Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1188

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
3769155 CV EXPL 15-2248
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kwalificatie arbeidsovereenkomst/stageovereenkomst - kennelijk onredelijk ontslag - gevolgencriterium - verstoorde arbeidsverhouding verwijtbaar aan werkgever

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/506
AR-Updates.nl 2016-0174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3769155 CV EXPL 15-2248

uitspraak: 19 februari 2016

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van:

[eiser],

wonende te Maassluis,

eiser,

gemachtigde: mr. J.P.W. van Bohemen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

G.J. van Velzen Gerechtsdeurwaarderskantoor B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E.G. Karel.


Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “Van Velzen”.

Verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

1. de dagvaarding, ter griffie ingekomen op 12 januari 2015;

2. de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie,

3. het tussenvonnis van 26 maart 2015, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

4. de brief zijdens Van Velzen;

5. de brief zijdens [eiser];

6. het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 7 juli 2015;

7. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

1. De feiten

1.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

1.2

[eiser] is op 25 juli 2005 bij Van Velzen in dienst getreden in de functie van juridisch medewerker voor de duur van zes maanden. Later is deze arbeidsovereenkomst omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

1.3

Daarnaast volgde [eiser] de opleiding HBO Rechten, met als afstudeerrichting Gerechtsdeurwaarder. Om die opleiding te kunnen voltooien diende [eiser] stage te lopen als kandidaat-gerechtsdeurwaarder. Van Velzen bood hem die gelegenheid. Daartoe hebben partijen op 10 februari 2011 een stageovereenkomst gesloten, waarin – voor zover relevant – het volgende is bepaald:

Artikel 1

Aanvulling op arbeidsovereenkomst

1. Tussen partijen bestaat reeds een arbeidsovereenkomst.

2. De onderhavige overeenkomst beoogt die arbeidsovereenkomst aan te vullen om – in het kader van de stage die de stagiair moet doorlopen op grond van het bepaalde in het Besluit opleiding en stage kandidaat-gerechtsdeurwaarder – te waarborgen dat de stagiair voldoende ervaring kan opdoen in de beroepsuitoefening van een gerechtsdeurwaarder en om vaardigheden te verkrijgen c.q. te versterken die voor de uitoefening van de ambtspraktijk van belang zijn.

3. In geval van een mogelijk conflict tussen bepalingen uit de arbeidsovereenkomst en uit de onderhavige overeenkomst prevaleren de bepalingen uit de arbeidsovereenkomst met dien verstande dat dit plaatsvindt op een wijze waarbij de belangen van de stagiair, welke belangen bestaan uit het naar behoren vervullen van de stage, zoveel mogelijk in acht worden genomen.

(…)

Artikel 4

Verplichtingen van de stageverlener:

(…)

3. De stageverlener zorg ervoor dat de stagiair, (…), minimaal 24 uur per week aan ambtshandelingen en werkzaamheden daarmee verband houdende besteedt ongeveer vijftig procent daarvan binnen het kantoor verricht en ongeveer vijftig procent buiten het kantoor, maar in elk geval niet minder dan ongeveer veertig procent binnen het kantoor.

(…)

Artikel 6

Geschillenbeslechting

Alle geschillen uit hoofde van deze overeenkomst of van nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg mochten zijn, zullen worden beslecht door de stagecoördinator, na consultatie van gerechtsdeurwaarders die bij de afstudeerrichting GDW zijn betrokken.

(…)”

1.4

Daarnaast hebben partijen op 22 maart 2011 een aanvullende stageovereenkomst gesloten. Daarin zijn – voor zover relevant – de volgende bepalingen opgenomen.


“(…)

Algemeen

1. Tussen partijen bestaat reeds een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor de functie van juridisch medewerker.

2. Werkgever verleent zoveel mogelijk zijn medewerking aan het volgen van de stage/studie die voor werkgever en stagiair van belang worden geacht.

(…)

periode

1. De stageperiode vangt aan op 1 maart 2011, en wordt aangegaan tot het moment dat de stage succesvol is beëindigd, danwel bij gebrek aan succes op een andere wijze zal eindigen.

2. Tussentijdse opzegging geschiedt met inachtneming van één maand altijd tegen de eerste van een maand, inhoudende dat stagiair voor werkgever arbeid verricht tot en met de laatste werkdag van voorafgaande maand.

(…)

salaris

1. Het brutosalaris van stagiair bedraagt euro 3000 per maand op basis van een werkweek van veertig uren.

kosten

1. De kosten van het lidmaatschap van de beroepsorganisatie Kbvg waar stagiair zelf voor aansprakelijk is zal door werkgever worden vergoed voor de periode dat stagiair als kandidaat werkzaam is geweest.

2. Parkeerkosten (bonnen en toltunnels) voor zakelijk gebruik worden door werkgever vergoed.

3. Reiskosten voor studie worden door werkgever vergoed.

(…)

Beëindiging

1. Na beëindiging van de stage zal bij goed gevolg door partijen worden overwogen of een arbeidsovereenkomst voor kandidaat-deurwaarder zal worden aangegaan op nog nader te bepalen voorwaarden. Indien partijen geen overeenstemming hieromtrent bereiken of bij een niet succesvolle beëindiging van de stage zal de arbeidsovereenkomst van juridisch medewerker zoals die golden onder de voorwaarden op 1 januari 2011 weer van kracht worden.

2. Ingeval van onvoldoende studieresultaten heeft de werkgever het recht de stageovereenkomst te ontbinden.

3. Indien stagiair voortijdig stopt of deze stage niet met goed gevolg afrondt om een reden die geheel of in overwegende mate aan stagiair is te wijten dient stagiair de studiekosten en contributie KBVG aan werkgever terug te betalen voor de periode dat stagiair niet meer werkzaam is als kandidaat.

4. Indien de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt beëindigd op initiatief van stagiair of op initiatief van werkgever om een reden die geheel of in overwegende mate aan stagiair is te wijten dient stagiair de studiekosten en contributie KBVG aan werkgever terug te betalen voor de periode dat stagiair niet meer werkzaam is als kandidaat.

5. Het terug te betalen bedrag is onmiddellijk opeisbaar zodra artikel 2 en/of 3 zich voordoet

6. Werkgever behoudt zich het recht om dit bedrag te verrekenen met de tegoeden (salaris, vakantiegeld) die werkgever van stagiair onder zich heeft.

(…)”

1.5

Bij brief van 23 mei 2011 heeft Van Velzen aan [eiser] onder meer meegedeeld:

“Hierbij bevestig ik mijn ontbinding van onze stageovereenkomst van vrijdag 20 mei j.l. vanwege ernstige tekortkomingen in jouw verrichte ambtshandelingen, welke reeds genoegzaam bekend zijn.

Voorzover te zijner tijd zal komen vaststaan dat geen gronden voor ontbinding aanwezig waren zeg ik hierbij de stageovereenkomst op tegen de eerst mogelijke datum.

Vanaf 20 mei j.l. geldt onze arbeidsovereenkomst als juridisch medewerker weer onder de voorwaarden zoals die golden op 1 januari 2011.

(…)”

1.6

Bij brief van 27 mei 2011 heeft [eiser] zich, kort gezegd, verzet tegen de ontbinding en opzegging van de stageovereenkomst door Van Velzen.

1.7

Op 4 augustus 2011 heeft [eiser] in kort geding wedertewerkstelling gevorderd van Van Velzen. Die vordering heeft [eiser] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ingetrokken.

1.8

Van Velzen heeft het UWV verzocht haar toestemming te verlenen de arbeidsovereenkomst met [eiser] op te zeggen wegens disfunctioneren. Het UWV heeft die toestemming op 24 oktober 2011 verleend op de grond dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding.

1.9

Bij brief van 24 oktober 2011 heeft Van Velzen de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 30 november 2011.

2. De vordering in conventie

2.1

[eiser] vordert dat Van Velzen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van:

  1. een bedrag ter grootte van het netto equivalent van € 9.658,44 bruto ten aanzien van de loonvordering over de periode 20 mei 2011 tot 1 december 2011, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

  2. een bedrag ter grootte van het netto equivalent van € 42.120,00 bruto ter zake van de gefixeerde schadevergoeding uit hoofde van het onregelmatig ontslag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

  3. een bedrag ter grootte van het netto equivalent van € 10.000,00 bruto ter zake van de schade geleden als gevolg van de studievertraging, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

  4. een bedrag ter grootte van € 902,06 netto ten aanzien van het onterecht ingehouden salaris in verband met studiekosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

  5. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over een bedrag van € 2.465,72, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 16 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

  6. een bedrag ter grootte van het netto equivalent van € 184.349,54 bruto ten aanzien van de schadevergoeding wegens het kennelijk onredelijk ontslag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

  7. een bedrag van € 2.930,90 ten aanzien van de door [eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  8. de proceskosten, daaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien Van Velzen niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan die veroordeling voldoet.

2.2

[eiser] legt aan zijn vordering – samengevat – het volgende ten grondslag.

De stageovereenkomst moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Van Velzen kon die overeenkomst niet buitengerechtelijk ontbinden of opzeggen zonder toestemming van het UWV. De stageovereenkomst is daarmee van kracht gebleven tot 1 december 2011. Over de periode van 20 mei 2011 tot 31 december 2011 heeft Van Velzen ten onrechte slechts € 1.600,00 bruto per maand uitbetaald, in plaats van het verschuldigde loon van € 3.000,00 bruto per maand. Van Velzen vordert het verschil, met vakantiegeld en wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW.

2.3

Van Velzen heeft voorts de stageovereenkomst onregelmatig opgezegd. De stageovereenkomst vermeldt geen opzegtermijn, zodat Van Velzen die eerst op kon zeggen op het moment dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigde, op 1 januari 2013. [eiser] vordert de gefixeerde schadevergoeding vanaf 1 december 2011 tot en met 31 december 2012.

2.4

[eiser] heeft daarnaast loonschade geleden doordat hij 10 maanden studievertraging heeft opgelopen door het ten onrechte beëindigen van de stageovereenkomst. Het verschil in loon tussen een kandidaat-gerechtsdeurwaarder en een stagiair bedraagt € 1.000,00 bruto per maand.

Van Velzen heeft verder ten onrechte eerst enige tijd een bedrag van € 2.465,72 aan studiekosten ingehouden op het loon van [eiser] en later alsnog een bedrag van € 902,06.

2.5

Tot slot stelt [eiser] dat de opzegging van 24 oktober 2011 kennelijk onredelijk was. De door het UWV aangenomen duurzame verstoring van de arbeidsverhouding is veroorzaakt door de gedragingen van Van Velzen, en niet aan [eiser] te wijten. Het ontslag heeft grote onzekerheid met zich gebracht voor wat betreft de voortzetting van studie en carrière en het behoud van zijn inkomen. Subsidiair stelt hij dat Van Velzen tekort is gekomen in de nakoming van de arbeidsovereenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld.

3. Het verweer in conventie

3.1

Van Velzen voert primair aan dat aan de dagvaarding een tweetal nietigheden kleeft: zowel de datum van dagvaarding als de datum waartegen is gedagvaard is onjuist.

3.2

Subsidiair beroept zij zich ten aanzien van de vorderingen gegrond op de kennelijke onredelijkheid van de opzegging op verjaring, en daarnaast op rechtsverwerking. Zij betwist dat [eiser] de verjaringstermijn heeft gestuit. Daarnaast heeft [eiser] nagelaten een beroep te doen op de geschillenregeling in de stageovereenkomst. Meer subsidiair betwist zij dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag en meest subsidiair betwist zij de hoogte van de daardoor geleden schade.

3.3

Ten aanzien van de vorderingen 1, 2 en 3 betwist zij dat de stageovereenkomst niet rechtsgeldig of onregelmatig zou zijn geëindigd. Zij betwist voorts schadevergoeding verschuldigd te zijn wegens studievertraging. Evenmin heeft zij ten onrechte studiekosten ingehouden. Dat was haar op grond van de stageovereenkomst toegestaan.

4. De vordering en het verweer in reconventie
4.1 In reconventie vordert Van Velzen dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.591,04 aan door haar voorgeschoten studiekosten, te vermeerderen met wettelijke rente. Het verweer van [eiser] in reconventie volgt uit zijn standpunt in conventie.

4.2

Op de stellingen van partijen in conventie en in reconventie wordt – voor zover relevant – hierna nader ingegaan.

Beoordeling van het geschil

Nietigheid dagvaarding

5.1

Als meest verstrekkende verweer heeft Van Velzen de nietigheid van de dagvaarding ingeroepen. Daartoe stelt zij dat de datum van dagvaarding en de datum waartegen is gedagvaard onjuist zijn. Die stelling is juist; het is evident dat ten onrechte het jaar 2014 staat vermeld, waar 2015 is bedoeld. Daarmee is sprake van gebreken in het exploot (artikel 45 lid 3 Rv respectievelijk artikel 111 lid 2 sub f Rv). Die gebreken brengen echter slechts nietigheid met zich voor zover aannemelijk is dat Van Velzen daardoor onredelijk is benadeeld (artikel 66 lid 1 Rv respectievelijk artikel 122 lid 1 Rv). Nu Van Velzen tijdig in het geding is verschenen en de verschrijving verder kennelijk geen gevolgen heeft gehad, is daarvan geen sprake. De dagvaarding is dan ook niet nietig.

Bevoegdheid

6.1

Van Velzen stelt dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen, omdat hij zich ten onrechte niet heeft gewend tot de stagecoördinator. Daartoe verwijst zij naar het arbitragebeding in artikel 6 van de stageovereenkomst van 10 februari 2011. [eiser] heeft in dat verband onweersproken gesteld dat hij zich wel tot de stagecoördinator heeft gewend, maar dat deze weigerde een oordeel te vellen over het geschil tussen partijen. In die omstandigheden moet het [eiser] geacht worden vrij te staan zich (alsnog) tot de kantonrechter te wenden. Het standpunt van Van Velzen faalt.

Rechtsverwerking

7.1

Van Velzen voert voorts aan dat [eiser] enige rechten gegrond op de opzegging van de stageovereenkomst heeft verwerkt doordat hij, nadat een eerder kort geding daarover door hem op formele gronden was ingetrokken, geen nieuw kort geding heeft aangebracht, maar zijn werkzaamheden in zijn oude functie heeft hervat. [eiser] betwist dat hij bij Van Velzen het vertrouwen heeft gewekt dat hij geen vordering meer in zou stellen.

7.2

De kantonrechter stelt voorop dat van rechtsverwerking sprake kan zijn indien [eiser] zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht (HR 7 juni 1991, RvdW 1991, 149). Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij Van Velzen het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiser] zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, hetzij de positie van Van Velzen onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in het geval [eiser] zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende (HR 29 september 1995, NJ 1996, 89).

7.3

Met inachtneming van die maatstaf heeft Van Velzen onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld. Het enkele feit dat [eiser], na een op formele gronden ingetrokken dagvaarding in kort geding, niet direct een nieuwe dagvaarding heeft uitgebracht brengt niet met zich dat Van Velzen er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [eiser] geen vordering meer in zou stellen. Het verweer faalt.

Kwalificatie van de stageovereenkomst

8.1

[eiser] grondt zijn vordering onder 1 op nakoming van de stageovereenkomst. Daartoe stelt hij dat Van Velzen die stageovereenkomst niet eenzijdig kon opzeggen of ontbinden, omdat deze gekwalificeerd moet worden als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Er is sprake van een schriftelijke overeenkomst tot arbeid tegen loon en een gezagsverhouding. [eiser] komt daarom ontslagbescherming toe.

8.2

Van Velzen betwist dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en daarmee dat [eiser] ontslagbescherming toekomt. De oorspronkelijk arbeidsovereenkomst is niet beëindigd, terwijl partijen niet twee fulltime arbeidsovereenkomsten naast elkaar kunnen overeenkomen. De stage diende er slechts toe [eiser] te kunnen beoordelen en op te leiden. De stageovereenkomst maakte deel uit van de achterliggende arbeidsovereenkomst.

8.3

Bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Voorts is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, in hun onderling verband worden bezien (vgl. HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495 (Groen/Schoevers)). Voor de beantwoording van de vraag of een stageovereenkomst als arbeidsovereenkomst kan worden gekwalificeerd heeft als maatstaf te gelden of de werkzaamheden van de stagiair naar de bedoeling van partijen zozeer zijn gericht op het uitbreiden van eigen kennis en ervaring van de stagiair, zulks mede met het oog op de voltooiing van zijn opleiding, dat van een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt voor de andere arbeid te verrichten niet kan worden gesproken. Daaruit volgt dat het erop aankomt of het verrichten van de werkzaamheden van de stagiair in overwegende mate in het belang is van de opleiding die deze volgt (vgl. HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3019).

8.4

Met inachtneming van die maatstaf is de kantonrechter van oordeel dat de stageovereenkomst, zoals die per 10 februari 2011 is gesloten (productie 4 bij dagvaarding) en per 22 maart 2011 is gewijzigd (productie 3 bij dagvaarding), als een wijziging van de eerdere arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Dat oordeel vindt steun in de volgende omstandigheden. Niet in geschil is dat sprake is van een gezagsverhouding en loon. Daarnaast is voldaan aan het criterium arbeid. Ten eerste heeft [eiser] een aanzienlijke salarisverhoging (van 87,5%) ontvangen vanaf het aangaan van de stageovereenkomst, welke salarisverhoging niet in de rede ligt indien de stage enkel gericht was op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de stagiair, en daarmee eerder duidt op productieve werkzaamheden. Ten tweede bleef de stage/studie van [eiser] afhankelijk van de medewerking van Van Velzen, in die zin dat artikel 2 van de overeenkomst van 22 maart 2011 bepaalt dat Van Velzen daaraan zoveel mogelijk zijn medewerking verleent. In die zin was de studie ondergeschikt aan de productieve werkzaamheden. Ten derde is de bestaande arbeidsovereenkomst nooit beëindigd met het doel een (zuivere) stageovereenkomst te sluiten, de arbeidsovereenkomst is slechts aangevuld met de stagewerkzaamheden. Dit volgt ook uit de door de directeur en de gemachtigde van Van Velzen afgelegde verklaringen ter comparitie. De gemachtigde heeft verklaard dat de stageovereenkomst deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst, terwijl de directeur heeft verklaard dat hij de stageovereenkomst beschouwde als een (tijdelijke en voorwaardelijke) functiewijziging. Uit die omstandigheden en verklaringen moet worden geconcludeerd dat het sluiten van de stageovereenkomst moet worden gekwalificeerd als een wijziging van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst, en dus niet als een daarvan losstaande overeenkomst. Om die reden kon Van Velzen de veranderde arbeidsvoorwaarden niet eenzijdig (terug)wijzigen naar de voorwaarden zoals die voorheen golden, omdat daarvoor een wijzigingsbeding vereist zou zijn, dat ontbreekt. Evenmin kan de opzegging worden beschouwd als een door [eiser] op grond van het goed werknemerschap te accepteren voorstel in de zin van het arrest Stoof/Mammoet (HR 11 juli 2008, LJN BD1847). De stelling van Van Velzen dat de kwaliteit van het werk van [eiser] niet voldeed aan de voorwaarden van het hogere loon, en dat zij dat loon daarom niet verschuldigd was, slaagt niet. Indien daarvan sprake was had zij de arbeidsovereenkomst op die grond moeten laten ontbinden dan wel opzeggen. Van Velzen is daarmee het hogere loon van na de functiewijziging verschuldigd gebleven. Nu de hoogte van het gevorderde achterstallig loon door haar niet is weersproken, is de vordering toewijsbaar, inclusief de daarover verschuldigde wettelijke verhoging en rente, met dien verstande dat de rente geacht wordt te zijn gevorderd vanaf 5 januari 2012 in plaats van 5 januari 2011, nu die laatste datum gelegen is vóór het verschuldigd worden van de onderhavige loonbedragen.

Onregelmatige opzegging

9.1

[eiser] vordert daarnaast gefixeerde schadevergoeding omdat Van Velzen de geldende opzegtermijn niet in acht heeft genomen bij haar opzegging (tegen 1 december 2011) van 24 oktober 2011. In de stageovereenkomst was geen opzegtermijn opgenomen, zodat Van Velzen gehouden was het loon door te betalen tot het moment dat die stageovereenkomst, als arbeidsovereenkomst, van rechtswege eindigde. Daarvan was sprake op het moment dat de stage van [eiser] eindigde, zijnde op 1 januari 2013.

9.2

Naast het reeds besproken verweer dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst voert Van Velzen aan dat in de stageovereenkomst een tussentijdse opzegmogelijkheid en opzegtermijn zijn opgenomen en daarnaast dat [eiser] geen schade heeft geleden.

9.3

Het verweer van Van Velzen slaagt. Zowel in de originele arbeidsovereenkomst als in de stageovereenkomst is bepaald dat (tussentijdse) opzegging mogelijk is met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. Nu die opzegtermijn door Van Velzen in acht is genomen, is van onregelmatige opzegging geen sprake. De daarop gegronde vordering is niet toewijsbaar.

Kennelijk onredelijk ontslag

10.1

[eiser] stelt voorts dat de opzegging van 24 oktober 2011 kennelijk onredelijk is.

Van Velzen voert daartegen primair aan dat die vordering is verjaard. Niet (langer) is in geschil dat [eiser] steeds binnen de geldende verjaringstermijn van zes maanden (7:683 lid 1 BW oud) brieven heeft verzonden aan Van Velzen, maar Van Velzen betwist dat die brieven als stuitingshandelingen kunnen worden beschouwd, omdat het voor haar tot 8 april 2014 niet duidelijk was wat de vorderingen van [eiser] inhielden.

10.2

Conform artikel 3:317 lid 1 BW wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis – in het onderhavige geval de verplichting tot schadevergoeding – gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Daaraan kan niet de eis worden gesteld dat deze nauwkeurig de vordering omschrijft waarvoor de schuldeiser zich het recht op nakoming voorbehoudt, met aanwijzing van de correcte juridische grondslag; wel noodzakelijk is dat het voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering is bedoeld (HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1494 en HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9615). Aan die voorwaarden is in de stuitingsbrieven van [eiser] (productie 15 bij dagvaarding) voldaan, nu [eiser] daarin zijn recht op schadevergoeding wegens de kennelijk onredelijke beëindiging van het dienstverband uitdrukkelijk voorbehoudt. Daarmee moet het voor Van Velzen voldoende duidelijk zijn geweest dat zij zich zou moeten verweren tegen een schadevergoedingsvordering volgend uit het ontslag van [eiser], waarbij [eiser] bovendien de thans gebruikte grondslag al heeft vermeld. Van verjaring van de vordering is daarmee geen sprake. De vordering zal inhoudelijk worden besproken.

10.3

[eiser] stelt dat Van Velzen in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van de ontslagvergunning zonder daarbij aan [eiser] een redelijke vergoeding toe te kennen. Het UWV heeft niet vastgesteld dat hem enig verwijt kan worden gemaakt. De arbeidsverhouding is eerst vanaf 12 mei 2011 verstoord geraakt, naar aanleiding van een discussie over het gebruik van de zakelijke auto. Daarop heeft Van Velzen ten onrechte de stageovereenkomst opgezegd en is zij in gebreke gebleven het volledige salaris van [eiser] te voldoen. De verstoorde arbeidsverhouding is daarmee aan Van Velzen te wijten.

De gevolgen van het ontslag waren daarnaast groot voor [eiser], nu hij daardoor in onzekerheid kwam te verkeren over de voortzetting van zijn studie, carrière en het behoud van zijn inkomen, aldus [eiser].

10.4

Van Velzen betwist dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. De enkele omstandigheid dat geen vergoeding is aangeboden is daarvoor onvoldoende. [eiser] heeft zijn ontslag aan zichzelf te wijten, en heeft voorts geen schade geleden door het ontslag, aldus Van Velzen.

10.5

Overwogen wordt dat [eiser] op zichzelf niet stelt dat geen sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding. Daarmee is in beginsel sprake van een redelijke grond voor het gegeven ontslag; van Van Velzen kan immers niet verwacht worden dat de arbeidsovereenkomst in die omstandigheden wordt voortgezet. De kantonrechter begrijpt de vordering van [eiser] daarom aldus dat hij zich beroept op het ‘gevolgencriterium’ van artikel 7:681 lid 2 sub b BW (oud), in die zin dat, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging.

10.6

Onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad Van de Grijp/Stam (LJN BJ6596) en Rutten/Breed (LJN BK4472) en van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 oktober 2011 (LJN BU2031) stelt de kantonrechter daarbij voorop dat bij de beoordeling van de vordering van [eiser] eerst aan de hand van alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag tezamen en in onderling verband moet worden vastgesteld dat ingevolge het gevolgencriterium sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, voordat aan de orde komt welke vergoeding eventueel aan [eiser] moet worden toegekend. Het enkele feit dat geen of slechts een beperkte voorziening voor [eiser] is getroffen, is in ieder geval niet voldoende om aan te nemen dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van de beëindiging van het dienstverband geheel of ten dele voor rekening van Van Velzen dienen te komen. Daarbij kan in het onderhavige geval worden gedacht aan de situatie dat vast komt te staan dat de verstoorde arbeidsverhouding in overwegende mate aan Van Velzen kan worden verweten (vgl. Rb. Amsterdam, 9 april 1997, JAR 1997/86, Rb. Midden-Nederland, 4 februari 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:1625, r.o. 4.32). De stelplicht – en bij voldoende betwisting de bewijslast – van die stellingen rust op [eiser].

10.7

De gestelde gevolgen van het ontslag zijn op zichzelf onvoldoende ernstig om te kunnen concluderen dat Van Velzen daarom van het ontslag af had moeten zien. [eiser] heeft in dat verband enkel gesteld dat het ontslag grote onzekerheid met zich bracht voor wat betreft de voortzetting van zijn studie en carrière en het behoud van zijn inkomen. De twee laatstgenoemde onzekerheden doen zich voor bij elk ontslag en zijn als zodanig niet uitzonderlijk ernstig. De nadelige gevolgen voor het voortzetten van zijn studie zijn, vanwege de kennelijke verplichting een stage af te ronden, reëel, maar [eiser] heeft zich niet uitgelaten over de te verwachten moeilijkheden bij het vinden van een nieuwe stage. Daarnaast heeft [eiser] ter comparitie nog gesteld dat hem in een ontbindingsprocedure bij de kantonrechter waarschijnlijk een vergoeding was toegekend. Zoals reeds is overwogen is die enkele omstandigheid onvoldoende om het oordeel te kunnen dragen dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag.

10.8

Daarmee resteert de stelling dat het ontstaan van de – op zich geldige – ontslagreden, de verstoorde arbeidsverhouding, in het geheel aan Van Velzen te wijten is. Daartoe stelt [eiser] dat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt doordat Van Velzen ten onrechte niet het volledige salaris uitbetaalde en in strijd met dwingend recht bedragen verrekende met het salaris. Daarnaast frustreerde Van Velzen de opleiding van [eiser] door te weigeren hem officiële ambtshandelingen te laten verrichten.

10.9

Van Velzen heeft die stellingen slechts weersproken door te stellen dat [eiser] zijn ontslag volledig aan zichzelf te wijten heeft. Die stelling, die overigens onvoldoende onderbouwd is, strookt ook niet met de erkenning van Van Velzen ter comparitie dat zij in strijd met dwingend recht bedragen heeft verrekend met het salaris vóór het einde van het dienstverband. Daarnaast is reeds onder 8.4 vastgesteld dat zij ten onrechte de stageovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd en ten onrechte het daarmee gemoeide hogere loon niet heeft uitbetaald. Daarmee staat vast dat Van Velzen een aantal concrete verwijten treft die bijgedragen hebben aan de verstoring van de arbeidsverhouding.

10.10

Door Van Velzen zijn daarentegen geen concrete oorzaken voor de verstoring van de arbeidsverhouding aangevoerd die [eiser] kunnen worden verweten. Van Velzen beroept zich enkel op het gestelde disfunctioneren van [eiser]. In dat verband wordt overwogen dat een eventueel disfunctioneren van [eiser] niet aan het uiteindelijk verleende ontslag ten grondslag is gelegd. Daarom is dat disfunctioneren voor de onderhavige beoordeling alleen relevant indien het heeft bijgedragen aan de wel aan het ontslag ten grondslag gelegde verstoorde arbeidsverhouding en [eiser] van dat bijdragen een verwijt kan worden gemaakt. Daarvan zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn indien [eiser] op een dusdanige manier gereageerd heeft op het hem verweten disfunctioneren dat daardoor de arbeidsverhouding verstoord is geraakt. Een zodanige stelling is door Van Velzen echter niet ingenomen. Het enkele disfunctioneren kan daarom niet als aan [eiser] te wijten oorzaak van de verstoorde arbeidsverhouding worden beschouwd. Daarmee is vast komen te staan dat de verstoorde arbeidsverhouding in overwegende mate Van Velzen kan worden verweten, en daarmee evenzeer de noodzaak tot ontslag. In die omstandigheden is het kennelijk onredelijk om de arbeidsovereenkomst met [eiser] op te zeggen zonder enige voorziening voor hem te treffen. [eiser] kan daarom aanspraak maken op schadevergoeding.

Schadevergoeding

11.1

[eiser] heeft zijn schade begroot aan de hand van de website www.hoelangwerkloos.nl. Uitgaande van een werkloosheidsduur van 454 dagen en een kans op uitstroom naar een baan van 82%, en met aftrek van de te verwachten uitkering, komt hij voor die periode op een bedrag van € 29.220,97. Daarnaast vordert hij een bedrag van € 154.128,60 aan inkomensschade op basis van de mogelijkheid dat [eiser] tot zijn pensioen geen andere baan vindt.

11.2

Van Velzen betwist dat [eiser] schade heeft geleden. Zij voert aan dat [eiser] heeft nagelaten om concrete en verifieerbare gegevens aan te dragen voor de door hem geleden schade. Eventuele schade komt niet voor rekening van Van Velzen.

11.3

Bij de beantwoording van de vraag welke vergoeding in geval van kennelijk onredelijk ontslag billijk is, dienen alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in aanmerking te worden genomen. De na het einde van de dienstbetrekking intredende omstandigheden dienen buiten beschouwing te worden gelaten, behoudens voor zover daaruit aanwijzingen zijn te putten voor hetgeen uiterlijk op het tijdstip van ingang van het ontslag kon worden verwacht met betrekking tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4804). Daarbij geldt dat de vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 BW een bijzonder karakter heeft, in die zin dat deze vooral ertoe dient aan de benadeelde een zekere mate van genoegdoening te verschaffen die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming van de wederpartij. Daarmee strookt dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft op grond van alle omstandigheden de hoogte van de schadevergoeding te bepalen. De algemene regels van Boek 6 BW zijn op de begroting van de schadevergoeding van toepassing. Derhalve moet de rechter de schade begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is (artikel 6:97 BW). Alleen indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij geschat (vgl. het reeds aangehaalde arrest Rutten/Breed en Hof ‘s-Hertogenbosch, 10 november 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4486).

11.4

Uit deze maatstaf volgt dat het standpunt van Van Velzen dat [eiser] geen schade heeft geleden, omdat hij direct een andere baan vond, niet ter zake doet, omdat die omstandigheid zich na het einde van het dienstverband heeft voorgedaan. Uitgegaan moet immers worden van de te verwachten inkomensschade op het moment van het onredelijke ontslag. Daarnaast wordt overwogen dat de website hoelangwerkloos.nl in de rechtspraak wordt geaccepteerd als een hulpmiddel voor de objectieve bepaling van de verwachte werkloosheidsduur en de kans op uitstroom in een baan (vgl. het door [eiser] als productie 16 overgelegde artikel). De daartegen gerichte, zeer algemene bezwaren van Van Velzen gaan, nu hij evenmin een bruikbaar alternatief biedt, niet op. Nu daartegen verder geen verweren zijn gevoerd, is de gevorderde inkomensschade gedurende de verwachte werkloosheidsdagen (het bedrag van

€ 29.220,97) toewijsbaar.

11.5

Voor toewijzing van de verwachte schade in het geval [eiser] tot zijn pensioen geen nieuwe baan vindt bestaat echter onvoldoende grond. Daartoe wordt overwogen dat indien die mogelijkheid zich zou voordoen, hetgeen gelet op de leeftijd en het opleidingsniveau van [eiser] niet voor de hand ligt, die schade niet in redelijkheid als direct gevolg van het ontslag door Van Velzen kan worden beschouwd. Daarnaast zou de daarvoor gevraagde vergoeding niet in overeenstemming zijn met het verwijt dat Van Velzen kan worden gemaakt. Volstaan wordt daarom met toewijzing van het bedrag van € 29.220,97, inclusief de rente daarover.

Studievertraging en vertraging in salarisontwikkeling

12.1

[eiser] stelt verder dat hij schade lijdt doordat het door hem betaalde collegegeld en de bijdragen aan KBvG bij inachtneming van de opzegtermijn door Van Velzen waren gedragen. Daaraan heeft hij echter geen vordering verbonden, zodat die stelling wordt gepasseerd.

12.2

Daarnaast stelt [eiser] dat hij studievertraging heeft opgelopen doordat Van Velzen weigerde hem na 20 mei 2011 nog officiële ambtshandelingen te laten verrichten. Daardoor kon hij zijn verplichte stage pas op 1 januari 2013 afronden, in plaats van op 1 maart 2012. Omdat tussen een kandidaat-gerechtsdeurwaarder en een stagiair een verschil in salaris van € 1.000,00 bruto per maand bestond, heeft [eiser] over die periode een bedrag van € 10.000,00 aan schade geleden.

12.3

Van Velzen betwist dat [eiser] enige schade heeft geleden door de beëindiging van de stage. Daarnaast betwist hij het gestelde salarisverschil. De vertraging in de studie is volledig veroorzaakt door [eiser] zelf, omdat hij laks zou zijn en al eerder studievertraging had opgelopen. Daarnaast had hij een nieuwe stage kunnen zoeken.

12.4

Van Velzen weerspreekt daarmee niet dat op haar een verplichting rustte [eiser] ambtshandelingen te laten verrichten, die vereist waren voor zijn studie, en dat zij die verplichting niet is nagekomen. Die verplichting is, gelet op het onder 8.4 overwogene, ook na 20 mei 2011 blijven bestaan. Daarmee is vanaf die datum sprake van een tekortkoming. De stelling dat de studievertraging veroorzaakt zou zijn door de laksheid van [eiser] is door Van Velzen op geen enkele wijze onderbouwd. Dat [eiser] in het verleden eerder studievertraging had opgelopen kan niet als een onderbouwing worden beschouwd.

12.5

Daarnaast faalt de stelling van Van Velzen dat [eiser] elders een nieuwe stage had moeten zoeken. De kantonrechter begrijpt die stelling aldus dat Van Velzen een beroep doet op de schadebeperkingsplicht ex artikel 6:101 BW van [eiser]. Voor een geslaagd beroep op dat artikel is vereist dat Van Velzen concreet stelt dat [eiser] niet heeft voldaan aan hetgeen redelijkerwijs met het oog op de beperking van de schade van hem mocht worden gevergd. (vgl. HR 12 april 1985, NJ 1986, 809, r.o. 3.5 en HR 8 juli 2011, NJ 2001, 632, r.o. 3.4.2). Geoordeeld wordt dat van [eiser] in redelijkheid niet kon worden gevergd dat hij elders een stage zou zoeken – en daarvoor waarschijnlijk zijn arbeidsovereenkomst met Van Velzen had moeten beëindigen – omdat Van Velzen zelf haar verplichtingen niet nakomt. Van Velzen heeft dan ook niet aan haar stelplicht op dat punt voldaan. Zij kan daarmee aansprakelijk worden gesteld voor de door [eiser] geleden schade.

12.6

Van Velzen betwist de hoogte van die schade door het gestelde salarisverschil tussen een stagiair en een kandidaat-deurwaarder te betwisten. Daarop heeft [eiser] een verklaring van [B.], directeur van deurwaarderskantoor Van den Bergh & Partners B.V., in het geding gebracht. [B.] verklaart dat [eiser] bij het afronden van zijn stage een salarisverhoging van € 1.100,00 heeft gekregen, hetgeen gebruikelijk is en bij voormeld deurwaarderskantoor de praktijk is. Daarop is door Van Velzen niet meer gereageerd, terwijl dat wel op haar weg had gelegen. Van Velzen heeft het gestelde salarisverschil daarmee onvoldoende onderbouwd weersproken, zodat van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan.

12.7

Daarmee staat vast dat Van Velzen in de periode 20 mei 2011 – 1 december 2011 tekort is gekomen in de op haar rustende verplichting [eiser] ambtshandelingen te laten verrichten. Daardoor heeft [eiser] in die periode van 6 maanden geen vooruitgang kunnen boeken met zijn studie. Nu het afronden van die studie [eiser] een salarisverhoging van minimaal

€ 1.000,00 bruto per maand zou opleveren, kan de als gevolg van de tekortkoming van Van Velzen geleden schade begroot worden op (6 x € 1.000,00 =) € 6.000,00 bruto. Vanaf 1 december 2011 is echter niet langer sprake van een tekortkoming, nu de arbeidsovereenkomst vanaf dat moment was geëindigd. Voor het meer gevorderde heeft [eiser] dan ook onvoldoende gesteld. Toewijsbaar is een bedrag van € 6.000,00 bruto.

(Ingehouden) studiekosten in conventie en in reconventie

13.1

[eiser] vordert betaling van onterecht op zijn loon ingehouden studiekosten, ten bedrage van € 902,06, te vermeerderen met de wettelijke rente en wettelijke verhoging ex 7:625 BW. Hij stelt daartoe dat hij, op grond van het studiekostenbeding, alleen gehouden is zijn studiekosten terug te betalen indien de stage op zijn initiatief is geëindigd. Daarvan is geen sprake. Daarnaast mocht Van Velzen op grond van artikel 7:632 BW de studiekosten hoe dan ook niet verrekenen met het loon, aldus [eiser].

13.2

Van Velzen betwist dat het studiekostenbeding als voorwaarde voor terugbetaling stelt dat de beëindiging op initiatief van de stagiair heeft plaatsgevonden. Ook in geval de beëindiging op initiatief van de werkgever plaatsvindt is de stagiair de studiekosten verschuldigd. [eiser] is bovendien wel degelijk de veroorzaker van de noodzaak tot beëindiging geweest.

13.3

Overwogen wordt dat zowel artikel 10 van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst als de punten 3 en 4 onder het kopje ‘Beëindiging’ van de stageovereenkomst van 22 maart 2011 de terugbetaling van studiekosten regelen, maar niet op elkaar aansluiten. Nu de genoemde stageovereenkomst van later datum is en gesloten is ten behoeven van de stage waarvoor de onderhavige studiekosten – kennelijk – zijn gemaakt, wordt het ervoor gehouden dat het in die overeenkomst opgenomen studiekostenbeding geldt voor wat betreft de onderhavige studiekosten. Voor het ontstaan van een terugbetalingsverplichting stellen de punten 3 en 4, anders dan Van Velzen stelt, kort gezegd dat [eiser] zelf de stage of de arbeidsovereenkomst beëindigd of dat de beëindiging aan hem te wijten is. Van die eerste situatie is geen sprake, nu Van Velzen de stageovereenkomst heeft getracht te beëindigen bij brief van 23 mei 2011. Verder is onder 10.10 vastgesteld dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst aan Van Velzen kan worden verweten. Daarmee is dan ook niet voldaan aan de voorwaarden van het studiekostenbeding, zodat op [eiser] geen verplichting tot terugbetaling is komen te rusten. De geldigheid van het beding kan daarmee in het midden blijven. De vordering is toewijsbaar, inclusief de wettelijke verhoging en rente. De vordering in reconventie is om dezelfde redenen niet toewijsbaar.

13.4

Verder vordert [eiser] de wettelijke verhoging over een bedrag van € 2.465,72, omdat Van Velzen dit bedrag over de maanden mei, juni en juli 2011 ten onrechte heeft ingehouden op zijn loon. Gelet op het hierboven overwogene slaagt dat standpunt. Van Velzen heeft in mei 2011 een bedrag van € 1.477,68 ingehouden op het loon van die maand, en in juni en juli 2011 telkens een bedrag van € 494,02. Op 16 augustus 2011 is Van Velzen alsnog tot (terug)betaling overgegaan. Nu [eiser] zich niet heeft uitgelaten over het aantal werkdagen in die periode, zal de wettelijke verhoging ongespecificeerd worden toegewezen, inclusief de rente daarover.

Buitengerechtelijke kosten en proceskosten

14.1

Tot slot vordert [eiser] een bedrag van € 2.930,90 aan buitengerechtelijke incassokosten. Daartoe stelt hij dat de schade moest worden begroot, dat hij middels brieven heeft getracht Van Velzen tot betaling te bewegen en dat de gemachtigde een dossier moest aanmaken en bestuderen.

Van Velzen betwist dat meer buitengerechtelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden dan het versturen van de incassobrief van 8 april 2014 en het versturen van stuitingsbrieven. Deze stelling is door [eiser] niet meer weersproken, terwijl hij evenmin zijn stellingen nader heeft onderbouwd, zodat van de juistheid van het standpunt van Van Velzen wordt uitgegaan.

14.2

Overwogen wordt dat het versturen van een enkele aanmaning onvoldoende is om een vergoeding voor buitengerechtelijke incassowerkzaamheden te rechtvaardigen. De verzonden stuitingsbrieven kunnen niet als incassohandelingen worden beschouwd, nu daarin Van Velzen niet wordt gemaand tot betaling van enig bedrag over te gaan. De vordering is daarmee niet toewijsbaar.

14.3

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt Van Velzen in de proceskosten veroordeeld, met dien verstande dat die kosten worden berekend aan de hand van de tarieven die hadden gegolden indien [eiser] slechts het uiteindelijk toegewezen bedrag had gevorderd. De proceskosten bedragen daarmee € 560,19 aan verschotten en € 1.200,00 aan salaris voor de gemachtigde.

14.4

De gevorderde nakosten zijn niet toewijsbaar nu de wet voor deze kosten – voor zover dit vonnis daartoe een ontoereikende titel zou bieden – een speciale procedure heeft voorgeschreven in artikel 237 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Van Velzen aan [eiser] te betalen het netto equivalent van een bedrag van

€ 9.658,44 bruto ten aanzien van achterstallig loon over de periode 20 mei 2011 tot 1 december 2011, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex 7:625 BW van 50% over dat bedrag en eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 januari 2012 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Van Velzen aan [eiser] te betalen het netto equivalent van een bedrag van

€ 29.220,97 aan schadevergoeding op grond van het kennelijk onredelijk ontslag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 2011 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Van Velzen aan [eiser] te betalen het netto equivalent van een bedrag van

€ 6.000,00 bruto aan schade wegens studievertraging, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Van Velzen aan [eiser] te betalen een bedrag van € 902,06 aan ingehouden studiekosten, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over dat bedrag en eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Van Velzen aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging over het bedrag van € 1.477,68 aan in mei 2011 ingehouden loon, te berekenen over de periode 1 juni 2011 tot 16 augustus 2011, en te vermeerderen met de wettelijke rente over die verhoging vanaf 16 augustus 2011 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Van Velzen aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging over het bedrag van € 494,02 aan in juni 2011 ingehouden loon, te berekenen over de periode 1 juli 2011 tot 16 augustus 2011, en te vermeerderen met de wettelijke rente over die verhoging vanaf 16 augustus 2011 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Van Velzen aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging over het bedrag van € 494,02 aan in juli 2011 ingehouden loon, te berekenen over de periode 1 augustus 2011 tot 16 augustus 2011, en te vermeerderen met de wettelijke rente over die verhoging vanaf 16 augustus 2011 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Van Velzen in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 560,90 aan verschotten en € 1.200,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.L.M. van der Wildt en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

627