikel 110 lid 1, eerste volzin, Rv bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van Steelforce c.s.

Toepasselijk recht

3.6.

Naar terecht niet (langer) in geschil is tussen partijen, is op de onderhavige vervoerovereenkomst ingevolge artikel 5 van de Rome I-Verordening Nederlands recht van toepassing.

De aansprakelijkheid van Thoresen

3.7.

Bij de beoordeling van de vorderingen van Steelforce c.s. gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten:

  • -

    Thoresen is eigenaar van het zeeschip ‘Thor Insuvi’;

  • -

    op of omstreeks 3 februari 2015 zijn rollen metaaldraad (hierna ook te noemen: de lading) in de haven van Pohang, Zuid-Korea, in ontvangst genomen ten vervoer met de ‘Thor Insuvi’ naar Rotterdam;

  • -

    voor dit vervoer zijn mate’s receipts opgemaakt met daarop de volgende bemerkingen:

“THE SHIPPERS’ AND/OR CHARTERERS’ STOWAGE, SECURING, SEPARATION & TALLY. ALL CARGOES’ QUANTITY, QUALITY & WEIGHT UNKNOWN. THE VESSEL AND THE OWNERS ARE NOT RESPONSIBLE FOR THE SAME.

REMARKS: [aantal rollen metaaldraad; Rechtbank] COILS - STOWED AT OPEN STORAGE YARD AND PARTLY RUST-STAINED AND SCRATCHED/CHAFED ON VISIBLE SURFACE PRIOR TO LOADING.

[aantal rollen metaaldraad; Rechtbank] COILS - SOME STRANDS WERE PARTLY BENT PRIOR TO LOADING.”;

- na aankomst van de ‘Thor Insuvi’ is de lading in Rotterdam door of namens het schip uitgeleverd aan Steelforce c.s. tegen overgave van een ‘letter of indemnity’ en zes cognossementen.

3.8.

Ook is komen vast te staan dat een expertise aan boord van de “Thor Insuvi” heeft plaatsgehad vanaf 23 maart 2015. Van deze expertise is een expertiserapport van GC Surveys Bvba opgemaakt dat Steelforce c.s. als productie E6 in het geding hebben gebracht. Op pagina’s 6-11 staan in dit expertiserapport de volgende bevindingen (“FINDINGS”) vermeld - aangehaald voor zover relevant:

“- The cargo could be inspected in the 5 cargo holds of the bulk carrier. The coils were

stowed with eye in a fore / aft direction.

- In hold no. 1 the coils were stowed all over up to 6 high. In the front part of the hold, 6

rows of coils stowed up to 3/4 high. In the aft and centre part of the hold the coils were stowed up to 6 high. The coils were found sagged / out of shape to varying degrees (coils in the bottom layers heavily out of shape / overhanging).

  • -

    In hold no. 2 the coils were found stowed all over, apparently 7 high. The coils were found sagged / out of shape to varying degrees (coils in the bottom layers heavily out of shape / overhanging).

  • -

    In hold no. 3 the coils were found stowed all over up to 7 high. The coils were found sagged / out of shape to varying degrees (coils in the bottom layers heavily out of shape / overhanging).

  • -

    In the front part of hold no. 4, 2 rows of coils stowed up to 4 high. Behind this stow we noted an empty space of about 3 to 4 metres length, although the initial stowage plan showed coils stowed all over the hold. In the aft and centre part of the hold the coils were stowed up to 8 high. The coils were found sagged / out of shape to varying degrees (coils in the bottom layers heavily out of shape / overhanging). The front part of the aft / centre stow was dangerously overhanging. We investigated the matter on board of the vessel and were informed by the Chief-Officer that the carriers shifted the initially stowed coils (about 3 rows for more or less 280 coils) in China to the aft part of the hold, for loading some heavy steel reels on the tanktop plating. In the 5 cargo holds some steel constructions (project cargo) were loaded in China on top of the wire rods. All this cargo was discharged during a call at Iskenderun / Turkey.

  • -

    In hold no. 5 the coils were stowed in 2 large stacks. In the aft part of the hold, 5 rows of coils stowed up to 4 high were stowed. In the front and centre part of the hold the coils were stowed up to 7 high. The coils were found sagged / out of shape to varying degrees (coils in the bottom layers heavily out of shape / overhanging).

  • -

    No sea water infiltration was noted during the opening hatch survey.

  • -

    No shift of cargo was noted, except the sagging / overhanging of the coils.

  • -

    The coils of the 6 Bs/L were stowed mixed in the cargo holds. It should be noted that each B/L corresponded to wire with one diameter and one colour mark.

  • -

    In all the holds the coils were secured by steel straps. During the further discharging operations it appeared that each coil was secured to both adjacent coils of the layer underneath. Additionally, straps were locally tautened to the adjacent coils of the same layer.

[…]

Based on the findings a joint survey was effected on 26 March 2015 with the P&I-Owners and Charterers surveyors. During this survey the condition of the cargo on board of the vessel was shown (it should be noted that Messrs. VAN AMEYDE MARINE were already on board of the vessel from the first day for an opening hatch survey).”

Uit het expertiserapport volgt dus dat bij aankomst van de “Thor Insuvi” in Rotterdam de rollen metaaldraad in verschillende ruimen door elkaar heen lagen, te hoog opgestapeld waren en een hoeveelheid staal op de lading was gestapeld, met beschadiging van rollen metaaldraad als gevolg. Hoewel dit op haar weg lag, heeft Thoresen deze bevindingen niet voldoende gemotiveerd betwist, zodat zij zijn komen vast te staan.

3.9.

Artikel 10:162 BW bepaalt dat de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden, naast degene die het cognossement ondertekende of voor wie een ander het ondertekende, een derde als vervoerder onder het cognossement verbonden of gerechtigd is, alsook de vraag wie drager is van de uit het cognossement voortvloeiende rechten en verplichtingen jegens de vervoerder, beantwoord wordt naar het recht van de staat waarin de haven gelegen is, waar uit hoofde van de overeenkomst moet worden gelost. Gelet op de overeengekomen loshaven, Rotterdam, is op de legitimatievragen Nederlands recht van toepassing.

3.10.

Dat Thoresen vervoerder is onder cognossement als bedoeld in artikel 8:461 BW en dat Steelforce c.s. regel- en rechtmatig houdsters zijn van cognossementen in de zin van artikel 8:441 BW is op zich niet in geschil tussen partijen. In geschil is - zakelijk weergegeven - wat de inhoud is van deze rechtsverhouding tussen Steelforce c.s. en Thoresen. Steelforce c.s. baseren hun vorderingen namelijk op zes ‘schone’ cognossementen, terwijl Thoresen betwist dat zij schone cognossementen heeft afgegeven. Volgens Thoresen zijn er voor het vervoer van de lading zes cognossementen afgegeven met daarop de volgende bemerkingen (prod. 10 van Thoresen):

“REMARKS:

[aantal rollen metaaldraad; Rechtbank] COILS - STOWED AT OPEN STORAGE YARD AND PARTLY RUST-STAINED AND SCRATCHED/CHAFED ON VISIBLE SURFACE PRIOR TO LOADING.

[aantal rollen metaaldraad; Rechtbank] COILS - SOME STRANDS WERE PARTLY BENT PRIOR TO LOADING.

THE SHIPPERS’ AND/OR CHARTERERS’ STOWAGE, SECURING, SEPARATION & TALLY. ALL CARGOES’ QUANTITY, QUALITY & WEIGHT UNKNOWN. THE VESSEL AND THE OWNERS ARE NOT RESPONSIBLE FOR THE SAME.”

3.11.

Ook als uitgegaan wordt van deze bemerkingen op de cognossementen ten aanzien van de aanwezigheid van roestvlekken (“rust-stained”), krassen (“scratched”) en
schaaf-/schuurplekken (“chafed”) op een deel van (“partly”) de rollen metaaldraad bij de inontvangstneming van de lading in Pohang voor vervoer naar Rotterdam, doet dat niet af aan de aansprakelijkheid van Thoresen als vervoerder onder cognossement voor de door Steelforce c.s. geleden schade die het gevolg is van de wijze waarop deze rollen metaaldraad zijn vervoerd in het schip zoals hierboven in r.o. 3.8 uiteen is gezet. Bij gebreke van andere verweren is Thoresen dan ook aansprakelijk voor deze schade.

De gevorderde schade

3.12.

De schade waarvan Steelforce c.s. vergoeding vordert van in totaal € 128.295,22 plus US$ 56.882,26 bestaat uit de hieronder in r.o. 3.13-3.23 beoordeelde schadeposten.

Schadepost 1: verlies van 25 coils ad US$ 23.700,90

3.13.

Volgens Steelforce c.s. zijn er 25 coils minder uit de ‘Thor Insuvi’ gekomen bij lossing in Rotterdam dan er in het schip zijn gegaan bij belading in Pohang, hetgeen door Thoresen wordt betwist. Ter onderbouwing van de totale waarde van deze 25 coils, US$ 23.700,90, verwijzen Steelforce c.s. naar p. 17 van het door hen als productie E6 in het geding gebrachte expertiserapport.

Zowel de in het geding gebrachte exemplaren van de zes schone als de in het geding gebrachte exemplaren van de zes bemerkte cognossementen vermelden de volgende hoeveelheden rollen metaaldraad onder het hoofdje “Shipper’s description of the goods”:

  • -

    cognossement TIPR101: 1.241

  • -

    cognossement TIPR102: 1.267

  • -

    cognossement TIPR103: 2.471

  • -

    cognossement TIPR104: 1.191

  • -

    cognossement TIPR105: 1.244

  • -

    cognossement TIPR106: 2.162

  • -

    totaal 9.561.

3.14.

Ter afwering van haar aansprakelijkheid ter zake van het door Steelforce c.s. uiteindelijk gestelde manco van 25 rollen metaaldraad betwist Thoresen primair dat er sprake is geweest van een tekort en beroept Thoresen zich subsidiair op de onbekendheidsclausule. Niet in geschil is dat niet alleen de bemerkte cognossementen een onbekendheidsclausule bevatten op het punt van het aantal geladen rollen metaaldraad (“ALL CARGOES’ QUANTITY […] UNKNOWN”), maar ook de schone cognossementen waar Steelforce c.s. zich op beroepen (“[..] quality [..] unknown”).

3.15.

Ter zake van genoemd primair verweer van Thoresen overweegt de rechtbank als volgt.

In reactie op de betwisting door Thoresen van het manco van 25 rollen metaaldraad is van de zijde van Steelforce c.s. tijdens de comparitiezitting gewezen op de timesheets van 23, 24 en 25 maart 2014 van Broekman Distriport, de stuwadoor in Rotterdam, die deel uitmaken van genoemd expertiserapport van GC Surveys bvba van 17 februari 2015. Op deze time sheets is door de bemanning van de “Thor Insuvi” een stempel en paraaf gezet en voor ontvangst getekend. Daaarom kan Thoresen niet volstaan met een blote betwisting dat er een tekort is. Uit pp. 15 en 16 van het expertiserapport blijkt van een tekort van 25 rollen metaaldraad. In het rapport wordt echter uitgegaan van 9.582 rollen metaaldraad. Indien uitgegaan wordt van bovengenoemd aantal van 9.561 rollen metaaldraad dat in totaal is vermeld op de zes cognossementen, resteert een tekort van 4 rollen metaaldraad. Het primaire verweer van Thoresen faalt derhalve.De vordering van Steelforce c.s. zal tot een bedrag van 4 x 1.966,90 kg = 7.866,40 kg x US$ 482,00 = US$ 3.791,60 worden toegewezen.

3.16.

Ter zake van genoemd subsidiair verweer van Thoresen overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 8:414 lid 2 BW is het volgende bepaald - aangehaald voor zover relevant:

Indien in het cognossement de clausule: ‘[..]aantal onbekend’ is opgenomen, binden zodanige in het cognossement voorkomende vermeldingen de vervoerder niet, tenzij bewezen wordt dat […] de zaken hem toegeteld […] zijn.

Tijdens de comparitiezitting is van de zijde van Steelforce c.s. gesteld dat zowel in de laad- als in de loshaven is toegeteld, waarbij voor wat betreft de toetelling in de laadhaven is verwezen naar de mate’s receipts (prod. 6 van Thoresen). Uit deze mate’s receipts, zo constateert de rechtbank met Steelforce c.s., blijkt inderdaad dat in de laadhaven is toegeteld, zoals van de zijde van Thoresen tijdens de comparitiezitting vervolgens ook is erkend.

Omdat dus is komen vast te staan dat de rollen metaaldraad aan Thoresen in de laadhaven zijn toegeteld, faalt het beroep van Thoresen op de onbekendheidsclausule.

3.17.

Aangezien het manco van 4 rollen metaaldraad is komen vast te staan en de door Thoresen tegen dit gedeelte van de vordering gevoerde verweren falen, staat daarmee haar verschuldigdheid van de door Steelforce c.s. gevorderde en door Thoresen niet betwiste waarde van US$ 3.791,60 van deze 4 rollen metaaldraad vast.

Schadepost 2: schade vanwege 35 ‘scrapped open coils’ ad US$ 33.181,36

3.18.

Het gaat hier volgens Steelforce c.s. om 35 coils die onherstelbaar zouden zijn beschadigd. Volgens Steelforce c.s. bedraagt het verlies als gevolg van deze beschadiging in totaal US$ 33.181,36. Ter onderbouwing van de totale waarde verwijzen Steelforce c.s. naar p. 17 van het expertiserapport (prod. E6 van Steelforce c.s.). Het gaat hier om de nieuwwaarde van deze rollen metaaldraad. De waarde waarvoor Steelforce c.s. deze 35 coils nog hebben weten te verkopen bedraagt € 12.430,00, terwijl zij voor deze doorverkoop nog wel een bedrag van € 1.020,00 aan kosten voor het inzetten van binnenvaartschepen hebben moeten maken, wat uitkomt op een restwaarde van deze rollen metaaldraad van € 11.410,80 (€ 12.430,00 minus € 1.020,00). Dit bedrag van € 11.410,80 strekt in mindering op de diverse kosten waarvan Steelforce c.s. vergoeding vorderen en die deel uitmaken van de hieronder uiteengezette schadepost 3.

In het standpunt van Thoresen leest de rechtbank geen betwisting van de stellingen van Steelforce c.s. dat de totale nieuwwaarde van deze 35 coils US$ 33.181,36 en dat deze rollen metaaldraad als gevolg van de hierboven omschreven wijze waarop zij werden aangetroffen in de ruimen van het schip zodanig beschadigd zijn geraakt dat zij minder waard zijn geworden dan hun nieuwwaarde. Ter zake van deze 35 coils is Thoresen dan ook aansprakelijk ter hoogte van het gevorderde bedrag van US$ 33.181,36, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.

Schadepost 3: schade ten bedrage van in totaal € 128.295,22

3.19.

Deze schadepost heeft betrekking op diverse “extra” kosten die Steelforce c.s. als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen van Thoresen zou hebben moeten maken. Ter onderbouwing van de aard en de hoogte van deze kosten verwijzen Steelforce c.s. naar p. 17 van het expertiserapport (prod. E6 van Steelforce c.s). Het gaat om de volgende kosten:

  • -

    verwijderingskosten (“Extra costs for removal of excessive lashings”) € 30.225,00

  • -

    “Loss of dicharging rate due to overhanging cargo” € 38.476,65

  • -

    extra loskosten (“Discharging operations of the dangerously

overhanging coils in hold no. 4”) € 7.440,00

- reconditioneringskosten (“Reconditioning of the open / partly open coils

discharged from the vessel”) € 1.910,46

- liggeld (“Demurrage costs of the barges for the transport Rotterdam

to Almelo”) € 5.468,14

  • -

    sorteringskosten (“Extra handling costs for sorting out at Almelo”) € 56.185,77

  • -

    Subtotaal €139.706,02

  • -

    minus bruto-restwaarde 35 beschadigde coils € 11.410,80

  • -

    Eindtotaal €128.295,22.

3.20.

In het uiteindelijke, tijdens de zitting naar voren gebrachte, standpunt van Thoresen leest de rechtbank geen betwisting van bovengenoemde verwijderingskosten ad € 30,225,00, bovengenoemde kosten ad € 38.476,65, loskosten ad € 7.440,00, reconditioneringskosten ad € 1.910,46 en demurrage ad € 5.468,14. Deze kosten, ten bedrage van in totaal € 83.520,25, zijn derhalve vast komen te staan. Twee kostenposten worden door Thoresen nog wél betwist, namelijk de sorteringskosten ad € 56.185,77 en de kosten voor het inzetten van binnenvaartschepen ad € 1.020,00, die Steelforce c.s. naar hun zeggen hebben moeten maken voor het verkopen van bovengenoemde 35 beschadigde rollen metaaldraad, waardoor de restwaarde van deze 35 coils per saldo is uitgekomen op een bedrag van
€ 11.410,00.

3.21.

Ter zake van de gestelde verschuldigdheid door Thoresen van bovengenoemde sorteringskosten ad € 56.185,77 overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals volgt uit het expertiserapport (prod. E6 van Steelforce c.s.), waarnaar Steelforce c.s. verwijzen, gaat het hier om de kosten die gemoeid waren met het sorteren van de verschillende typen rollen metaaldraad die aan boord van de “Thor Insuvi” door elkaar waren komen te liggen. Deze sortering heeft plaatsgevonden bij het bedrijf Van Merkesteijn Steel Netherlands BV in Almelo.

Volgens Thoresen is zij niet aansprakelijk voor deze kosten, omdat het hier niet gaat om reconditioneringskosten. Artikel 8:388 BW ziet volgens haar immers slechts op waardevermindering, niet tevens op behandelingskosten.

In reactie op dit verweer van Thoresen is tijdens de comparitiezitting van de zijde van Steelforce c.s. het volgende aangevoerd. Dat gesorteerd is in Almelo en niet op de kade in Rotterdam komt omdat het eerste goedkoper was dan het tweede. Er staat nergens dat gesorteerd moest worden in de loshaven. Het gaat hier om noodzakelijke kosten om de koper de lading te laten accepteren. Deze kosten vormen dus een vermindering van de waarde van de lading.

Met recht betogen Steelforce c.s. dat het hier gaat om kosten in verband met waardevermindering in de zin van artikel 8:388 BW. Genoemd verweer van Thoresen faalt derhalve, zodat vast is komen te staan dat Thoresen ook gehouden is tot betaling van gevorderde sorteringskosten ad € 56.185,77.

3.22.

Ter zake van de gestelde verschuldigdheid door Thoresen van bovengenoemde kosten voor het inzetten van binnenvaartschepen ad € 1.020,00 overweegt de rechtbank als volgt.

Uit genoemd expertiserapport volgt dat dit bedrag de som is van werkzaamheden die 12,75 uren in beslag hebben genomen tegen een uurtarief van € 80,00.

Tot haar verweer tegen de stelling van Steelforce c.s. dat zij deze kosten hebben moeten maken voor het verkopen van bovengenoemde 35 beschadigde rollen metaaldraad is tijdens de comparitiezitting van de zijde Thoresen aangevoerd dat er geen bewijs is dat er kosten zijn gemaakt voor het inzetten van de binnenvaartschepen.

Zoals volgt uit het expertiserapport en door Thoresen ook niet is betwist, hadden deze 35 rollen metaaldraad een niet onaanzienlijk totaalgewicht van 69.060 kilogram en was de koper van deze beschadigde rollen metaaldraad slechts bereid voor deze rollen te betalen op voorwaarde dat de kosten voor het ophalen van deze rollen (“collecting costs”) in mindering zouden strekken op de koopprijs, aan welke activiteit een uurtarief was verbonden van
€ 80,00. Gesteld noch gebleken is dat deze koper uiteindelijk is teruggekomen van deze door haar van Steelforce c.s. bedongen voorwaarde. Aangezien vast is komen te staan dat Thoresen deze 35 beschadigde rollen metaaldraad heeft verkocht, mag dan ook aangenomen worden dat deze koper deze rollen metaaldraad daadwerkelijk bij Thoresen is komen ophalen en daarvoor kosten heeft moeten maken. Gelet op genoemd aantal van 12,75 uren dat met dit ophalen kennelijk gemoeid is geweest en het hiervoor geldende uurtarief van
€ 80,00, die de rechtbank niet onredelijk voorkomen, is dan ook komen vast te staan dat Steelforce c.s. gerechtigd waren genoemd bedrag van € 1.020,00 in mindering te brengen op de koopsom die zij voor deze 35 beschadigde rollen metaaldraad hebben ontvangen.

3.23.

Waar het gaat om bovengenoemde derde schadepost is Thoresen derhalve het gehele gevorderde bedrag van € 128.295,22 verschuldigd.

Wettelijke (handels)rente

3.24.

Tegen de rentevordering van Steelforce c.s. heeft Thoresen geen afzonderlijk verweer gevoerd. Aangezien artikel 6:119a BW niet van toepassing is op een verplichting tot schadevergoeding als de onderhavige, zal de subsidiair gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW worden toegewezen op de wijze als in het dictum van dit vonnis is bepaald.

Buitengerechtelijke incassokosten

3.25.

Steelforce c.s. maken aanspraak op een bedrag van € 3.635,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Thoresen heeft op dit punt geen verweer gevoerd. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, nu het verzuim van Thoresen na 30 juni 2012 is ingetreden.

Bij de berekening van de forfaitaire vergoeding waar Steelforce c.s. toe gerechtigd zijn ingevolge artikel 2 van dit besluit gaat de rechtbank uit van een wisselkoers van de Amerikaanse dollar van € 0,912 op het moment van betaling (art. 6:124 BW).

Het gevorderde bedrag van € 3.635,00 overstijgt de forfaitaire vergoeding van € 2.395,14 waar Steelforce c.s. toe gerechtigd zijn ingevolge artikel 2 van dit besluit. Ter zake van buitengerechtelijke incassokosten zal derhalve slechts een bedrag van € 2.576,97 worden toegewezen.

Proceskosten

3.26.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Thoresen in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van Steelforce c.s. worden begroot op:

  • -

    dagvaardingskosten € 113,55

  • -

    vastrecht € 3.864,00

  • -

    salaris advocaat hoofdzaak € 2.842,00 (2 punten x € 1.421,00)

  • -

    totaal € 6.819,55.

Aangezien tegen de door Steelforce c.s. gevorderde wettelijke rente over de proceskosten geen afzonderlijk verweer is gevoerd door Thoresen, zal deze wettelijke rente worden toegewezen als vermeld in het dictum.

Nakosten

3.27.

Voor een zelfstandige veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten (€ 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Thoresen niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak) een executoriale titel oplevert.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst de vordering van af;

veroordeelt Thoresen in de proceskosten in het incident, die tot aan deze uitspraak begroot zijn op € 452,00 aan salaris voor de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

veroordeelt Thoresen tot betaling van € 128.295,22 alsmede (de tegenwaarde in euro’s op het moment van betaling van) US$ 36.972,96 aan Steelforce Europe NV dan wel Steelforce NV, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 25 maart 2015 tot de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Thoresen tot betaling aan Steelforce Europe NV dan wel Steelforce NV van een bedrag van € 2.395,14 aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt Thoresen tot betaling van de proceskosten aan Steelforce Europe NV dan wel Steelforce NV, die tot aan deze uitspraak zijn begroot op € 6.819,55, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.

901/1573