Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:10403

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
10/741295-16 en 10/741275-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling penitentiair inrichtingswerker

Bedreiging met zware mishandeling penitentiair inrichtingswerker

Bedreiging medewerkster bar

Voorwaardelijk opzet op toebrengen zwaar letsel

Tbs met dwangverpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummers: 10/741295-16 en 10/741275-16

Datum uitspraak: 16 november 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Vught,

raadsvrouw mr. M.W. Bouwman, advocaat te Lettelbert.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2016.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. van Diemen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging).

Bewijs en bewezenverklaring feiten 1 primair, 2 en 3

bewijsverweer feit 1 primair

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van aangever - een medewerker van het Justitieel Complex Zaanstad - heeft begaan, nu er geen aanmerkelijke kans was op zwaar lichamelijk letsel. Op de camerabeelden is weliswaar te zien dat de verdachte schopt in de richting van het hoofd van aangever, maar de verdachte heeft geen gebruik gemaakt van een wapen. Aangever is door de schop richting zijn hoofd van de verdachte ook niet buiten bewustzijn geraakt.

Beoordeling

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte meermalen met kracht de aangever in zijn gezicht heeft gestompt en vervolgens, toen de aangever op de grond lag, meermalen met kracht in de richting van het gezicht dan wel het hoofd van aangever heeft geschopt.

Door de aangever meermalen in zijn gezicht te stompen en meermalen met kracht in de richting van zijn hoofd te schoppen, bestond de aanmerkelijke kans dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het hoofd dusdanig kwetsbaar is dat, indien daarop (fors) geweld wordt uitgeoefend, de aanmerkelijke kans bestaat dat dit zwaar lichamelijk letsel, of erger, tot gevolg kan hebben. De verdachte moet dit hebben geweten. Door niettemin te handelen zoals hij heeft gedaan heeft de verdachte willens en wetens die aanmerkelijke kans aanvaard. Bewezen wordt daarom geacht dat de verdachte met voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel van de aangever heeft gehandeld. Dat in dit geval geen zwaar lichamelijk letsel is ontstaan is een gevolg van het feit dat de aangever zijn gezicht met zijn handen heeft beschermd. Anders dan de raadsman kennelijk heeft willen betogen kan daaruit dus niet worden afgeleid dat de kans op zwaar letsel niet aanwezig was.

Verder bewijs en bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud opgenomen van de wettige bewijsmiddelen inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden voor de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde. Op grond daarvan en op grond van bovenstaande bewijsmotivering, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit feit heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van de wettige bewijsmiddelen inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden voor de bewezenverklaring van het onder 2 en 3 tenlastegelegde. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze feiten heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten begaan op die wijze dat:

1. primair

hij op of omstreeks 06 juli 2016 te Westzaan, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een medewerker van Justitiëel Complex Zaanstad, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- meermalen, althans éénmaal, in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd,

heeft geslagen en/of gestompt en/of

- ( met kracht) op/tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor deze medewerker ten

val is gekomen en/of (vervolgens)

- meermalen, althans éénmaal, in/op/tegen de richting van het gezicht en/of tegen het (boven)lichaam en/of de nek heeft geschopt en/of getrapt en/of in/op/tegen het gezicht heeft

geslagen, terwijl deze medewerker op de grond lag;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 14 mei 2016 tot en met 27 juni 2016 op 25 juni 2016 te Westzaan, gemeente Zaanstad, één of meerdere medewerker(s) van Justitiëel Complex Zaanstad heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, en/of verkrachting immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde medewerker(s) dreigend de woorden toegevoegd:

- " Ik kom je op de afdeling nog wel tegen, ik pak je nog wel een

keer je moet niet denken dat je van me af bent" en/of

- " Ik bewerk je met glas" en/of

- " Ik verkracht jullie dochters en neuk jullie moeders in de kont" en/of

- " Ik maak jullie dood"

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

(parketnummer 10/741275-16)

hij op of omstreeks 21 juni 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- een barkruk opgepakt en/of (vervolgens) opgetild en/of (vervolgens) aanstalten gemaakt

voornoemde barkruk in de richting van voornoemde [naam slachtoffer] te gooien en/of

- een dreigende houding aangenomen

en/of

voornoemde [naam slachtoffer] (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd:

- " Ik ga je doodmaken" en/of

- " Als de politie komt en ik ga naar de gevangenis dan kom ik toch vrij en dan

kom ik terug en maak ik jullie allemaal kapot",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 primair:

poging zware mishandeling;

2:

bedreiging met zware mishandeling;

3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering maatregel

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een medewerker van de penitentiaire inrichting waar hij destijds verbleef meermalen met kracht in het gezicht dan wel tegen het hoofd gestompt en in de richting van diens hoofd geschopt. Hierdoor had die medewerker zwaar letsel kunnen oplopen. Voorts heeft de verdachte op een ander moment een andere medewerker van de penitentiaire inrichting verbaal bedreigd. Toen hij weer op vrije voeten was heeft hij zich opnieuw schuldig gemaakt aan bedreiging. Hij heeft in een bar met een barkruk gedreigd en verbale bedreigingen geuit.

De verdachte is blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 oktober 2016, eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De door [naam deskundige 1] , psychiater, en [naam deskundige 2] , GZ-psycholoog, over de verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapporten van respectievelijk 13 oktober 2016 en 14 oktober 2016 houden - zakelijk weergegeven - het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een psychotische stoornis NAO, een persoonlijkheidsstoornis NAO met op de voorgrond borderline, antisociale trekken en een geringe frustratietolerantie. Tevens is sprake van epilepsie. Bovendien is sprake van middelengebruik (cannabis). Ten tijde van het plegen van de poging tot zware mishandeling bestond deze ziekelijke stoornis eveneens en beïnvloedde deze ziekelijke stoornis de gedragingen van de verdachte. Zijn zelfcontrole werd beperkt door de persoonlijkheidsstoornis die zich kenmerkt door een verhoogde kans op stemmingswisselingen zoals onredelijke boosheid en anderzijds door de verminderde controle over woede en agressieve impulsen. Dit mechanisme onttrekt zich deels aan de bewustheid van de verdachte.

Geadviseerd wordt om de verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

Aangezien de verdachte zich reeds meermalen heeft onttrokken aan behandeling en bijbehorend medicatiegebruik, er sprake is van een beperkt ziekte-inzicht en de kans op recidive als hoog wordt ingeschat, wordt een stevig en gedwongen behandelkader geadviseerd. Behandeling buiten een klinische setting - zoals het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) adviseerde in een rapport d.d. 21 juli 2015 - is thans niet meer mogelijk. Om die reden wordt door beide deskundigen TBS met dwangverpleging geadviseerd.

Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) heeft eveneens een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 oktober 2016. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte vertoont een delictspatroon dat gerelateerd kan worden aan zijn agressieproblematiek. Dit heeft veelvuldig reclasseringscontact alsmede opname in een FPA en vervolgens FPK tot gevolg gehad, steeds zonder succes. In 2015 kon de reclassering zich niet vinden in een advies van Pro Justitia rapporteurs, bestaande uit reclasseringscontact, gedragsmatige behandeling en begeleiding door een forensisch ACT-team, aangezien reeds drie toezichten waren mislukt. De reclassering was van mening dat een ambulant kader onvoldoende is voor het tegengaan van recidive. Ook werd een klinisch traject niet haalbaar geacht omdat in een eerder toezicht was gebleken dat de verdachte de voorwaarden overtrad en hij in klinieken meerdere strafbare feiten pleegde. TBS met voorwaarden werd onvoldoende geacht om het gevaars- en recidiverisico te kunnen inperken. In verband met een gevraagd advies omtrent voorwaarden bij een voorwaardelijke straf werd de verdachte voor een acht weken durende observatieperiode geplaatst in [naam instelling] om de eventuele doorstroom naar een RIBW-woning te beoordelen. Dit verliep moeizaam en de verdachte weigerde aldaar zijn medicatie. Door zijn dreigende houding was er een onveilige situatie op de afdeling ontstaan en is de verdachte ontslagen. De plaatsing in een RIBW waar de verdachte verbleef toen hij een van de onderhavige delicten pleegde is niet effectief gebleken. De reclassering blijft daarom bij het standpunt dat een ambulante of gewone klinische behandeling geen kans van slagen heeft: de problematiek is te ernstig en het ontbreekt de verdachte aan inzicht en motivatie.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

De verdediging heeft aangevoerd dat in afwijking van de vordering van de officier van justitie geen TBS met dwangverpleging moet worden opgelegd. Het rapport van het PBC d.d. 21 juli 2015 dat in verband met een andere zaak is uitgebracht betreft een uitvoerig en tamelijk recente rapportage. Daarin wordt geen TBS met dwangverpleging geadviseerd, mede omdat het escalatiegevaar buiten een gesloten setting minder groot wordt geacht dan binnen een klinische setting. Het door het PBC uitgebrachte en door de rechtbank gevolgde advies tot behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden, waaronder verplicht reclasseringstoezicht, begeleiding via een forensisch ACT-team en begeleid wonen via een forensische RIBW, is nog niet van de grond gekomen, zodat nog niets kan worden gezegd over het verloop. Gezien het ultimum-remedium karakter van TBS met dwangverpleging zal die behandeling eerst moeten worden hervat.

De rechtbank deelt dit standpunt van de verdediging niet. De rechtbank onderschrijft de conclusies van de gedragsdeskundigen psychiater [naam deskundige 1] en psycholoog [naam deskundige 2] dat oplegging van de TBS-maatregel met dwangverpleging noodzakelijk is. Deze rapporten zijn van recenter datum dan de rapportage van het PBC en zien op de geestesvermogens van de verdachte ten tijde van het plegen van de onderhavige delicten. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de inhoud van de rapporten waarin verdachtes psychische problematiek is beschreven, de ernst van de feiten en het gevaar voor geweldsrecidive, een terbeschikkingstelling noodzakelijk is, omdat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen die maatregel eist. Met de genoemde psychiater en psycholoog en de reclassering komt de rechtbank tot de conclusie dat alle minder ingrijpende behandelmethodes al zijn geprobeerd, waarbij de verdachte zich reeds meermalen heeft onttrokken aan behandeling en bijbehorend medicatiegebruik. Deze behandelmethodes zijn niet afdoende geweest om het strafbare grensoverschrijdende gedrag van verdachte te reduceren.

De rechtbank zal tevens bevelen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd, omdat uit het voorgaande, in het bijzonder de geschetste ernst van de bij verdachte bestaande psychische problematiek en de omvang van het gevaar dat verdachte wederom ernstige geweldsdelicten pleegt, blijkt dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen die verpleging eist.

De bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is

De ter beschikkingstelling wordt onder meer opgelegd ter zake van zware mishandeling. Dit betreft een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De totale duur van de TBS met dwangverpleging kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen: 37a, 37b, 45, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. K.A. Baggerman en J. Fransen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Zawierko, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 06 juli 2016 te Westzaan, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een medewerker van Justitiëel Complex Zaanstad, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- meermalen, althans éénmaal, in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, heeft geslagen

en/of gestompt en/of

- ( met kracht) op/tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor deze medewerker ten val is

gekomen en/of (vervolgens)

- meermalen, althans éénmaal, in/op/tegen het gezicht en/of het (boven)lichaam en/of de nek

heeft geschopt en/of getrapt en/of in/op/tegen het gezicht heeft geslagen, terwijl deze

medewerker op de grond lag;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 juli 2016 te Westzaan, gemeente Zaanstad, een medewerker van Justitiëel Complex Zaanstad heeft mishandeld door hem/haar

- meermalen, althans éénmaal, in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan en/of te

stompen, en/of

- met kracht op/tegen het lichaam te duwen, waardoor deze medewerker ten val is gekomen

en/of (vervolgens)

- meermalen, althans éénmaal, op/tegen het (boven)lichaam en/of de nek te schoppen en/of

in/op/tegen het gezicht te slaan, terwijl deze medewerker op de grond lag;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 14 mei 2016 tot en met 27 juni 2016 te Westzaan, gemeente Zaanstad, één of meerdere medewerker(s) van Justitiëel Complex Zaanstad heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

en/of verkrachting

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde medewerker(s) dreigend de

woorden toegevoegd:

- " Ik kom je op de afdeling nog wel tegen, ik pak je nog wel een keer je moet niet denken

dat je van me af bent" en/of

- " Ik bewerk je met glas" en/of

- " Ik verkracht jullie dochters en neuk jullie moeders in de kont" en/of

- " Ik maak jullie dood"

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

(parketnummer 10/741275-16)

hij op of omstreeks 21 juni 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- een barkruk opgepakt en/of (vervolgens) opgetild en/of (vervolgens) aanstalten gemaakt

voornoemde barkruk in de richting van voornoemde [naam slachtoffer] te gooien en/of

- een dreigende houding aangenomen

en/of

voornoemde [naam slachtoffer] (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd :

- " Ik ga je doodmaken" en/of

- " Als de politie komt en ik ga naar de gevangenis dan kom ik toch vrij en dan

kom ik terug en maak ik jullie allemaal kapot",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht