Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1131

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
ROT 15/2896
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het verrekenen van wederzijdse vorderingen is een vorm van invordering. Eisers stellen terecht dat verweerder met de verrekeningen in de uitkeringsspecificaties is overgaan tot invordering voordat eisers hadden verzuimd die bijstand terug te betalen binnen een gestelde termijn. Tot aan die uitkeringsspecificaties heeft verweerder immers niet vastgesteld dat eisers verplicht zijn tot betaling van een geldsom onder vermelding van de te betalen geldsom en de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden.

Dit betekent dat verweerder met de invordering bij de uitkeringsspecificaties zonder rechtsgeldige titel heeft verrekend, wat in strijd is met de artikelen 4:86, lid 1 en 2, 4:87, lid 1 en 4.97 van de Awb.

Omdat eisers door de verrekening onverschuldigd hebben betaald aan verweerder, was verweerder gehouden op grond van de artikelen 4:98 lid 1 en 4:97 lid 1, Awb gelezen in samenhang met artikel 6:199, lid 1, BW, tot het voldoen van die geldsom aan eisers en is hij wettelijke rente verschuldigd over de periode waarin hij dat heeft nagelaten

(datum uitkeringsspecificatie tot 6 weken nadat verweerder rechtmatig heeft besloten tot terugvordering).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/80

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 15/2896

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 februari 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats], eiseres, en [eiser], te [woonplaats], eiser (hierna tezamen: eisers),

gemachtigde: mr. S. Süzen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: M.E. Braak.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2014 (primair besluit I) heeft verweerder de betaling van de uitkering die eisers ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) hervat en een totaalbedrag van € 4.838,84 ingehouden op die uitkering.

Bij besluit van 23 juli 2014 (primair besluit II) heeft verweerder € 369,47 ingehouden op diezelfde uitkering.

Bij besluit van 5 november 2014 (primair besluit III) heeft verweerder besloten tot het terugvorderen van de teveel aan eiseres verstrekte uitkering over de periode van 20 december 2013 tot en met 31 maart 2014, ten bedrage van € 3.660,30.

Bij besluit van eveneens 5 november 2014 (primair besluit IV) heeft verweerder besloten tot het terugvorderen van de teveel aan eiser verstrekte uitkering over de periode van 20 december 2013 tot en met 31 maart 2014, ten bedrage van € 3.209,05 (€ 2.378,53 + € 830,52).

Bij besluit van 27 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2015. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door mr. T. Gümüs, namens hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen K. Effe, tolk.

Bij beslissing van 18 januari 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door mr. T. Gümüs, namens hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen K. Effe, tolk.

Op 5 februari 2016 heeft de enkelvoudige kamer van de rechtbank het onderzoek opnieuw heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Partijen hebben ermee ingestemd dat de rechtbank zonder nadere behandeling ter zitting uitspraak doet. De rechtbank heeft het onderzoek op 12 februari 2016 gesloten.

Overwegingen

1. Eisers ontvingen ieder afzonderlijk een uitkering op de voet van de Wwb naar de norm voor een alleenstaande (eiser) respectievelijk een alleenstaande ouder (eiseres). Het recht op uitkering van eiseres is met ingang van 1 april 2014 opgeschort. Eiser ontving sinds 25 maart 2014 geen uitkering meer. Op 15 mei 2014 deelt verweerder aan eisers mee dat zij vanaf die datum weer een bijstandsuitkering gaan ontvangen. Bij besluit van 20 mei 2014 deelt verweerder aan eisers mee dat hun uitkering vanaf 20 december 2013 gewijzigd wordt omdat er vanaf die datum sprake is van een gezamenlijke huishouding.

2. Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat eisers hun inlichtingenplicht hebben geschonden door niet onverwijld door te geven dat zij een gezamenlijke huishouding voeren vanaf 20 december 2013. De bedragen € 3.660,30 respectievelijk € 2.378,53 en € 830,52 zijn terecht teruggevorderd van eisers. Niet is gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

3. Met ingang van 1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden en is de Wwb komen te vervallen. Op grond van het overgangsrecht Wwb, geregeld in artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet, wordt indien een bezwaar- of beroepschrift vóór of op de datum van de inwerkingtreding van de Participatiewet is ingediend, beslist met toepassing van de Wwb. Dit is in de onderhavige zaak het geval.

Herziening

4. Bij besluit van 20 mei 2014 herziet verweerder het recht op bijstand van eisers vanaf 20 december 2013. Herziening van het recht op bijstand betreft de situatie waarin een of meer bijstandsgerechtigden wel recht hebben op bijstand, maar geen recht op het bedrag dat tot dan toe is verleend. Het bestuursorgaan wijzigt dan dus het recht op bijstand over een periode in het verleden. Anders dan eisers betogen, volgt dit uit de volgende tekst van voormeld besluit van 20 mei 2014:

“(…) Vanaf 20 december 2013 wijzigen wij uw uitkering voor levensonderhoud op grond van de Wwb. De reden hiervan is dat er vanaf die datum sprake is van een gezamenlijke huishouding met de heer [eiser], geboren 1 juni 1968 (…)”.

Ook als de rechtbank eisers zou volgen in hun impliciete betoog dat gebreken kleven aan dit besluit tot herziening, geldt dat het aan eisers was tijdig bezwaar te maken tegen dit besluit. Omdat eisers dit niet hebben gedaan, staat de rechtmatigheid van het besluit tot herziening van het recht van eisers op bijstand in rechte vast. De primaire besluiten III en IV zijn dan ook niet gericht op rechtsgevolg voor zover het het herzien betreft van het recht op bijstand van eisers vanaf 20 december 2013; dat rechtsgevolg was al ingetreden met het besluit van 20 mei 2014. Verweerder had de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten III en IV dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren voor zover die bezwaren betrekking hebben op de herziening van hun recht op bijstand per 20 december 2013. De rechtbank zal op dit punt op de in de beslissing te melden wijze zelf in de zaak voorzien.

Voor zover verweerder dat betoogt, betreft het besluit van 20 mei 2014 geen besluit tot terugvordering van ten onrechte aan eisers betaalde bijstand. Het besluit bevat geen tekst die daarop duidt.

Invordering

5. De rechtbank stelt ambtshalve oordelend vast dat eisers geen bezwaar hebben gemaakt binnen zes weken na primair besluit I en II. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers desondanks terecht ontvangen in hun bezwaren op dit punt.

Redelijkerwijs kan niet worden geoordeeld dat eisers in verzuim zijn geweest door niet tijdig bezwaar te maken tegen primair besluit I en II, omdat hun zonder voorafgaande wettelijk voorgeschreven besluiten tot terugvordering en zonder bezwaarclausule redelijkerwijs niet duidelijk behoefde te zijn dat de uitkeringsspecificaties besluiten zijn waartegen bezwaar openstond.

De rechtbank komt daarom toe aan de beoordeling van wat eisers op dit onderdeel betogen ter vernietiging van het bestreden besluit.

6. Eisers voeren aan dat de wijze waarop verweerder de vordering heeft ingevorderd onrechtmatig is. Naar de rechtbank begrijpt uit het beroepschrift en het verhandelde ter zitting is tussen partijen in geschil de invordering van de bedragen € 3.660,30 en € 2.378,53.

6.1.1.

Op grond van artikel 4:86, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de verplichting tot betaling van een geldsom bij beschikking vastgesteld en vermeldt de beschikking in ieder geval de te betalen geldsom en de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden.

6.1.2.

Op grond van artikel 4:87, eerste lid, van de Awb geschiedt de betaling binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. Op grond van artikel 4:97 van de Awb is de schuldenaar in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald. In lijn met deze artikelen kan het college naar het oordeel van de rechtbank pas overgaan tot invordering als een belanghebbende niet aan de vordering voldoet binnen de gestelde (nadere) termijn.

6.1.3.

Het verrekenen van wederzijdse vorderingen is een vorm van invordering.

6.2.

Eisers stellen terecht dat verweerder met de verrekeningen in de uitkeringsspecificaties van juni en juli 2014 (primaire besluiten I en II) is overgaan tot invordering voordat eisers hadden verzuimd die bijstand terug te betalen binnen een gestelde termijn. Tot aan die uitkeringsspecificaties heeft verweerder immers niet vastgesteld dat eiseres verplicht zijn tot betaling van een geldsom onder vermelding van de te betalen geldsom en de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden.

Dit betekent dat verweerder met de uitkeringsspecificaties van juni en juli 2014 zonder rechtsgeldige titel € 3.660,30 en € 2.378,53 heeft verrekend.

Pas bij besluiten van 5 november 2014 (primair besluit III en IV) stelt verweerder de verplichting vast tot terugbetaling van een geldsom en maakt hij duidelijk waarop hij de terugvordering baseert.

6.3.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank komt daarom niet toe aan het bespreken van het geschilpunt of verweerder bij de verrekeningen in juni en juli 2014 de beslagvrije voet juist in acht heeft genomen.

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 4:86 en 4:87 van de Awb voor zover dat betrekking heeft op de invordering. In het kader van finale geschillenbeslechting oordeelt de rechtbank verder als volgt.

Dringende redenen

8. Ter vernietiging van het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij besluit tot het handhaven van de besluiten tot het terugvorderen van de bedragen € 3.660,30 respectievelijk € 2.378,53 en € 830,52 (wat niet een besluitonderdeel is tot invordering), voeren eisers aan dat verweerder op grond van dringende redenen had moeten afzien van de besluiten tot het terugvorderen van bijstand.

8.1.

Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Wwb kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

8.1.1.

Dringende redenen zijn slechts gelegen in onaanvaardbare sociale en of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden.

8.2.

Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eisers het bestaan van een uitzonderlijke situatie niet aannemelijk maken. Dit volgt niet uit de enkele stelling ter zitting dat eisers drie maanden in broodnood hebben verkeerd, temeer eisers worden verondersteld voor heel 2014 wel bijstand te hebben ontvangen naar de norm van gehuwden en zij vanaf 20 december 2013 gedurende ruim drie maanden – de periode direct voorafgaand aan de gestelde broodnood – beduidend meer bijstand hebben ontvangen dan waar zij recht op hadden, wat voor hen redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn. Overigens heeft verweerder ter zitting verklaard dat op basis van de aflossingscapaciteit van eisers een betalingsregeling kan worden getroffen. Eisers stellen niet dat zij in dit verband een verzoek hebben gedaan aan verweerder.

De onrechtmatigheid van de hiervoor onder 6. beoordeelde invordering is geen gevolg van de besluiten tot terugvordering. Integendeel, de reden van die onrechtmatigheid is gelegen in het ontbreken van de besluiten tot terugvordering.

8.3.

Het betoog faalt. Het beroep is ongegrond voor zover dat is gericht tegen het terugvorderen van de bedragen € 3.660,30 respectievelijk € 2.378,53 en € 830,52.

Schadevergoeding

9. Eisers voeren aan dat verweerder de schade moet vergoeden die zij lijden als gevolg van de onrechtmatige invordering in juni en juli 2014.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding voorop dat, omdat de besluiten tot terugvordering rechtmatig zijn, verweerder na het nemen van die besluiten alsnog bevoegd was tot invordering van de teveel betaalde bijstand. De rechtbank ziet hierin aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de invordering geheel in stand blijven.

9.1.1.

Op grond van artikel 4:98, eerste lid, van de Awb, bezien in samenhang met 4:97, eerste lid van de Awb en voor zover thans van belang, heeft het verzuim om tijdig te betalen de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig artikel 119, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

9.1.2.

Artikel 6:119, eerste lid, van het BW bepaalt dat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Op grond van tweede lid wordt telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

9.2.

Omdat eisers in juni en juli 2014 door de verrekening € 4838,84 en € 369,47 onverschuldigd hebben betaald aan verweerder, was verweerder gehouden tot het voldoen van die geldsommen aan eisers en is hij wettelijke rente verschuldigd over de periode waarin hij dat heeft nagelaten.

Die periode begint voor het bedrag € 4.838,84 op 23 juni 2014 en voor het bedrag € 369,47 op 23 juli 2014. Ter finale geschilbeslechting stelt de rechtbank het einde van de periode voor beide bedragen vast op 17 december 2014. Dat is zes weken nadat verweerder op 5 november 2014 rechtmatig heeft besloten tot terugvordering van voormelde bedragen.

De wettelijke rente over het bedrag € 4.838,84 in de periode 23 juni 2014 tot en met 17 december 2014 bedraagt € 66,82. De wettelijke rente over het bedrag € 369,47 in de periode 23 juli 2014 tot en met 17 december 2014 bedraagt € 4,19.

Totaal bedraagt de verschuldigde wettelijke rente dus € 71,01 (€ 66,82 + € 4,19).

De stelling dat zij nog meer schade hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige invordering, onderbouwen eisers onvoldoende.

9.3.

De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding toewijzen tot het bedrag van € 71,01.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 45,- aan hen vergoeden.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.240,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen de herziening van het recht op bijstand en de invordering van de bedragen van € 3.660,30 en € 2.378,53;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verklaart de bezwaren van eisers tegen de herziening van het recht op bijstand niet‑ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de invordering geheel in stand blijven;

- verklaart het beroep ongegrond voor zover dat is gericht tegen het terugvorderen van de bedragen € 3.660,30 respectievelijk € 2.378,53 en € 830,52;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent eisers een schadevergoeding toe van € 71,01;

- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 45,- aan hen vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.240,-, door verweerder te betalen aan de gemachtigde van eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, voorzitter, en mr. I.M. Ludwig en

mr. B. van Velzen, leden, in aanwezigheid van mr. C.L. Heins, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.