Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1623

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
RK 15/2664; RK 15/2667; RK 15/2668
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beklagen gegrond. Het openbaar ministerie heeft naar aanleiding van de onderbouwde argumenten van de klaagsters ruime gelegenheid gekregen kenbaar te maken op basis waarvan ten aanzien van het (resterende) beslag het strafvorderlijk belang thans nog aanwezig is. Gelet op het gevoerde verweer, de diverse raadkamerbehandelingen, het tijdsverloop en met name de heroverwegingen van het beslag in de overige klaagschriften, mag van de officier van justitie worden verwacht dat zij dit concreet en goed onderbouwd aangeeft. De officier van justitie heeft dit nagelaten. De enkele verwijzing naar de processen-verbaal van de politie, worden thans volstrekt ontoereikend geacht om het strafvorderlijk belang bij de voortduring van het beslag ook nu nog voldoende aanwezig te achten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 552a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/996526-07

Raadkamernummers: 15/2664, 15/2667 en 15/2668

Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de klaagschriften van:

[klaagster 1], klaagster 1,

gevestigd te [vestigingsadres],

voor deze zaak domicilie kiezende te 1082 MA Amsterdam, Gustav Mahlerplein 50, ten kantore van haar raadsman mr. A.J.M. de Swart,

en

[klaagster 2], klaagster 2,

gevestigd te [vestigingsadres],

voor deze zaak domicilie kiezende te 1082 MA Amsterdam, Gustav Mahlerplein 50, ten kantore van haar raadsman mr. A.J.M. de Swart,

en

[klaagster 3], klaagster 3,

gevestigd te [vestigingsadres],

voor deze zaak domicilie kiezende te 1082 MA Amsterdam, Gustav Mahlerplein 50, ten kantore van haar raadsman mr. A.J.M. de Swart.

Procedure

Op 12 oktober 2015 zijn op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) klaagschriften ingediend.

De klaagschriften zijn op 13 oktober 2015 en op 28 oktober 2015 inhoudelijk door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. M.P. Kok en de raadsman zijn gehoord. Op 9 december 2015 is het onderzoek in raadkamer heropend en opnieuw gesloten. Op 9 februari 2016 is het onderzoek in raadkamer opnieuw heropend en gesloten.

Voorts is [belanghebbende] op 28 oktober 2015 als belanghebbende gehoord. Van de mogelijkheid zelf een klaagschrift in te dienen is gebruik gemaakt. De beslissing op het door voornoemde belanghebbende ingediende klaagschrift is als bijlage bij onderhavige beschikking gevoegd en maakt hiervan deel uit.

Feiten

In 2007 is het openbaar ministerie een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘Golf’ gestart tegen de belanghebbende [belanghebbende] en anderen wegens onder andere faillissementsfraude, valsheid in geschrift en omkoping. In dat strafrechtelijk onderzoek is op 29 augustus 2007 door de rechter-commissaris een machtiging strafrechtelijk financieel onderzoek afgegeven. Binnen dit onderzoek zijn op diverse data op de voet van artikel 94a Sv beslagen gelegd.

Op 22 april 2010 is vervolgens door de rechter-commissaris een machtiging ex artikel 103 Sv tot een maximumbedrag van € 20.000.000,- afgegeven en op 2 oktober 2015 is voorts door de rechter-commissaris een machtiging ex artikel 103 Sv tot een maximumbedrag van € 42.253.198,95 afgegeven.

Bij vonnis van deze rechtbank van 19 juli 2013 is de belanghebbende [belanghebbende] veroordeeld ter zake van omkoping, valsheid in geschrift, bedrieglijke bankbreuk, meineed en het bezit van een vals reisdocument. Door het openbaar ministerie is bij de behandeling van de strafzaak tevens een ontnemingsvordering aangekondigd.

Bij arrest van 30 juni 2015 heeft het gerechtshof Den Haag de belanghebbende vrijgesproken van de bedrieglijke bankbreuken, meineed en het bezit van een vals reisdocument. De belanghebbende is veroordeeld voor omkoping en valsheid in geschrift. Tegen dit arrest is door het openbaar ministerie cassatie ingesteld.

Op 21 mei 2015 is de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, welk voordeel thans wordt geschat op € 42.253.198,95, aan de belanghebbende betekend.

Bij kennisgeving per email van 4 februari 2016 is namens de officier van justitie kenbaar gemaakt dat het beslag dat onder de klaagster 2 is gelegd is opgeheven.

Standpunten klaagsters en standpunt officier van justitie

De klaagsters hebben zich op het standpunt gesteld dat de beslagen onrechtmatig zijn gelegd, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 94a onder het vierde en het vijfde lid Sv. De transacties als gevolg waarvan de klaagsters over het beslagen vermogen zijn komen te beschikken, hebben een volstrekt legitiem karakter en daaraan lag telkens een reëel economisch motief en perspectief ten grondslag. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat op enig moment sprake is geweest van een schijnconstructie met als doel de uitwinning bij de belanghebbende te bemoeilijken. Het openbaar ministerie heeft ook niet inzichtelijk gemaakt of aangetoond waarom de klaagsters geweten zouden hebben of hadden moeten vermoeden dat sprake zou zijn van transacties met als kennelijk doel de uitwinning te bemoeilijken.

De klaagsters hebben zich daarnaast nog op het standpunt gesteld dat de voortduring van de beslagen onrechtmatig is, omdat daarvoor geen grond meer bestaat nu [belanghebbende] is vrijgesproken van de feiten waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn gebaseerd. Met de gegeven vrijspraken ten aanzien van de bedrieglijke bankbreuken is de grondslag van de ontnemingsvordering en van de, ten behoeve van de ontnemingsvordering gelegde, beslagen komen te ontvallen, waardoor de gelegde beslagen niet, althans niet langer, rechtmatig zijn.

De officier van justitie heeft zich voor wat betreft het klaagschrift van klaagster 3 op het standpunt gesteld dat klaagster 3 niet ontvankelijk in haar beklag dient te worden verklaard. Namens klaagster 3 is op 29 januari 2008 een klaagschrift ingediend. Bij beschikking van 16 september 2008 is dit klaagschrift ongegrond verklaard. Thans zijn door klaagster 3 geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht, waardoor niet voldaan is aan de voorwaarden voor het indienen van een hernieuwd beklag.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de beklagen van de klaagsters 1 en 2 ongegrond dienen te worden verklaard, nu niet buiten redelijke twijfel vast kan worden gesteld dat de klaagsters als eigenaar kunnen worden aangemerkt. De feiten en omstandigheden die in de processen-verbaal met nummers [pvnr-1] en [pvnr-2] zijn gepresenteerd, laten enerzijds zien dat de voorwerpen aan een ander zijn gaan toebehoren om het verhaal te frustreren en anderzijds om bewust twijfel te creëren over de werkelijke eigendom. Deze werkwijze brengt met zich dat niet meer buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld wie de daadwerkelijke en/of formele eigenaar is.

De officier van justitie heeft zich in de derde plaats op het standpunt gesteld dat het beklag voor wat betreft de door de klaagsters gestelde onrechtmatigheid van het (voortduren van het) beslag wegens de vrijspraken voor de bedrieglijke bankbreuken onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd is. Nu geen sprake is van een algehele vrijspraak, laat staan een onherroepelijke uitspraak, bestaat thans geen reden om de ontnemingsprocedure te beëindigen of afwijzing hiervan te vrezen. Het belang van strafvordering is nog steeds onverkort gediend bij het voortduren van de conservatoire beslagen die dienen tot zekerheid van het recht van verhaal van een op te leggen ontnemingsmaatregel en/of geldboete. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, een ontnemingsmaatregel zal opleggen.

Ontvankelijkheid klaagster 2

Met betrekking tot het klaagschrift van de klaagster 2 overweegt de rechtbank het volgende.

Op 4 februari 2016 is namens de officier van justitie de teruggave gelast van hetgeen onder de klaagster 2 in beslag was genomen. Nu deze last is gegeven, heeft de klaagster 2 geen belang meer bij de behandeling van het beklag. Of de daadwerkelijke teruggave van het inbeslaggenomene nog niet heeft plaatsgevonden, doet daar niet aan af.

De klaagster 2 zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in het beklag.

Ontvankelijkheid klaagster 3

Met betrekking tot het klaagschrift van klaagster 3 overweegt de rechtbank het volgende.

Een hernieuwd beklag is slechts mogelijk op grond van nieuwe feiten en omstandigheden.

Bij beschikking van 16 september 2008 is ten gronde beslist op een door klaagster 3 ingediend beklag tegen de inbeslagneming van hetzelfde voorwerp. Klaagster 3 heeft in haar huidige klaagschrift andere argumenten of omstandigheden gesteld dan die waarover bij voormelde beschikking een oordeel is gegeven. Immers, de veroordeling door het gerechtshof was op dat moment nog niet bekend.

Klaagster 3 zal daarom ontvankelijk worden verklaard in het beklag.

Beoordeling klachten

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

Bij de behandelingen van de klaagschriften in raadkamer is namens de klaagsters zeer uitvoerig betoogd dat er geen strafvorderlijk belang is bij handhaving van het beslag en dat de situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde lid, Sv niet aan de orde is.

Het openbaar ministerie heeft naar aanleiding van de onderbouwde argumenten van de klaagsters ruime gelegenheid gekregen kenbaar te maken op basis waarvan ten aanzien van het (resterende) beslag het strafvorderlijk belang thans nog aanwezig is. Gelet op het gevoerde verweer, de diverse raadkamerbehandelingen, het tijdsverloop en met name de heroverwegingen van het beslag in de overige klaagschriften, mag van de officier van justitie worden verwacht dat zij dit concreet en goed onderbouwd aangeeft. De officier van justitie heeft dit nagelaten. Als meest dragend argument voor de handhaving van het beslag worden de feiten en omstandigheden die in de processen-verbaal met nummers [pvnr-1] en [pvnr-2] zijn gepresenteerd genoemd. Nu de officier van justitie in de klaagschriftprocedure van [betrokkene] en [klaagster 2] inmiddels besloten heeft tot teruggave van (delen van) het beslag, terwijl ook die beslagen in de voornoemde processen-verbaal worden beschreven, is de enkele herhaalde verwijzing naar deze processen-verbaal tegenover de onderbouwde argumenten van de klaagsters volstrekt ontoereikend om het strafvorderlijk belang bij de voortduring van het beslag ook nu nog voldoende aanwezig te achten.

Gelet hierop worden de klaagschriften van de klaagsters 1 en 3 gegrond verklaard

Beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van RK-nummer 15/2664:

- verklaart het beklag gegrond;

- gelast de teruggave van het beslag aan de klaagster.

Ten aanzien van RK-nummer 15/2667:

- verklaart de klaagster niet ontvankelijk.

Ten aanzien van RK-nummer 15/2668:

- verklaart de klaagster ontvankelijk;

- verklaart het beklag gegrond;

- gelast de teruggave van het beslag aan de klaagster.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.C. van Reekum, voorzitter,

en mrs. S.M. den Hollander en A.E. Kleene-Krom, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kegreisz, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2016.

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na dagtekening daarvan en de klager binnen veertien dagen na betekening daarvan cassatie instellen.