Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1631

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
04-03-2016
Zaaknummer
C/10/479635 / HA ZA 15-726
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzet villapark. Coöperatie van eigenaren. Rechten coöperatie jegens ondernemer. Contractuele verhoudingen. Verjaringsaspecten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/648
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/479635 / HA ZA 15-726

Vonnis van 24 februari 2016

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIE VAN EIGENAREN IN HET RECREATIE-VILLAPARK "DUYNPARC DE HEEREN VAN 'S-GRAVENSANDE" U.A.,

gevestigd te 's-Gravenzande, gemeente Westland,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.P.G. Bouwman te Naaldwijk,

tegen

1. de vennootschap onder firma

V.O.F. DUINPARK 'S-GRAVENZANDE,

gevestigd te Zierikzee, gemeente Schouwen-Duiveland,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEDAMA VASTGOED ONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FRI B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FIRST MADRES BEHEER B.V.,

gevestigd te Zierikzee, gemeente Schouwen-Duiveland,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. M. Trouwborst te Middelharnis,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BIJ DE VAATE PROJEKT B.V.,

gevestigd te Zierikzee, gemeente Schouwen-Duiveland,

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna de Coöperatie, v.o.f. Duinpark, Medama, Fri, First Madres en Bij de Vaate Project genoemd worden. V.o.f. Duinpark, Medama, Fri en First Madres zullen gezamenlijk worden aangeduid als v.o.f. Duinpark c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 19 juni 2015, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens inhoudende eis in reconventie, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens inhoudende akte overlegging producties in conventie,

  • -

    de brief van 21 oktober 2015 van de rechtbank, waarbij aan partijen is medegedeeld dat een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de op 11 januari 2016 gehouden comparitie van partijen,

  • -

    de aantekeningen ter comparitie van de Coöperatie,

  • -

    het faxbericht van 20 januari 2016 van mr. Bouwman,

  • -

    de brief van 20 januari 2016 van mr. Trouwborst,

  • -

    de brief van 26 januari 2016 van mr. Trouwborst.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Coöperatie is opgericht op 27 mei 2002. Haar activiteiten betreffen volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel:

'Het in mede-gebruik verkrijgen van de recreatieve voorzieningen of in eigendom of ander zakelijk (genots-) recht/beperkt recht verkrijgen van gemeenschappelijke zaken/ registergoederen.'

2.2.

V.o.f. Duinpark is opgericht op 1 maart 2001. Haar activiteiten betreffen volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel:

'De projectontwikkeling en exploitatie van onroerend goed te 's-Gravenzande.'

2.3.

Medama en Fri zijn vennoten van v.o.f. Duinpark. First Madres was van 1 maart 2001 tot 12 december 2009 vennoot van een toenmalige vennootschap onder firma die vennoot was van v.o.f. Duinpark. Een vierde vennoot was Bij de Vaate Holding B.V. Zij is op 12 februari 2013 in staat van faillissement verklaard. Bij de Vaate Project is een dochtervennootschap van Bij de Vaate Holding B.V.

2.4.

Oprichter van de Coöperatie was v.o.f. Duinpark. Leden van de Coöperatie zijn thans de eigenaren van recreatiewoningen op villapark 'Duynparc De Heeren van 's-Gravenzande' (hierna: het villapark).

2.5.

V.o.f. Duinpark is in 2001 begonnen met de ontwikkeling van het plan voor het villapark. In haar opdracht realiseerde aannemer Sagro Aannemingsbedrijf Zeeland B.V. (hierna: Sagro) het villapark.

2.6.

Vanaf 7 juni 2002 sloot v.o.f. Duinpark ter zake van de te realiseren recreatiewoningen koop- en aannemingsovereenkomsten met de toekomstige individuele woningeigenaren (hierna: kopers).

2.7.

V.o.f. Duinpark verplichtte zich jegens de kopers onder meer tot de realisatie van de in het plan voorkomende wegen, groenvoorzieningen, waterpartijen en overige voor gemeenschappelijk gebruik bestemde zaken. In de door v.o.f. Duinpark gehanteerde model-koop-/aannemingsovereenkomst "Duynparc De Heeren van 's-Gravensande" is op pagina 2 onder III bepaald:

'De ondernemer [v.o.f. Duinpark; toevoeging rb] draagt er zorg voor en staat er voor in dat het recreatie-villapark "Duynparc De Heeren van 's-Gravensande", waarvan het bij deze gekochte deel uitmaakt, wordt voorzien van wegen, waterpartij, groenvoorzieningen en receptiegebouw.'

2.8.

Artikel 22 van de Algemene Voorwaarden behorende bij de koop- en aannemingsovereenkomst (hierna: AV) luidt:

'VERPLICHTINGEN EIGENAAR WEGEN EN OVERIGE GEMEENTSCHAPPELIJKE VOORZIENINGEN

Artikel 22

1. Duinpark verplicht zich om tot de toegangswegen en overige gemeenschappelijke voorzieningen behoorlijk te doen onderhouden en hun toegankelijkheid te waarborgen; daar bedoelde voorzieningen in eigendom zullen worden overgedragen aan de op het park functionerende coöperatieve vereniging zal deze verplichting op de coöperatie worden gelegd onder algehele vrijwaring van Duinpark.

Voor de kostenvoldoening van deze diensten wordt de verkrijger verplicht een separate overeenkomst aan te gaan.

2. De coöperatie voornoemd zal zorgdragen voor voldoende afvoer van de afvalstoffen, alsmede rioolafvoer.

3. De coöperatie zal zorgdragen voor voldoende straatverlichting.

4. De coöperatie zal zorgdragen voor het onderhoud van de waterpartijen en deze zoveel mogelijk in stand houden.'

2.9.

De kadastrale percelen waarop de algemene parkdelen gerealiseerd zouden worden, waren en zijn nog steeds in eigendom bij Medama, Fri en Bij de Vaate Project. Deze vennootschappen zouden ervoor zorgdragen dat v.o.f. Duinpark de desbetreffende percelen (hierna: de Percelen) juridisch zou kunnen leveren aan de Coöperatie.

2.10.

Op 24 november 2004 vond de laatste levering van een recreatiewoning plaats.

2.11.

Op 12 januari 2005 vond de oplevering van de algemene parkdelen door Sagro aan v.o.f. Duinpark plaats. Van de oplevering werd een proces-verbaal opgemaakt. Bij de oplevering waren ook drie leden van de Technische Commissie van de Coöperatie aanwezig. Bij de oplevering werd geconstateerd dat Sagro nog gebreken diende te herstellen.

2.12.

Per 19 januari 2005 droegen de natuurlijke personen achter v.o.f. Duinpark, die in eerste instantie het bestuur van de Coöperatie vormden, hun bestuursfunctie over aan kopers.

2.13.

Sagro heeft herstelwerkzaamheden verricht. Op 14 december 2005 is het resultaat daarvan bekeken door enkele direct of indirect voor v.o.f. Duinpark werkzame personen en leden van de Technische Commissie van de Coöperatie. Men sprak af te zullen onderzoeken in hoeverre Sagro aansprakelijk zou kunnen worden gesteld voor het herstel van technische en esthetische/cosmetische gebreken. In aansluiting daarop heeft v.o.f. Duinpark Grontmij Nederland N.V. (hierna: Grontmij) opdracht gegeven om het door Sagro gerealiseerde werk te onderzoeken.

2.14.

Grontmij heeft gerapporteerd dat door haar geconstateerde gebreken veelal cosmetische zaken betrof, welke constructief geen of geen grote consequenties hadden. V.o.f. Duinpark en Sagro zijn naar aanleiding van het rapport van Grontmij met elkaar in overleg getreden. Sagro heeft zich er jegens v.o.f. Duinpark toe verplicht de door Grontmij geadviseerde herstelwerkzaamheden uit te voeren.

2.15.

De herstelwerkzaamheden zijn op 2 oktober 2006 aangevangen. Nadien hebben betrokkenen geconcludeerd dat nog verdergaande/andere herstelmaatregelen dienden te worden uitgevoerd. Die herstelmaatregelen zijn opgedragen aan en uitgevoerd door BAM Wegen B.V. (hierna: BAM). Sagro heeft de kosten van die maatregelen gedragen. Op 20 september 2007 vond de eindoplevering plaats. Het proces-verbaal van oplevering is voor gezien en akkoord getekend door v.o.f. Duinpark, de aannemer en de Technische Commissie van de Coöperatie.

2.16.

Bij brief van 17 november 2008 heeft de Coöperatie schriftelijk geklaagd bij een vertegenwoordiger van v.o.f. Duinpark, dat het wegdek op meerdere plaatsen was beschadigd en dat de deklaag (slijtlaag) onvoldoende hechtte.

2.17.

V.o.f. Duinpark heeft zich bij brief van 9 december 2008 van de heer [persoon] op het standpunt gesteld dat de klacht was toe te rekenen aan onderhoud en daarom vanaf 20 september 2007 onder de verantwoordelijkheid van de Coöperatie viel. Voorts heeft zij erop gewezen dat zij ervan uitging dat overdracht van de wegen, parken, plantsoenen en waterpartijen op korte termijn zou kunnen plaatsvinden.

2.18.

Bij brief van 6 januari 2009 aan v.o.f. Duinpark heeft de Coöperatie zich op het standpunt gesteld dat het wegdek binnen het park niet in de juiste staat is opgeleverd.

2.19.

Bij brief van 25 maart 2009 van mr. J.P. van Maurik, de toenmalig advocaat van de Coöperatie, heeft de Coöperatie de vennoten van v.o.f. Duinpark erop gewezen dat het verhelpen van de gebreken die kleven aan het wegdek van het villapark valt onder de verplichtingen die voor v.o.f. Duinpark voortvloeien uit het bepaalde in artikel 22 lid 1 van de door v.o.f. Duinpark gehanteerde AV. Zij heeft de vennoten gesommeerd aansprakelijkheid te aanvaarden met betrekking tot de wegen van het villapark. Voorts vermeldt de brief:

'Voor alle duidelijkheid geeft cliënte te kennen dat zij zich beroept op haar wettelijk opschortingsbevoegdheid met betrekking tot de eigendomsoverdracht van de (toegangs)wegen van het park. Eerst nadat deze (toegangs)wegen door de technische commissie van cliënte, onvoorwaardelijk, zijn goedgekeurd en de daar betrekking op hebbende opleveringsformulieren, zonder enig voorbehoud, door de technische commissie zijn ondertekend, is cliënte bereid om mee te werken aan een eigendomsoverdracht.'

2.20.

In opdracht van v.o.f. Duinpark c.s. heeft notariskantoor Frantzen & Van Sisseren te Goes bij brief van 16 april 2009 een concept akte van levering met betrekking tot de percelen aan de Coöperatie doen toekomen.

2.21.

Op 14 september 2009 heeft Grontmij ten behoeve van de Coöperatie een notitie opgesteld met betrekking tot de problemen met het wegdek van het villapark. Deze notitie vermeldt het volgende:

'Tijdens de aanleg van een deel van de wegverharding op het Duynparc De Heeren van 's-Gravensande is het asfaltpakket naast de fundering komen te liggen. Deze fout is hersteld, waarbij aan de ene zijde het teveel aan aangebracht asfalt is verwijderd en aan de andere zijde extra asfalt is aangelegd. Het is niet duidelijk of dit aangelegde asfalt koud tegen het bestaande is aangebracht of dat er een trap is ingefreesd. Dit ten aanzien van lassen. Verder zijn de putten te laag aangelegd, zodat het hoogteverschil met het asfalt te groot was. Ook deze fout is hersteld door het asfalt rond de putten op te breken, de putten te verhogen en nieuw asfalt aan te brengen. Helaas waren de reparaties en lassen door het herstel duidelijk zichtbaar waardoor de rijbaan een rommelige indruk gaf.

Om deze reden is een oppervlakbehandeling aangebracht om de reparaties, zoals in de notitie "Kwalificering infrastructuur Duinpark te ‘s-Gravenzande" met kenmerk [kenmerk 1] van 22 februari 2005 omschreven als "niet geheel volgens het bestek aangelegde infrastructuur", op een "cosmetische" manier te camoufleren.

Deze oppervakbehandeling is in het voorjaar van 2007 aangebracht door het aannemersbedrijf Sagro. De visuele aanblik en de beschadigingen die vanaf het begin van de zomer van 2007 al zijn ontstaan, waren voor de technische commissie aanleiding om Grontmij als onafhankelijke partij in te huren om een oordeel te geven over de oorzaak van de ontstane schade. Op 20 augustus 2009 heeft een ervaren wegbouwkundig adviseur van Grontmij de locatie bezocht. De ontstane schade is indirect veroorzaakt door het draaien van autobanden (rafelplekken), warmte (vetslaan) en wieldruk (bandensporen). Als directe oorzaak van de schade blijkt de oppervlakbehandeling niet voldoende in staat te zijn om wringing van personenauto’s op te nemen. Bij het draaien van een autoband wordt het steen in de oppervlakbehandeling weggedrukt. Een vrachtauto die tijdens het locatiebezoek passeert laat een duidelijk herkenbaar bandenprofiel na. De lassen van de herstelde locaties reflecteren door de oppervlakbehandeling.

De oorzaak van de ontstane schade is onzes inziens ontstaan door de te grote hoeveelheid aangebrachte emulsie. De laag emulsie is te dik gespoten waardoor de steenslag (porfier) niet goed kan worden ingebed en "wegzinkt" in de kleeflaag.

Het verhelpen van deze schade is niet mogelijk door nogmaals een oppervlakbehandeling over de bestaande aan te brengen. De kans op vetslaan of juist rafeling is erg groot. Bij het overlagen met een nieuwe deklaag bestaat de kans dat de oppervlakbehandeling als glijlaag gaat fungeren. Een gedegen onderhoudsmaatregel is het verwijderen van circa 20 millimeter van het bestaande asfalt en een nieuwe deklaag (bijvoorbeeld 25 mm AC 8 surf D3) aan te brengen. Hierdoor komt de rijbaan 5 millimeter hoger te liggen dan in de huidige situatie, maar gezien het geringe hoogteverschil met dc molgoten komt dit ten goede aan de afwatering. Om bij deze maatregel te voorkomen dat de, door de reparaties ontstane, lassen reflecteren door de nieuwe deklaag, is het noodzakelijk dat de lassen worden gerepareerd. Het repareren van de lassen kan worden bewerkstelligd door deze met een bakfrees over een breedte van circa 200 mm tot een diepte van 50 mm te frezen en uit te vullen met AC16 bind T-2.'

2.22.

Bij brief van 21 december 2012 van haar advocaat heeft de Coöperatie v.o.f. Duinpark c.s. als volgt bericht:

'Tot mij wendde zich cliënte, Coöperatie van Eigenaren in het Recreatie-Villapark “Duynparc de Heeren van
‘s-Gravensande” U.A., te ‘s-Gravenzande en namens cliënte zeg ik u het navolgende aan.

Tussen cliënte en u speelt een langdurige kwestie over - kort gezegd - de gebrekkige c.q. ondeugdelijke kwaliteit van de door u, althans in uw opdracht, aangelegde wegen op het terrein.

De afgelopen jaren (ook nog in 2009 en 2011) is onderzocht en vastgesteld (ook door derden, bijvoorbeeld Grontmij), dat de kwaliteit van de wegen - waaronder begrepen: de fundering, het asfalt en de toplaag - gebrekkig is en hersteld dient te worden.

In elk geval nog tijdens de bouwvergadering van 31 mei 2011 heeft u verklaard dat het uitvoeren van een afdoende herstelmaatregel door u wordt gezien als plicht die ligt bij de aannemer.

Echter, tot op heden is het wegdek met de daaronder liggende fundatie niet, althans niet deugdelijk hersteld en is het wegdek nog immer gebrekkig. Ook daarvan is u mededeling gedaan.

Bovendien is vanaf 1 januari 2012 van uw zijde niets meer vernomen.

U bent opdrachtnemer van cliënte. Het is uw verantwoordelijkheid en plicht om zorg te dragen voor een deugdelijk wegdek. Door cliënte bent u reeds verzocht om uw verplichtingen na te komen en u bent aansprakelijk gesteld.

Cliënte wenst haar rechtspositie en aanspraken te beschermen. Cliënte wenst verjaring te stuiten. Cliënte wenst dat u (alsnog) uw verplichtingen jegens cliënte nakomt.

In dat kader wordt u hierdoor namens cliënte verzocht en gemaand om ten spoedigste uw verplichtingen jegens cliënte na te komen, waaronder in elk geval het - voor uw rekening en risico, en in voorafgaand overleg met cliënte - uitvoeren/laten uitvoeren van de herstelwerkzaamheden aan het wegdek, onderdeel daarvan betreft het frezen van de deklaag, het wapenen van de scheuren en het aanbrengen van een nieuwe deklaag (ik verwijs u ondermeer naar de bekende rapportage van Grontmij en naar de notulen van de bouwvergadering d.d. 31 mei 2011).

Indien u nalaat om gevolg te geven aan onderhavige aanmaning, rest het door cliënte treffen van rechtsmaatregelen ten laste van u (en uw vennoten). Dienaangaande verzoek ik u alle documenten in uw bezit de onderhavige zaak betreffende, beschikbaar te houden, ten behoeve van een te voeren juridische procedure.

Tot slot wordt u hierbij verzocht om er voor zorg te dragen dat aan ondergetekende - binnen 14 dagen na heden - schriftelijk wordt bevestigd dat u gevolg zult geven aan voornoemde aanmaning.'

2.23.

Bij brief van 29 november 2013 van haar advocaat heeft de Coöperatie v.o.f. Duinpark als volgt bericht:

'Op maandag 16 december 2013 vanaf 12.00 uur zal de deskundige Lengkeek Expertises ter plaatse van het recreatie-villapark “Duynparc de Heeren van ‘s-Gravensande”, onderzoek doen naar de staat en de gebreken van het wegdek en aanverwante zaken, zoals riool, duikers en beschoeiingwerk, ik verwijs u dienaangaande onder meer naar de eerder gevoerde correspondentie.

Mede aan de hand van voormeld aanstaand onderzoek en het door de expert op te stellen deskundige rapport, worden de gebreken en de schade aangaande uw werk onder meer bestaande uit een gebrekkig wegdek, riool, duikers en beschoeiingwerk, verder in beeld gebracht c.q. vastgesteld, in het kader van de (reeds aangekondigde) te treffen rechtsmaatregelen tegen u.

Middels onderhavig schrijven wordt u uitgenodigd om op voornoemde datum en tijdstip het onderzoek van de deskundige (samen met cliënte) bij te wonen.

Ik verzoek u om mij uiterlijk op woensdag 4 december 2013 schriftelijk te laten weten of dat u bij het onderzoek op 16 december 2013 aanwezig zult zijn.

Hierbij wijs ik u namens cliënte erop dat zij u aansprakelijk houdt c.q. blijft houden voor alle schade en kosten voortvloeiende uit en verband houdende met uw onrechtmatig handelen in deze, meer concreet bestaande uit uw tekortschieten in de nakoming en/of uw plegen van een onrechtmatige daad jegens cliënte, in elk geval ten aanzien van uw gebrekkige werk en onderhoud.'

2.24.

Lengkeek Expertises heeft op 18 juli 2014 als volgt gerapporteerd:

'Algemeen

In opdracht van tegenpartij is door Van der Waal & Partners uit Naaldwijk een bestek opgesteld voor de aanleg van infrastructuur (riolering, wegen, parkeerplaatsen en dergelijke) ten behoeve van een bungalowpark te
‘s-Gravenzande. Het civieltechnische werk werd in opdracht van tegenpartij uitgevoerd door Sagro Aannemingsmaatschappij Zeeland b.v. Deze werkzaamheden werden op 12 januari 2005 door Sagro opgeleverd aan tegenpartij. Bij deze oplevering werden diverse gebreken geconstateerd.

Enkele van de vennoten van tegenpartij zijn tot op heden eigenaar van percelen en algemene delen van het vakantiepark, onder andere de wegen, het groen, de diverse waterpartijen en dergelijke. De beoogde overdracht van dit onroerend goed door de desbetreffende vennoten aan de coöperatie heeft nog niet plaatsgevonden.

Tussen cliënt en wederpartij is een geschil ontstaan omtrent de uitvoering van de civieltechnische werkzaamheden en de kwaliteit van de thans gerealiseerde infrastructuur.

Geschilpunt(en)

Door cliënt worden de navolgende geschilpunten naar voren gebracht:

1. De verhardingen van de wegen op het park vertonen op diverse plaatsen gebreken;

2. De beschoeiing ter plaatse van diverse waterpartijen is op diverse plaatsen aangetast;

3. De doorsnede van één duiker tussen waterpartijen is te klein en deze is te diep aangelegd.

Verkregen opdracht

Op 7 oktober 2013 ontvingen wij opdracht voor het verrichten van een onderzoek. Aan ons is verzocht om te onderzoeken:

a. Voldoet de door de wederpartij aan cliënt over te dragen infrastructuur aan hetgeen cliënt daarvan mag verwachten? Zo nee, welke gebreken kleven eraan?

b. Kunnen de eventuele gebreken hersteld worden? Zo ja op welke wijze en wat zijn de daarmee gemoeide kosten?

c. Voor zover de gebreken die u bij beantwoording van vraag a genoemd heeft niet hersteld kunnen worden, wat is de waardevermindering?

(…)

Beoordeling geschilpunten

1. De verhardingen van de wegen op het park vertonen op diverse plaatsen gebreken

Informatie cliënt

Cliënt meldde ons dat het totale wegennet op het park circa 5.250 m2 bedraagt. Gemiddelde breedte van de wegen is circa 4,0 m1.

Cliënt toonde ons over de gehele lengte van het wegennet de afwerking van de asfaltverharding van de wegen en gaf aan van mening te zijn dat op diverse plaatsen geen technisch en esthetisch juiste afwerking is aangebracht. Cliënt meldde ons dat op een aantal plaatsen sprake is van negatief afschot waardoor daar bij regenval plassen op de verharding ontstaan.

Verder toonde cliënt ons op diverse plaatsen scheuren in het wegdek en meldde ons dat deze waren ontstaan doordat de fundering onder de wegverharding had ontbroken. Nadat dit was hersteld was een nieuwe wegverharding aangebracht. Cliënt vermoedt dat door ongelijke zettingen van de fundering deze overgang nu aftekent in het oppervlak van de wegverharding.

Beoordeling expert

Wij constateerden op basis van de door cliënt overgelegde informatie dat de asfaltverharding van de wegen bij de oplevering op 12 januari 2005 reeds diverse tekortkomingen vertoonde.

Ook na diverse herstelwerkzaamheden bleek de asfaltverharding niet het visueel gewenste resultaat te hebben bereikt. Daarop heeft wederpartij opdracht verleend aan Grontmij Nederland om een onafhankelijk onderzoek uit te voeren en de nog resterende gebreken in kaart te brengen. Op basis van haar bevindingen heeft Grontmij de “Opleveringsinpectie Duynparc de Heeren van ‘s-Gravensande” van 9 februari 2006 opgesteld. Hierin zijn alle gebreken aan de asfaltverharding en bestrating van het park van dat moment opgenomen.

Wij begrepen uit de ons bekende informatie dat Van der Waal & Partners vervolgens een rapport heeft opgesteld met kenmerk [kenmerk 2] d.d. 9 november 2006 waarin een voorstel voor de te nemen herstelmaatregelen voor de verhardingen van het park is verwoord. Dit rapport is ons niet bekend. Wel hebben wij de klaarblijkelijk daarbij behorende tekening van 30 oktober 2006 ontvangen, zie bijlage 5. Hierop zijn voor 115 locaties de bevindingen aangegeven van de door of namens Van der Waal & Partners uitgevoerde proefboringen ter plaatse van de asfaltverharding van het park.

Wij constateerden dat in de notulen van de bouwvergadering van 24 april 2007 is opgenomen dat de herstelmaatregelen ten behoeve van de asfaltverhardingen conform het eerder genoemde rapport zouden worden uitgevoerd door BAM Wegenbouw voor rekening en in opdracht van Sagro.

Op of omstreeks 14 mei 2007 heeft BAM Wegenbouw een aanvang genomen met de herstelwerkzaamheden conform het eerder genoemde rapport van Van der Waal & Partners. Conform de ons bekende notulen van de bouwvergaderingen zijn deze werkzaamheden omstreeks week 35 van 2007 afgerond. Wij begrepen dat bij deze werkzaamheden de volledige oorspronkelijke toplaag van de wegverhardingen werd vervangen. Wij merken hierbij op dat daardoor de oorspronkelijke werkzaamheden van Sagro volledig aan het zicht werden onttrokken. Wij hebben derhalve geen nader onderzoek verricht naar de door deze partij aangebrachte wegverhardingen.

Wij constateerden dat op diverse plaatsen in het wegdek ‘schrale plekken’ in de slijtlaag zichtbaar zijn. De aangetroffen ‘schrale plekken’ in het wegdek duiden ons inziens op het ‘vetslaan’ van de toplaag van de weg. ‘Vet’ is het aan het oppervlak aanwezig zijn van bitumen (bindmiddel). Het vetslaan van een bitumineuze slijtlaag kan optreden als een te grote hoeveelheid bindmiddel in relatie tot de hoeveelheid en gradering van de steenslag is gesproeid. Ook bij hoge temperaturen tijdens het aanbrengen bestaat de kans dat, ondanks een juiste hoeveelheid bindmiddel, de steenslag in de oorspronkelijke verharding wordt gedrukt, waardoor het bindmiddel boven de steenslag uitkomt. Wij merken op dat door het kleven van dit bindmiddel aan autobanden en schoenzolen en dergelijke dit kan worden verspreid en daarbij tot overlast en schade kan leiden.

Tevens constateerden wij op diverse plaatsen scheuren in het wegdek. Gezien de verklaringen van cliënt inzake de door BAM uitgevoerde werkzaamheden waarbij nieuwe funderingen werden aangebracht alsmede de door ons geconstateerde locaties van deze scheuren zijn wij van mening dat het aannemelijk is dat de thans geconstateerde scheuren werden veroorzaakt door ongelijke zettingen tussen de reeds bestaande en de nieuw aangebrachte funderingslaag onder de wegverhardingen. (…)

Na literatuurstudie is gebleken dat er geen normen bestaan voor een objectieve beoordeling van vetgeslagen wegen of het in esthetische zin beoordelen van het wegoppervlak van een asfalt wegverharding. De wegverhardingen werden medio 2007 aangebracht en waren ten tijde van ons onderzoek ter plaatse derhalve circa 6 jaar oud. Gezien de vele plaatsen waardoor ons gedurende ons onderzoek scheuren en vetgeslagen plekken werden geconstateerd, gerelateerd aan de relatief beperkte periode waarin de wegverhardingen werden gebruikt, zijn wij van mening dat de aangebrachte wegverhardingen niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen van goed en deugdelijk werk.

Daarnaast constateerden wij dat op diverse plaatsen de emulsie van de toplaag van de wegverharding over de bestrating van de molgoten is gespoten. Wij zijn van mening dat hierbij eveneens niet werd voldaan aan de daaraan te stellen eisen van goed en deugdelijk werk.

Wij zijn van mening dat de enig juiste wijze van herstel is het wapenen van de overgangen van de reeds bestaande en de nieuw aangebrachte funderingslagen onder de wegverhardingen en het volledig vervangen van de deklaag van de asfalt wegverhardingen.

Daarbij zal het peil van het volledig wegennet verhoogd worden ten opzichte van het huidige peil. De bestrating van de molgoten dient daarbij derhalve te worden uitgenomen en opnieuw te worden gesteld op de juiste hoogte. De door emulsie besmeurde stenen dienen daarbij te worden vervangen door nieuwe.

Schadebedrag

Wij begroten de kosten voor het wapenen van de overgangen tussen de reeds bestaande en de nieuw aangebrachte funderingslagen onder de wegverhardingen en het volledig vervangen van de deklaag van de asfalt wegverhardingen op een bedrag van € 181.430,43 inclusief BTW. (…)

2. De beschoeiing ter plaatse van diverse waterpartijen is op diverse plaatsen aangetast

Informatie cliënt

Cliënt toonde beschoeiing met verrotte plekken en gaf ons enkele delen van reeds in een stadium van verrotting zijnde delen mee voor verdere analyse. Verder meldde cliënt ons dat de totale lengte van alle beschoeiing op het gehele park circa 700 m1 bedraagt.

Daarnaast gaf cliënt aan dat de beschoeiing van een waterplas achter de kavels met nummers 6 en 7 reeds in opdracht en voor kosten van cliënt was vervangen aangezien deze volledig verrot bleek te zijn. De kosten voor vervanging bedroegen circa € 12.000,00 inclusief BTW.

Beoordeling expert

Wij constateerden dat het te gebruiken hout voor de beschoeiingen conform het bestek uit robinia dient te bestaan. Aan de hand van de aan ons overhandigde delen van de beschoeiing concluderen wij op basis van de vezelstructuur en de geur van het hout dat het aannemelijk is dat deze niet uit robinia maar uit western red cedar bestaan. Western red cedar is een naaldhout en geen loofhout, zoals onder andere robinia. Wij merken hierbij op dat wij geen laboratorium onderzoek hebben laten verrichten om te achterhalen welke houtsoort het betrof.

In het bestek zijn geen nadere eisen benoemd waar de beschoeiing aan moet voldoen, zoals de gewenste levensduur, anders dan dat deze dient te bestaan uit de houtsoort robinia. Gezien onze bevindingen hebben wij derhalve een tekortkoming in de nakoming van dit bestek geconstateerd.

Voor de toepassing van hout als beschoeiing zijn geen direct toepasselijke normen om de kwaliteit van het toe te passen hout aan te kunnen toetsen. Voor de juiste inzet van geschikt hout in een bepaalde situatie dient te worden bepaald wat de risicoklasse van de situatie is en aan de hand daarvan wat de duurzaamheidsklasse van het toe te passen hout dient te zijn.

Niet alleen de natuurlijke duurzaamheid van het hout zelf, maar ook de praktijkomstandigheden waaronder het hout verkeert en de mate van blootstelling aan vocht bepalen het risico van schimmelaantasting van het hout. Het risico van aantasting is met name sterk afhankelijk van factoren als vochtigheid, temperatuur en klimaatschommelingen. In de in deze kwestie toepasselijke norm NEN-EN 335-1:1992 (Duurzaamheid van hout en op hout gebaseerde producten - Definitie van risicoklassen voor biologische aantasting) werd onderscheid gemaakt in vijf risicoklassen. Hout voor beschoeiing valt in Risicoklasse 4: Toepassing van hout in contact met de grond of zoet water en daardoor permanent blootgesteld aan vocht.

Bij de toepasselijke risicoklasse kan worden bepaald welke duurzaamheidsklasse het toe te passen hout moet hebben. Houtsoorten worden ingedeeld in een bepaalde duurzaamheidsklasse op basis van hun weerstand tegen schimmelaantasting. De weerstand tegen schimmelaantasting wordt bepaald door de houtsoort onder vastgelegde testomstandigheden in contact te brengen met de grond en dan te registreren hoe lang het duurt voor het hout aangetast wordt door bodemschimmels.

De duurzaamheidsklassen voor hout werden vastgelegd in de in deze kwestie toepasselijke norm NEN-EN 350-2:1994 (Duurzaamheid van hout en op hout gebaseerde produkten - Natuurlijke duurzaamheid van massief hout - Deel 2: Richtlijn voor de natuurlijke duurzaamheid en behandelbaarheid van geselecteerde, voor Europa belangrijke houtsoorten). Daarin zijn vijf duurzaamheidsklassen voor hout benoemd: duurzaamheidsklasse 1 betekent dat het kernhout nog goed is na meer dan 25 jaar in contact met de grond, klasse 5 betekent dat de levensduur minder dan 5 jaar bedraagt.

In de in deze kwestie toepasselijk norm NEN-EN 460:1994 (Duurzaamheid van hout en op hout gebaseerde produkten - Natuurlijke duurzaamheid van massief hout - Richtlijn voor de eisen aan de duurzaamheid van hout voor toepassing in risicoklassen) worden relaties gelegd tussen de toepasselijke situatie en de noodzakelijke duurzaamheidsklassen. Hierin is opgenomen dat bij een gewenste levensduur van 25 jaar en risicoklasse 4 zonder grondcontact de natuurlijke duurzaamheid van duurzaamheidsklasse 2 in principe voldoende is, maar onder bepaalde omstandigheden verduurzaming is aan te bevelen. Wij merken op dat robinia onder duurzaamheidsklasse 1-2 is opgenomen (duurzaam tot zeer duurzaam). Western red cedar is opgenomen onder duurzaamheidsklasse 2 (duurzaam).

De beschoeiingen zijn medio 2005 aangebracht en waren ten tijde van ons onderzoek ter plaatse derhalve circa 8 jaar oud. Gezien de vele plaatsen waar door ons houtrot werd geconstateerd aan de beschoeiingen gedurende ons onderzoek gerelateerd aan de relatief beperkte periode waarin het hout als beschoeiing heeft gefungeerd zijn wij van mening dat het toegepaste hout en de daaruit opgetrokken beschoeiing niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen van goed en deugdelijk werk.

(…)

Schadebedrag

De kosten voor de aanleg van beschoeiing variëren sterk, dit is afhankelijk van de specifieke situatie. Uitgaande van de door cliënt genoemde lengte van de te vervangen beschoeiing begroten wij de kosten hiervan op een bedrag van € 102.647,33 inclusief BTW. (…)

Wij zijn hierbij uitgegaan van een houten beschoeiing van azobé met gordingen, verankering en folie, die makkelijk bereikbaar is vanaf het vaste land en waar over een grote lengte in lx beschoeiing kan worden geplaatst.

3. De doorsnede van duiker tussen waterpartijen is te klein en deze is te diep aangelegd

Informatie cliënt

Cliënt meldde ons dat ter hoogte van de kavels met nummers 1 tot en met 7 twee waterpartijen op het villapark zijn gesitueerd die als buffervoorziening zijn bedoeld voor regenwater. Het gehele villapark telt diverse van deze buffervoorzieningen.

De waterpartij achter de kavels 6 en 7 was oorspronkelijk als stilstaand water ontworpen. Na klachten over algengroei in het stilstaand water van deze waterpartij werd door wederpartij een duiker aangebracht tussen de waterplas achter de kavels met nummers 1 tot en met 5.

Cliënt meldde ons dat deze duiker een diameter heeft van 130 mm en dat deze te diep zou zijn aangelegd, waardoor deze regelmatig verstopt raakt. Het water in de waterpartij ter hoogte van de huisnummers 6 en 7 kan hierdoor niet voldoende circuleren, waardoor dit stilstaande water wederom sterke algengroei vertoont.

Beoordeling expert

Wij constateerden tijdens ons onderzoek ter plaatse geen bovengemiddelde algengroei maar merken daarbij wel op dat in de winterperiode per definitie minder algengroei te verwachten valt. De desbetreffende duiker hebben wij niet fysiek kunnen inspecteren aangezien deze onder water was gelegen.

Aangezien wij gedurende onze fysieke waarneming ter plaatse de duiker niet hebben aangetroffen hebben wij vooralsnog geen redenen te twijfelen aan de verklaring van cliënt dat de duiker te diep werd aangelegd.

Wij merken op dat de door cliënt gemeten diameter van 130 mm voor de buis te klein is om functioneel als watervoerende duiker te kunnen fungeren. Gezien de verklaringen van cliënt inzake de duiker alsmede onze fysieke waarneming ter plaatse zijn wij derhalve van mening dat de thans aangebrachte duiker niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van goed en deugdelijk werk.

Wij merken op dat voor een voldoende circulatie van het water tussen de twee desbetreffende waterpartijen een tweede duiker dient te worden aangebracht.

Tevens merken wij op dat de waterpartijen als buffervoorziening werden ontworpen waarbij de hoogte van het waterpeil niet altijd gelijk is. De toe te passen duikers mogen derhalve niet te hoog worden aangelegd aangezien daarmee de kans ontstaat dat de watervoering wordt belemmerd als het waterpeil onder de onderkant van de duiker raakt.

Om dit te voorkomen achten wij het raadzaam om een voldoende grote diameter voor de duikers te hanteren. Om het dichtslibben van de duikers te voorkomen dienen de taluds van de waterpartijen waar de duikers in uitmonden aanvullend te worden voorzien van matten waarop stenen dienen te worden aangebracht om uitspoelen van het zand ter plaatse van de duikers tegen te gaan.

Schadebedrag

Wij begroten de kosten voor het uitnemen van de bestaande duiker en het aanbrengen van twee nieuwe duikers van voldoende afmeting op een bedrag van € 3.792,14 inclusief BTW. (…)'

2.25.

De Coöperatie heeft conservatoire beslagen doen leggen ten laste van (enkele van) gedaagden.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De Coöperatie vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

'(i) gedaagden te veroordelen om hun onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de omgaande juridische levering aan eiseres van de Percelen in onbezwaarde staat als voornoemd (vrij van aanspraken) en tegen een totale koopprijs van € 1,- (één euro), gedaagden te veroordelen om alle kosten van de overdracht van de Percelen voor hun eigen rekening te dragen en gedaagden te veroordelen tot hun onvoorwaardelijke medewerking aan de omgaande inschrijving van het recht van eigendom van eiseres van de Percelen als voornoemd in de daartoe bestemde openbare registers en tot betaling van de kosten ervan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250.000,00 bij overtreding van voornoemde plicht tot medewerking en een dwangsom van € 2.500,00 per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat de overtreding voortduurt;

(ii) voor recht te verklaren dat gedaagden (dan wel één of meerdere van hen) jegens eiseres zijn tekortgeschoten dan wel een onrechtmatige daad hebben gepleegd dan wel handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid en dat gedaagden (dan wel één of meerdere van hen) aansprakelijk zijn en schadeplichtig zijn jegens eiseres, op grond van artikel 6:74 BW, dan wel artikel 6:87 BW, dan wel artikel 6:265 BW en dat voor zover nodig de overeenkomst per direct (gedeeltelijk) is/wordt ontbonden (voor zover betrekking hebbende op de plicht tot herstel c.q. vervanging van de gebreken), dan wel artikel 6:162 BW;

(iii) gedaagden I t/m IV hoofdelijk te veroordelen om, op gronden voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen voornoemde bedragen ad € 287.869,90 en € 15.746,72, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag of bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag/deze bedragen, lopende vanaf datum sommatie (12 augustus 2014), althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

(iv) gedaagden I t/m IV hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te vergoeden de kosten van expertise als voornoemd, ad € 4.778,58, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag lopende vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

(v) gedaagden hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te vergoeden de kosten van beslaglegging als voornoemd, ad € 2.476,08 + P.M., vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag lopende vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

(vi) gedaagden hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen de buitengerechtelijke kosten als voornoemd, althans conform een door Uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag lopende vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

(vii) gedaagden hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen de kosten van het geding, waaronder begrepen de verschotten en het advocatensalaris, onder de bepaling dat (i) de proceskosten voldaan dienen te worden binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis en (ii) voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen lopende vanaf bedoelde termijn, met (hoofdelijke) veroordeling van gedaagde(n) in de nakosten ad. € 131,00, dan wel, indien betekening plaatsvindt, de somma van € 199,00.'

3.2.

V.o.f. Duinpark c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van de Coöperatie in de kosten van het geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

V.o.f. Duinpark c.s. vorderen, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Coöperatie te veroordelen om binnen één week na de dag waarop dit vonnis is gewezen de door de Coöperatie gelegde conservatoire beslagen op te heffen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag of dagdeel dat de Coöperatie hiermee in gebreke blijft, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 75.000,-, met veroordeling van de Coöperatie in de kosten van het geding.

3.5.

De Coöperatie voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van v.o.f. Duinpark c.s. in de kosten van het geding, inclusief nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De Coöperatie grondt haar vorderingen - kort weergegeven - op de volgende stellingen. V.o.f. Duinpark en haar vennoten zijn op grond van overeenkomst verplicht tot deugdelijke levering aan de Coöperatie van de Percelen. Voor zover de plicht tot deugdelijke levering alleen op v.o.f. Duinpark rust, zijn Medama, Fri en First Madres als vennoten van v.o.f. Duinpark hoofdelijk aansprakelijk voor het tekortschieten van v.o.f. Duinpark. Voor zover tussen enerzijds de Coöperatie en anderzijds v.o.f. Duinpark en haar vennoten geen overeenkomst bestaat, heeft v.o.f. Duinpark een onrechtmatige daad gepleegd jegens de Coöperatie doordat zij nalatig is gebleven in haar zorg om het werk van de betrokken aannemer, Sagro, op deugdelijke wijze gerealiseerd en/of hersteld te krijgen. Voor de uit die onrechtmatige daad voor de Coöperatie voortvloeiende schade zijn ook Medama, Fri en First Madres als vennoten hoofdelijk aansprakelijk. De Coöperatie beroept zich voorts op de artikelen 6:2 en 6:248 lid 1 BW. Het zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn indien v.o.f. Duinpark c.s. niet hun medewerking verlenen aan het omgaand overdragen van het (onverdeelde aandeel in het) eigendom van de Percelen aan de Coöperatie en indien zij niet de door de Coöperatie geleden schade aan haar vergoeden. Ook Bij de Vaate Project dient haar aandeel in de Percelen te leveren aan de Coöperatie. Door haar aandeel niet te leveren handelt zij niet te goeder trouw, althans in strijd met de redelijkheid en billijkheid, althans onrechtmatig jegens de Coöperatie.

4.2.

De kern van het geschil is of de Coöperatie jegens v.o.f. Duinpark c.s. recht heeft op a) levering van de Percelen en b) een bepaald kwaliteitsniveau van op de Percelen aangebrachte werken.

4.3.

Vooropgesteld moet worden dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW). Het aanbod en de aanvaarding vereisen een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard (artikel 3:33 BW). Deze verklaring kan ook in één of meer gedragingen besloten liggen (artikel 3:37 lid 1 BW).

4.4.

Uit de model-koop-/aannemingsovereenkomst volgt dat v.o.f. Duinpark zich er jegens ieder van de kopers toe heeft verplicht om op het villapark de in het plan voorkomende wegen, groenvoorzieningen, waterpartijen en overige voor gemeenschappelijk gebruik bestemde zaken te realiseren (zie hiervoor onder 2.7). Artikel 22 van de AV vermeldt dat v.o.f. Duinpark de verplichting op zich heeft genomen om de toegangswegen en overige gemeenschappelijke voorzieningen van het villapark behoorlijk te doen onderhouden en hun toegankelijkheid te waarborgen (zie hiervoor onder 2.8). Dit betreft een verplichting die v.o.f. Duinpark is aangegaan jegens kopers, de contractuele wederpartijen van v.o.f. Duinpark bij de door haar gesloten koop-/aannemingsovereenkomsten.

4.5.

Uit de model-koop-/aannemingsovereenkomst en uit hetzelfde artikel 22 AV blijkt dat de opstellers van die stukken voor ogen stond dat de toegangswegen en de gemeenschappelijke voorzieningen (de Percelen) in eigendom zouden worden overgedragen aan de Coöperatie. De verplichting van v.o.f. Duinpark met betrekking tot het onderhouden van de toegangswegen en de gemeenschappelijke voorzieningen en het waarborgen van de toegankelijkheid zou op de Coöperatie worden gelegd onder algehele vrijwaring van v.o.f. Duinpark. De kopers werden verplicht om een separate overeenkomst aan te gaan voor de kostenvoldoening van de betreffende diensten.

4.6.

Het komt de rechtbank voor dat de kopers er jegens hun contractuele wederpartij v.o.f. Duinpark in beginsel aanspraak op kunnen maken dat de in het villapark aangelegde wegen deugdelijk zouden worden aangelegd en dat die wegen deugdelijk zouden worden onderhouden. Weliswaar dienden de kopers in de toekomst voor het onderhoud van de Percelen te betalen (aan de Coöperatie), maar de kopers mochten ervan uit gaan dat ter zake aan hen slechts de noodzakelijke kosten van normaal onderhoud in rekening zouden worden gebracht, niet substantiële extra kosten voortvloeiende uit het eventueel van aanvang af niet deugdelijk aangelegd zijn van - bijvoorbeeld - de wegen.

4.7.

De relevante bepalingen in de koop-/aannemingsovereenkomsten en de AV betreffen echter slechts de rechtsverhoudingen tussen v.o.f. Duinpark en kopers. Daaraan kan de Coöperatie geen contractuele aanspraken ontlenen jegens v.o.f. Duinpark. Tegelijkertijd kan v.o.f. Duinpark jegens de Coöperatie aan de inhoud van de contractuele verhoudingen tussen v.o.f. Duinpark en kopers geen aanspraak ontlenen op vrijwaring van v.o.f. Duinpark ter zake van haar contractuele verplichtingen jegens kopers met betrekking tot het toegezegde behoorlijk doen onderhouden, en waarborgen van de toegankelijkheid, van de toegangswegen en overige gemeenschappelijke voorzieningen van het villapark.

4.8.

De rechtbank begrijpt uit onder andere de tekst van artikel 22 AV dat het bij opzet van het project van het villapark de bedoeling was dat (ook) v.o.f. Duinpark en de Coöperatie een overeenkomst met elkaar zouden aangaan. Ingevolge een dergelijke overeenkomst zou v.o.f. Duinpark de eigendom van de gemeenschappelijke voorzieningen moeten overdragen aan de Coöperatie, waartegenover de Coöperatie jegens de kopers de verplichtingen op zich zou moeten nemen om de toegangswegen en overige gemeenschappelijke voorzieningen behoorlijk te doen onderhouden en hun toegankelijkheid te waarborgen. Voorts was het kennelijk de bedoeling dat de Coöperatie v.o.f. Duinpark zou vrijwaren ter zake van de contractuele verplichtingen dienaangaande van v.o.f. Duinpark jegens kopers. Dat tussen v.o.f. Duinpark en de Coöperatie een dergelijke overeenkomst is gesloten, is echter gesteld noch gebleken. Er is geen sprake van een concreet aanbod van v.o.f. Duinpark aan de Coöperatie, noch van de aanvaarding daarvan.

4.9.

Bij de brief van 25 maart 2009 van mr. J.P. van Maurik, de toenmalig advocaat van de Coöperatie, heeft de Coöperatie de vennoten van v.o.f. Duinpark erop gewezen dat het verhelpen van de gebreken die kleven aan het wegdek van het villapark valt onder de verplichtingen die voor v.o.f. Duinpark voortvloeien uit het bepaalde in artikel 22 lid 1 van de door v.o.f. Duinpark gehanteerde AV (zie hiervoor onder 2.19). Daarbij refereerde de Coöperatie derhalve aan verplichtingen voortvloeiende uit de contractuele verhoudingen tussen v.o.f. Duinpark en kopers en niet aan een verplichting voortvloeiende uit een contractuele verhouding tussen v.o.f. Duinpark en de Coöperatie.

4.10.

In de correspondentie voorafgaand aan de procedure heeft de advocaat van de Coöperatie gesteld dat v.o.f. Duinpark 'opdrachtnemer' is van de Coöperatie en dat het haar 'verantwoordelijkheid en plicht' is om zorg te dragen voor een deugdelijk wegdek (zie hiervoor onder 2.22). Over het bestaan van een overeenkomst van opdracht tussen de Coöperatie en v.o.f. Duinpark is in deze procedure echter niets gesteld. De rechtbank moet er dan ook van uit gaan dat een dergelijke overeenkomst niet bestaat.

4.11.

V.o.f. Duinpark c.s. hebben aangevoerd dat bij de oprichting van de Coöperatie, direct aan het begin van het project, derhalve toen de personen die het beleid bepaalden van v.o.f. Duinpark ook het beleid van de Coöperatie bepaalden (zie hiervoor onder 2.12), tussen v.o.f. Duinpark en de Coöperatie een mondelinge koopovereenkomst is gesloten (zie pagina 3 van het proces-verbaal van de comparitie van partijen). Die mondelinge koopovereenkomst hield volgens de mededelingen van v.o.f. Duinpark c.s. ter comparitie niet meer in dan dat tegen betaling van één euro de algemene parkdelen zouden worden overgedragen aan de Coöperatie. De feitelijke en juridische levering zou worden uitgesteld tot alle parkdelen klaar zouden zijn. Over vrijwaring van de Coöperatie door v.o.f. Duinpark is volgens v.o.f. Duinpark c.s. niet gesproken en artikel 22 AV is tussen de Coöperatie en v.o.f. Duinpark niet ter sprake gekomen.

4.12.

De Coöperatie heeft niet betwist de stelling van v.o.f. Duinpark dat tussen haar en de Coöperatie reeds ten tijde van oprichting van de Coöperatie een mondelinge koopovereenkomst is gesloten met een inhoud als door v.o.f. Duinpark gesteld. In zijn reactie op het proces-verbaal van de comparitie van partijen - bij faxbericht van 20 januari 2016 - heeft mr. J.P.G. Bouwman namens de Coöperatie echter opgemerkt dat door de Coöperatie ter zitting is aangegeven:

'1. dat tussen de v.o.f. en de coöperatie ten aanzien van de essentialia, onderdeel levering, niet een datum van levering is afgesproken maar wel dat tussen hen is afgesproken dat de algemene parkdelen juridisch geleverd zouden worden zodra deze gereed en deugdelijk zouden zijn; en

2. dat tussen de v.o.f. en de coöperatie is afgesproken dat het risico ten aanzien van de algemene parkdelen zou overgaan van de v.o.f. op de coöperatie bij de juridische levering ervan door de v.o.f. aan de coöperatie, waarmee de verplichtingen dienaangaande van de v.o.f. naar de coöperatie zouden gaan.'

4.13.

Mr. M. Trouwborst heeft er in haar reactie van 26 januari 2016 namens v.o.f. Duinpark c.s. op gewezen dat in haar visie de Coöperatie tijdens de comparitie niet heeft gesteld dat partijen hebben afgesproken dat de algemene parkdelen juridisch geleverd zouden worden wanneer deze gereed en deugdelijk waren. Haar brief vermeldt in dit verband het volgende:

'Mr. Bouwman heeft namens de Coöperatie gesteld dat tussen partijen is afgesproken dat de algemene parkdelen juridisch geleverd zouden worden nadat deze waren afgerond. Voorts heeft hij gesteld dat de algemene parkdelen juridisch niet zijn geleverd, omdat deze naar het oordeel van de Coöperatie niet deugdelijk waren.'

4.14.

De rechtbank acht deze reactie van de zijde van v.o.f. Duinpark c.s. terecht. Van de zijde van de Coöperatie is ter comparitie niet gesteld dat tussen de v.o.f. en de Coöperatie is afgesproken dat de algemene parkdelen juridisch geleverd zouden worden 'zodra deze gereed en deugdelijk zouden zijn'. Indien dat wel gesteld zou zijn, zou de rechtbank hebben willen vernemen wanneer, bij welke gelegenheid die afspraak was gemaakt en welke natuurlijke personen bij het maken van die afspraak betrokken waren geweest. Daarover is niets gesteld. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat een dergelijke afspraak nimmer is gemaakt.

4.15.

Gelet op hetgeen door v.o.f. Duinpark c.s. is gesteld, voor zover dat door de Coöperatie niet (voldoende) is betwist, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat tussen v.o.f. Duinpark en de Coöperatie reeds bij oprichting van de Coöperatie een mondelinge koopovereenkomst tot stand is gekomen, welke echter niet meer inhield dan dat de Percelen door v.o.f. Duinpark voor 1 euro aan de Coöperatie zouden worden geleverd zodra deze gereed zouden zijn. Dat brengt mee dat de Coöperatie vanaf de oplevering van de percelen door Sagro aan v.o.f. Duinpark recht had op levering aan haar.

4.16.

Dat de Coöperatie ingevolge voornoemde mondelinge koopovereenkomst aanspraak kon maken op levering van de Percelen zodra deze gereed zouden zijn, brengt niet mee dat de Coöperatie er tevens aanspraak op kan maken dat de op die percelen aangebrachte werken aan het kwaliteitsniveau zouden voldoen waar de kopers in hun contractuele relatie tot v.o.f. Duinpark recht hadden. Dat zou mogelijk anders zijn indien v.o.f. Duinpark en de Coöperatie ook waren overeengekomen dat de Coöperatie verplichtingen van v.o.f. Duinpark jegens de kopers zou overnemen en dat de Coöperatie v.o.f. Duinpark zou vrijwaren ter zake van de aanspraken van kopers jegens v.o.f. Duinpark, maar op grond van hetgeen in deze procedure is gesteld en gebleken en - in het bijzonder - ter comparitie van partijen is medegedeeld, moet worden aangenomen dat v.o.f. Duinpark en de Coöperatie (nog) niet waren overeengekomen dat de Coöperatie verplichtingen die v.o.f. Duinpark jegens de kopers had van haar overnam (onder vrijwaring van v.o.f. Duinpark).

4.17.

De rechtbank gaat ervan uit dat de verplichtingen die v.o.f. Duinpark jegens de kopers op zich had genomen ter zake van de gemeenschappelijke voorzieningen bleven rusten op v.o.f. Duinpark, zonder dat een plicht tot vrijwaring door de Coöperatie van v.o.f. Duinpark ontstond. Daar doet niet aan af dat er daarnaast ook rechtsverhoudingen zijn ontstaan tussen de Coöperatie en kopers waaraan kopers bepaalde aanspraken jegens de Coöperatie kunnen ontlenen. Die eventuele aanspraken zijn in deze procedure niet aan de orde. Hetzelfde geldt voor de eventuele aanspraken van kopers jegens v.o.f. Duinpark ter zake van de (on)deugdelijkheid van de in opdracht van v.o.f. Duinpark op de Percelen aangebrachte werken.

4.18.

Uit de stellingen van v.o.f. Duinpark c.s. vloeit voort dat op grond van de mondelinge koopovereenkomst met de Coöperatie v.o.f. Duinpark is gehouden de Percelen - tegen betaling van de koopsom van 1 euro - aan de Coöperatie te leveren. Dat brengt mee dat de vordering van de Coöperatie als weergegeven onder 3.1 onder i in beginsel - zij het in aangepaste vorm - toewijsbaar is. Daarbij is van belang dat de rechtspersonen aan wie de Percelen nog in eigendom toebehoren, die percelen nog slechts in eigendom hebben opdat v.o.f. Duinpark ter zake van de met de Coöperatie gesloten koopovereenkomst aan haar leveringsverplichting kan voldoen. Door thans niet mee te werken aan de (gezamenlijke) levering van de Percelen aan de Coöperatie, zouden die rechtspersonen jegens de Coöperatie handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, en daarmee onrechtmatig. Kennelijk wordt dit ook door betrokkenen onderkend. Bij conclusie van antwoord onder 5.23 voeren v.o.f. Duinpark c.s. immers aan dat Fri en Medama, hoewel daartoe in hun visie rechtens geen verplichting bestaat, bereid zijn de bij hen in eigendom zijnde percelen te leveren aan de Coöperatie. Opmerking verdient dat het ook uiterst onwenselijk voorkomt indien de (mede)eigendom van de Percelen nu en in de toekomst zou blijven rusten bij diverse rechtspersonen die niet de intentie en/of niet de middelen hebben om de zich op de Percelen bevindende gemeenschappelijke voorzieningen in goede staat te brengen en/of houden.

4.19.

Hoewel v.o.f. Duinpark c.s. het bestaan van de mondelinge koopovereenkomst en de daaruit voortvloeiende verplichting tot levering niet betwisten, menen zij niettemin dat de tot het opleggen van een verplichting tot levering strekkende vordering van de Coöperatie niet toewijsbaar is en voeren zij daartegen verweer. De rechtbank is van oordeel dat die verweren op de volgende gronden dienen te worden verworpen.

4.20.

V.o.f. Duinpark c.s. verweren zich primair met de stelling dat de Coöperatie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering als weergegeven onder 3.1 sub i. Uit artikel 12 leden 1 en 2 onder a van de statuten van de Coöperatie volgt in de visie van v.o.f. Duinpark c.s. dat het bestuur van de Coöperatie weliswaar bevoegd is om de Coöperatie in rechte te vertegenwoordigen, maar dat die bevoegdheid in het geval dat sprake is van het verkrijgen van registergoederen slechts bestaat na verkregen toestemming van de algemene vergadering, welke toestemming niet is verkregen. De rechtbank acht die visie onjuist.

4.21.

Artikel 12 lid 1 van de statuten van de Coöperatie bepaalt dat het bestuur bevoegd is tot vertegenwoordiging van de Coöperatie in en buiten rechte. Uit artikel 12 lid 2 onder a vloeit slechts voort dat het bestuur de voorafgaande toestemming van de algemene ledenvergadering behoeft voor het sluiten van bepaalde in lid 1 genoemde overeenkomsten, waaronder overeenkomsten tot het kopen van registergoederen. Van het aangaan door de Coöperatie van een overeenkomst tot het kopen van registergoederen is in deze procedure echter geen sprake. De relevante koopovereenkomst is volgens v.o.f. Duinpark c.s. immers reeds ten tijde van de oprichting van de Coöperatie gesloten. Thans vordert de Coöperatie door middel van de vordering als weergegeven onder 3.1 onder i slechts nakoming van die koopovereenkomst. Het primaire verweer van v.o.f. Duinpark c.s. wordt derhalve verworpen.

4.22.

V.o.f. Duinpark c.s. hebben zich subsidiair beroepen op schending door de Coöperatie van de klachtplicht van artikel 7:23 lid 1 BW en doen een beroep op verjaring ex artikel 7:23 lid 2 BW. Daarbij gaan v.o.f. Duinpark c.s. ervan uit dat de Percelen in feitelijke zin zijn 'afgeleverd' doordat het villapark na de oplevering door Sagro aan v.o.f. Duinpark in gebruik is genomen en de Coöperatie vanaf dat moment het onderhoud van de Percelen feitelijk op zich heeft genomen, zij het dat de Coöperatie in de visie van v.o.f. Duinpark c.s. geen adequaat onderhoud heeft gepleegd. Wat daar ook van zij, ook indien wordt aangenomen dat de Coöperatie niet (steeds) tijdig heeft geklaagd over ontdekte gebreken nadat 'aflevering' van de Percelen als bedoeld in artikel 7:9 lid 2 BW heeft plaatsgevonden, zou dat slechts meebrengen dat de Coöperatie er in zoverre geen beroep meer op kan doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt (artikel 7:23 lid 1 BW). Dat laat echter onverlet de verplichting van v.o.f. Duinpark om de aan de Coöperatie verkochte onroerende zaken juridisch te leveren.

4.23.

Het verstreken zijn van de verjaringstermijn van artikel 7:23 lid 2 BW brengt eveneens slechts mee dat verjaard zijn rechtsvorderingen en verweren die zijn gegrond op feiten die de stelling zouden kunnen rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. Immers, dergelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van twee jaren na de kennisgeving door de koper aan de verkoper dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. De onder 3.1 onder i ingestelde vordering die ertoe strekt dat de door de Coöperatie gekochte onroerende zaken aan haar worden geleverd, is op deze grond niet verjaard.

4.24.

Voor zover v.o.f. Duinpark c.s. zich (impliciet) mede op verjaring ex artikel 3:307 BW hebben willen beroepen, wordt dat beroep op verjaring bij gebrek aan voldoende heldere stellingen daaromtrent - en daarmee een voldoende helder debat over aanvangsdata van eventuele verjaringstermijnen, duur van die termijnen en eventuele stuiting daarvan - verworpen. In dit verband wijst de rechtbank nog op het volgende.

4.25.

Weliswaar kan een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaren op grond van het bepaalde in artikel 3:307 BW, maar in dat geval is de (relevante) verjaringstermijn vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Erkenning van het recht tot welks bescherming een rechtsvordering dient, stuit de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent (artikel 3:318 BW). V.o.f. Duinpark c.s. hebben in deze procedure zelf aangevoerd dat hun advocaat in correspondentie met de toenmalige advocaat van de Coöperatie heeft erkend dat de Coöperatie recht heeft op levering van de percelen (zie conclusie van antwoord onder 3.27). Een dergelijke erkenning van de zijde van v.o.f. Duinpark c.s. is ook gelegen in het vervolgens door een notariskantoor aan de Coöperatie doen toezenden van een concept akte van levering (zie hiervoor onder 2.20).

4.26.

De verjaring tot nakoming van een verbintenis wordt bovendien gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). De brief van 21 december 2012 van de advocaat van de Coöperatie aan v.o.f. Duinpark c.s. kan worden aangemerkt als een dergelijke mededeling (zie hiervoor onder 2.22). Immers, met die brief, welke aan de v.o.f. Duinpark en aan haar vennoten is verzonden, maakt de Coöperatie volstrekt duidelijk dat zij haar rechtspositie en aanspraken wenst te beschermen, dat zij verjaring wenst te voorkomen, en verzoekt zij v.o.f. Duinpark c.s. uitdrukkelijk om alle in hun bezit zijnde documenten met betrekking tot de zaak in hun bezit te houden ten behoeve van een te voeren juridische procedure.

4.27.

Nadat First Madres aanvankelijk heeft betwist dat (ook) zij de stuitingsbrief heeft ontvangen, heeft de Coöperatie een verzendbewijs van de aangetekend aan First Madres verzonden brief overgelegd. Ter comparitie heeft de rechtbank dit niet met First Madres kunnen bespreken omdat de bestuurder van First Madres niet ter comparitie is verschenen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het verweer, voor zover al relevant, dat First Madres de stuitingsbrief niet heeft ontvangen.

4.28.

Nu de door v.o.f. Duinpark c.s. gevoerde verweren tegen de onder 3.1 onder i weergegeven vordering worden verworpen, zal die vordering worden toegewezen. Hoewel niet alle gedaagden (mede-)eigenaar zijn van (een gedeelte van) de Percelen, mag van alle gedaagden worden verlangd dat zij - voor zover eventueel nodig - hun medewerking zullen verlenen aan de levering. De Percelen zijn naar de rechtbank begrijpt gespecificeerd in de als productie 4 bij dagvaarding overgelegde concept akte van levering. Van grote spoedeisendheid met betrekking tot de gevorderde overdracht is geen sprake. De rechtbank zal een redelijke termijn stellen, mede in verband met de op te leggen dwangsom en het voorkomen van executieproblemen. Met het opleggen van een dwangsom van relatief beperkte omvang kan naar het oordeel van de rechtbank worden volstaan. Uiteraard zal slechts de partij die de redelijkerwijs binnen zijn macht liggende medewerking niet verleend dwangsommen kunnen verbeuren. Voor zover de vordering de strekking heeft dat de aan de overdracht verbonden kosten voor rekening van v.o.f. Duinpark c.s. dienen te komen, zal de rechtbank die vordering toewijzen. Gelet op de wijze waarop het plan voor het villapark is opgezet, lag het in de rede dat v.o.f. Duinpark en/of haar vennoten zouden zorgdragen voor de juridische overdracht en dat zij de daaraan verbonden kosten voor hun rekening zouden nemen. Een en ander leidt tot de veroordeling als hierna onder 5.2 geformuleerd.

4.29.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, vloeit voort dat de vorderingen als weergegeven onder 3.1 sub ii, iii en iv niet toewijsbaar zijn. Die vorderingen zijn gegrond op de door de rechtbank onjuist geachte visie van de Coöperatie dat zij er uit eigen hoofde jegens v.o.f. Duinpark c.s. aanspraak op kon maken dat de op de Percelen aan te brengen voorzieningen (onder andere: wegen, beschoeiingen en duikers) minimaal van een zodanige kwaliteit zouden zijn als waarop de kopers jegens v.o.f. Duinpark aanspraak konden maken. Dat de Coöperatie daarop jegens v.o.f. Duinpark c.s. uit eigen hoofde aanspraak kan maken, heeft de rechtbank uit de stellingen van de Coöperatie niet kunnen afleiden. De Coöperatie kan zich ter zake van de kwaliteit van die werken niet beroepen op een contractuele verplichting die v.o.f. Duinpark jegens haar op zich heeft genomen. Van een dienaangaande op onrechtmatige daad of op een andere rechtsgrond te baseren buitencontractuele verplichting van v.o.f. Duinpark c.s. jegens de Coöperatie is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake.

4.30.

Voor zover de Coöperatie van oordeel was dat v.o.f. Duinpark in verband met gebrekkige kwaliteit van op de Percelen aangebrachte voorzieningen toerekenbaar tekortschoot jegens de kopers (zie hiervoor onder 2.19), had zij de kopers daarover kunnen voorlichten opdat deze ervoor hadden kunnen kiezen om eventueel, al dan niet gezamenlijk, rechtsmaatregelen tegen v.o.f. Duinpark c.s. te treffen. De Coöperatie is echter niet zonder meer gerechtigd om jegens v.o.f. Duinpark c.s. vorderingen in te stellen die toekomen aan kopers.

4.31.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat voor zover aangenomen zou worden dat de Coöperatie op grond van de mondelinge koopovereenkomst met v.o.f. Duinpark, mede gelet op de door v.o.f. Duinpark geïnitieerde juridische opzet van het villapark, inclusief de positie van de Coöperatie daarin, van aanvang af wel uit eigen hoofde aanspraak kon maken op levering van de Percelen met daarop aangebrachte werken van een bepaald (hoger) kwaliteitsniveau, in zoverre het door v.o.f. Duinpark c.s. op artikel 7:23 BW gegronde verweer zou slagen. Weliswaar heeft de Coöperatie bij monde van haar Technische Commissie ongetwijfeld veelvuldig geklaagd over door haar aan het afgeleverde ontdekte gebreken, maar dat dit met betrekking tot de gestelde gebreken van deels verschillende aard steeds binnen bekwame tijd na ontdekking is geschied en dat vervolgens na dergelijke kennisgevingen aan v.o.f. Duinpark ook (steeds) tijdig stuiting heeft plaatsgevonden van de verjaringstermijn van twee jaren ex artikel 7:23 lid 2 BW, kan uit de stellingen van de Coöperatie niet worden afgeleid. Nu dit een overweging ten overvloede betreft, zal de rechtbank dit niet nader uitwerken.

4.32.

De vordering als weergegeven onder 3.1 sub v zal de rechtbank afwijzen. De kosten van beslaglegging zijn deels onterecht en deels onnodig gemaakt. Onterecht voor zover de kosten zijn gemaakt met het oog op een geldvordering van de Coöperatie op v.o.f. Duinpark c.s. Het daarop betrekking hebbende gedeelte van de vorderingen van de Coöperatie wordt immers afgewezen. Onnodig voor zover het betreft de beoogde levering van de Percelen. Aangenomen mag worden dat gedaagden ook buiten rechte bereid zouden zijn geweest tot het verlenen van medewerking aan levering van de Percelen indien de Coöperatie voor het overige geen vorderingen jegens v.o.f. Duinpark c.s. zou hebben gepretendeerd. Dat gedaagden enig materieel belang hebben bij het behouden door enkelen van hen van de (mede)eigendom van de Percelen, anders dan als drukmiddel in het kader van eventuele onderhandelingen met de Coöperatie en/of kopers over een totaalafwikkeling, is gesteld nog gebleken.

4.33.

Ook de vordering onder 3.1 sub vi zal de rechtbank afwijzen. Voor zover buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt, zullen die vooral betrekking hebben op door de Coöperatie jegens v.o.f. Duinpark c.s. gepretendeerde vorderingen waarvan in deze procedure is geoordeeld dat zij niet toewijsbaar zijn. Derhalve kan de Coöperatie evenmin aanspraak maken op vergoeding van in dat kader gemaakte buitengerechtelijke kosten.

4.34.

De proceskosten zal de rechtbank tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. Partijen zijn in deze procedure in conventie aan te merken als over en weer deels in het (on)gelijk gesteld. Hoewel v.o.f. Duinpark c.s. in deze procedure hebben aangevoerd nog steeds bereid te zijn om de algemene parkdelen over te dragen, hebben zij tegen de vordering om hen daartoe te veroordelen niettemin verweer gevoerd, welk verweer is verworpen.

4.35.

Voor een proceskostenveroordeling ten laste van Bij de Vaate Project bestaat geen grond. Gesteld noch gebleken is dat zij niet bereid was (en is) de van haar onder 3.1 sub i gevorderde - en thans bevolen - medewerking te verlenen.

in reconventie

4.36.

V.o.f. Duinpark c.s. leggen aan hun vordering in reconventie strekkende tot opheffing van de door de Coöperatie gelegde conservatoire beslagen ten grondslag dat de beslagen onrechtmatig zijn. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben zij verwezen naar hetgeen zij in conventie hebben aangevoerd.

4.37.

Naar de rechtbank begrijpt, hebben de gelegde beslagen in belangrijke mate geen doel getroffen. Voor zover de beslagen zijn gelegd op de ingevolge de in conventie toe te wijzen vordering onder 3.1 sub i te leveren percelen, zijn de beslagen niet onrechtmatig te achten. Betreffende beslagen zullen bovendien, naar mag worden aangenomen, worden opgeheven in het kader van de overdracht van de juridische eigendom van de Percelen aan de Coöperatie. Bij eerdere opheffing van die beslagen hebben v.o.f. Duinpark c.s. geen recht of belang.

4.38.

Het enige door v.o.f. Duinpark c.s. gespecificeerde beslag waarvan v.o.f. Duinpark c.s. stellen dat het doel heeft getroffen en dat een van hen, First Madres, daardoor schade lijdt, betreft een ten laste van First Madres onder 'ABN AMRO Bank N.V.' gelegd beslag, als gevolg waarvan First Madres kennelijk niet over geld op een bepaalde bankrekening kan beschikken. De rechtbank zal dat beslag opheffen. Gelet op de uitkomst van de procedure in conventie moet immers worden geoordeeld dat er voor dat beslag geen grond bestaat. Het leggen en handhaven van dat beslag kan als een jegens First Madres gepleegde onrechtmatige daad worden gekwalificeerd.

4.39.

Nu de rechtbank het betreffende ten laste van First Madres gelegde conservatoire derdenbeslag zelf kan opheffen, bestaat er geen aanleiding om de Coöperatie te veroordelen tot opheffing van het beslag op straffe van een dwangsom.

4.40.

Ook in reconventie zijn beide partijen aan te merken als deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. De proceskosten zullen derhalve ook in reconventie worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

5.1.

verleent verstek tegen gedaagde sub 5 (Bij de Vaate Project),

5.2.

veroordeelt gedaagden om uiterlijk vanaf 30 dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan juridische levering aan eiseres van de Percelen, als gespecificeerd in de concept akte van levering die is overgelegd als productie 4 bij dagvaarding, in onbezwaarde staat (vrij van aanspraken), behoudens voor zover in voornoemde akte de staat anders is beschreven, en tegen een totale koopprijs van € 1,- (één euro), met dien verstande dat de kosten van de overdracht van de Percelen voor rekening van gedaagden komen en gedaagden medewerking zullen verlenen aan de inschrijving op hun kosten van het recht van eigendom van eiseres van de Percelen in de daartoe bestemde openbare registers, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per gedaagde per dag of gedeelte van een dag dat zij met de nakoming van hetgeen waartoe zij zijn veroordeeld in gebreke blijven, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen per gedaagde van € 50.000,00,

in reconventie:

5.3.

heft op het ten laste van gedaagde sub 4 (First Madres) gelegde conservatoire derdenbeslag onder 'ABN AMRO Bank N.V.',

in conventie en in reconventie:

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

compenseert de proceskosten tussen partijen, zo dat ieder der partijen de eigen kosten draagt,

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2016.
[1729; 2221]