Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1465

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-02-2016
Datum publicatie
11-01-2022
Zaaknummer
4517329 / VV-EXPL 15-507
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Werkgeefster is vrij de arbeidsovereenkomst van een (langer dan 104 weken) arbeidsongeschikte werkneemster in stand te laten (bijv. vanwege niet verschuldigd willen zijn van transitievergoeding), ook als de arbeidsovereenkomst feitelijk inhoudsloos was

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0084
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4517329 / VV EXPL 15-507

uitspraak: 6 november 2015

vonnis in kort geding van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. C.J.M.M. Verwijmeren,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GOM SCHOONHOUDEN B.V.,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E.D. Breugelmans - Tanis

Hierna worden eiseres als “ [eiseres] ” en gedaagde als “Gom” aangeduid.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van het exploot van dagvaarding van 14 oktober 2015, met producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2015, alwaar partijen en hun gemachtigden zijn verschenen en, mr. Breugelmans - Tanis aan de hand van overgelegde pleitnotities, hun standpunten hebben toegelicht.

1.3.

De datum voor de uitspraak van dit vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties, voor zover niet betwist, wordt in deze procedure van de volgende feiten uitgegaan.

2.1.

[eiseres] is op 29 januari 2007 in dienst getreden van Gom in de functie van medewerkster algemeen schoonmaakonderhoud voor (laatstelijk) 127 uur per 4 weken periode, tegen een periodeloon van € 1.427,48 bruto exclusief 8% vakantietoeslag.

2.2.

[eiseres] heeft zich op 2 juli 2013 arbeidsongeschikt gemeld voor de bedongen werkzaamheden wegens ernstige lichamelijke klachten.

2.3.

Bij beslissing van 24 april 2015 van het UWV is bepaald dat [eiseres] geen recht heeft op een WIA-uitkering. In de hieraan ten grondslag liggende arbeidsdeskundige rapportage is geoordeeld dat haar eigen werk als schoonmaakster niet langer ‘passend’ is, maar is vanwege geschiktheid voor andere passende arbeid het percentage arbeidsongeschiktheid van [eiseres] op 0,0% vastgesteld.

2.4.

Bij brief van 9 juni 2015 heeft Gom aan [eiseres] een voorstel tot beëindiging van het dienstverband met een beëindigingsovereenkomst gedaan. [eiseres] heeft dit voorstel afgewezen.

2.5.

Bij brief van 9 september 2015 heeft [eiseres] aan Gom verzocht om binnen één week te berichten of zij voornemens is het dienstverband met [eiseres] op te zeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, en binnen welke termijn dit zal geschieden. Gom heeft hierop niet gereageerd.

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert om bij wege van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Gom te veroordelen tot opzegging van het tussen partijen bestaande dienstverband conform het bepaalde in artikel 7:669 lid 3 sub b) Burgerlijk Wetboek, op straffe van de in het petitum genoemde dwangsom, met veroordeling van Gom in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] voert ter onderbouwing van de vordering aan dat haar belang bij de vordering is gelegen in de transitievergoeding waarop zij bij opzegging door Gom recht heeft. Gom handelt in strijd met goed werkgeverschap door eerst aan [eiseres] een beëindigingsvoorstel te doen, maar vervolgens alsnog van beëindiging van het dienstverband af te zien en de arbeidsovereenkomst inhoudsloos te laten voortbestaan, enkel om aan de verschuldigdheid van een transitievergoeding te ontkomen. [eiseres] ondervindt nog steeds beperkingen ten aanzien van het schoonmaakwerk in haar functie en heeft tot op heden geen nieuwe betrekking of passend werk elders kunnen vinden. De transitievergoeding wenst [eiseres] zo snel mogelijk aan te wenden voor her- en bijscholing om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Het belang van [eiseres] bij opzegging van het dienstverband door Gom is voorts gelegen in haar eerst dan uit te keren tegoed aan vakantiedagen, dat aan verjaring onderhevig is.

3.3.

Op het gemotiveerde verweer van Gom zal, waar nodig, hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Voor toewijzing van een vordering in kort geding is slechts plaats, indien voldoende aannemelijk is dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is.

4.2.

Hoewel begrijpelijk is dat [eiseres] zichzelf met de middelen uit een transitievergoeding wenst bij te scholen naar ander passend werk (dat bij Gom niet voorhanden is), acht de kantonrechter dit belang niet zodanig spoedeisend dat een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. [eiseres] heeft haar voornemen tot

her-/bijscholing hiertoe niet geconcretiseerd en met de gestelde spoedeisendheid rijmt niet dat [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd niet heeft kunnen aangegeven welke scholingsactiviteiten zij op het oog heeft. In het gestelde tegoed aan vakantiedagen acht de kantonrechter evenmin een zelfstandig spoedeisend belang gelegen. Gom heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven een verzoek van [eiseres] tot uitbetaling van haar openstaande tegoed aan vakantiedagen te zullen inwilligen. Indien zij zich hieraan niet houdt, kan [eiseres] zelf door beëindiging van het dienstverband uitkering hiervan bewerkstelligen. Overigens is het moment waarop de gestelde verjaring een feit zal zijn nog geenszins nabij.

4.3.

Op grond van het voorgaande dient de vordering al door gebrek aan spoedeisend belang te worden afgewezen. Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog het volgende.

4.4.

Hetgeen [eiseres] vraagt verdraagt zich niet met het karakter van een voorlopige voorzieningen procedure. Hetgeen [eiseres] verlangt is immers geen ordeningsmaatregel zolang tussen partijen een rechtsverhouding nog niet in rechte vast staat, maar een veroordeling een, op zich niet in discussie zijnde, rechtsverhouding (blijvend) te beëindigen. Bovendien is de vordering van [eiseres] om Gom te veroordelen tot opzegging van de arbeidsovereenkomst ook in een bodemprocedure niet toewijsbaar. Gom voert terecht aan dat zij niet gerechtelijk tot opzegging kan worden gedwongen, nu in artikel 7:669 BW vermeld is dat de werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen indien daar een redelijke grond voor is. Daaruit volgt dat een werkgever niet verplicht is op te zeggen en hier om hem moverende redenen (zoals bijvoorbeeld het niet verschuldigd willen zijn van een transitievergoeding) van af kan zien. Dit geldt ook in de onderhavige situatie waarin [eiseres] arbeidsongeschikt is voor haar functie-uitoefening bij Gom en geen passend werk voorhanden is. Het is ter vrije bepaling van Gom om het hierdoor feitelijk inhoudsloze dienstverband in stand te laten, waarbij zij wel het risico neemt dat wel [eiseres] , indien er weer re-integratiemogelijkheden zijn, aanspraak kan maken op werkhervatting. Voorts past het door [eiseres] gevraagde niet in het huidige wettelijke systeem nu Gom voor een rechtsgeldige opzegging een voorafgaand verkregen ontslagvergunning van het UWV Werkbedrijf nodig heeft. Onduidelijk is dan ook nog eens hoe de vordering van [eiseres] in dit licht moet worden verstaan.

Indien [eiseres] in de onderhavige situatie beëindiging van het dienstverband wenst af te dwingen, met een aan haar toekomende vergoeding, dient zij al met al een ontbindingsverzoek ex artikel 7:671c BW in te dienen. Zij kan zich dan gronden op slecht werkgeverschap en een billijke vergoeding vorderen.

4.5.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding,

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Gom vastgesteld op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. van Breevoort - de Bruin en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

789