Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:10263

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
C/10/447451 / HA ZA 14-328
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Summary in English

This decision concerns international procedural aspects of proceedings for limitation of liability of a seagoing ship.

Smith, Delfborg, as the owners of the m/v ‘Delfborg’, and Wagenborg, as the charterer of the vessel, (in this judgment referred to as the respondents) have made applications to the Rotterdam Court for limitation of their liability in connection with claims made by Baltic Cable (the claimant) for damage suffered due to an alleged contact between an anchor of the ‘Delfborg’ with a cable owned by Baltic Cable lying in the Baltic Sea off the coast of Trelleborg, Sweden. On 15 March 2013 Baltic Cable brought an action against the respondents before the Court of Malmö, Sweden. On 1 May 2013 Wagenborg brought an action against Smith and Delfborg before the Court of Northern-Netherlands (Rechtbank Noord-Nederland). Thereupon Smith and Delfborg made an application to the Rotterdam Court for limitation of their liability. After the establishment of a limitation fund by these applicants, Wagenborg joined the limitation proceedings. In the scope of the verification of the claims made by Baltic Cable in the limitation proceedings, the supervisory judge has referred the matter to the full Court. The claimant Baltic Cable challenges the jurisdiction of the Court arguing that the courts of the Netherlands lack jurisdiction, alternatively that the Rotterdam Court should await the outcome of the proceedings before the Malmö Court for reason of lis pendens.

The Rotterdam Court held that the Netherlands courts have jurisdiction in this matter indeed. The Court reasoned as follows.

1. It follows from the decision of the Netherlands Supreme Court in the case of the ‘Vertrouwen’ (ECLI:NL:HR:1994:ZC1522) and the preparatory works to article 642r lid 2 DCCP that a claimant in limitation proceedings may challenge the jurisdiction of the Court not only in the first phase of the proceedings, when the limitation fund is established, but also in the phase of referral to the full Court.

Given the action brought by Wagenborg against Smith and Delfborg, the requirement of article 11, section 1 of the directly applicable Convention on Limitation of Liability for Maritime Claims of London 1976 as amended by the Protocol of 1996 (LLMC), which Convention has been incorporated into Dutch law, was complied with when Smith and Delfborg made the application for limitation of liability.

As a limitation fund had been established by Smith and Delfborg, the requirement of article 11 section 3 LLMC was complied with at the time Wagenborg made its application.

Although limitation proceedings fall within the scope of the Council Regulation (EU) No. 44/2001 on jurisdiction, recognition and enforcement of judgments in civil and commercial matters (Brussels I Reg), this Regulation does not provide rules on jurisdiction with respect to such proceedings, except article 7. From the wording of article 7 Brussels I Reg and the travaux préparatoires to this article, it follows that article 7 does not purport to limit the jurisdiction of the courts of the Member State in which the shipowner has its domicile. In this connection the Court considered that limitation proceedings in the Netherlands are not directed to one (or more) specific claimants, but to any and all parties which may make a claim in respect of the incident.

Neither the Brussels I Reg nor the Netherlands regulations on limitation of liability make a distinction between limitation proceedings and fund proceedings. The Netherlands regulations provide that limitation of liability can only be invoked if a limitation fund is established. Therefore one cannot distinguish between limitation proceedings and fund proceedings.

As each of the respondents is domiciled in the Netherlands, in principle the courts of the Netherlands have jurisdiction. In addition, in accordance with the DCCP the Netherlands courts have jurisdiction with respect to the applications for limitation of liability based on the domiciles of each of the respondents and on the ‘Delfborg’ being a ship registered in the Netherlands.

The Court did not follow Baltic Cable’s allegation that Wagenborg abused Dutch procedural law and brought the proceedings against Smith and Delfborg to the Northern-Netherlands Court without an actual interest.

2. The Rotterdam Court held that the proceedings before the Malmö Court do not restrict the jurisdiction of the Netherlands courts, however that the decisions of the former Court on liability and on quantum should be awaited. The Court reasoned as follows.

It is common ground between the parties that the same parties are involved in the proceedings before the Malmö Court and the Rotterdam Court.

From the decision of the ECJ in the matter of the ‘Cornelis Simon’ (ECLI:EU:C:2004:615) it follows that an application to a court of a Member State by a shipowner (like the respondents to the Court) for the establishment of a liability limitation fund, in which the party alleging a claim is indicated as interested party (like Baltic Cable is in the application) and an action for damages brought before a court of another Member State by that interested party (Baltic Cable) against the shipowner (the respondents) do not create a situation of lis pendens within the terms of Article 27 of the Brussels I Reg.

The Court considered the wording of the claim document, by which the proceedings before the Malmö Court were initiated, and found that the issue of limitation of liability was not submitted to the latter Court prior to the application made by Smith and Delfborg to the Rotterdam Court. Therefore a situation of lis pendens on the issue of limitation of liability does not exist.

However, as the issues of liability and quantum in respect of the incident where submitted before the Malmö Court prior to the application for limitation of liability before the Rotterdam Court and as these issues are the same in both sets of proceedings, these proceedings involve the same cause of action within the terms of article 27 Brussels I Reg. Therefore the Court adjourns the matter on these issues awaiting the outcome of the proceedings in Sweden.

Nederlandse samenvatting

Beperking van aansprakelijkheid van zeeschip ‘Delfborg’. Internationale bevoegdheid. Forumshopping? Litispendentie met een procedure tussen partijen voor het gerecht in Malmö, Zweden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
CMI107
AR 2017/929
S&S 2017/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/447451 / HA ZA 14-328

Vonnis van 21 december 2016

in de zaak van:

de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

BALTIC CABLE AB,

gevestigd te Malmö, Zweden,

eiseres in renvooi,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.J. Sturm,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WAGENBORG SHIPPING B.V.,

gevestigd te Delfzijl,

2. de commanditaire vennootschap

C.V. M.S. DELFBORG,

gevestigd te Assen,

3. [verweerder sub 3],

handelende voor zich alsmede als enige beherende vennoot van C.V. ms. Delfborg,

wonende te Assen,

verweerders in renvooi,

verweerders in het incident,

advocaat aanvankelijk mr. V.R. Pool, thans mr. T. van der Valk.

Eiseres zal hierna ook “Baltic Cable” genoemd worden. Verweerders zullen respectievelijk “Wagenborg”, “Delfborg” en “ [verweerder sub 3] ” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

De onderhavige zaak is een renvooizaak van de door Wagenborg, Delfborg en [verweerder sub 3] ingeleide procedures tot beperking van aansprakelijkheid, bij de rechtbank aanhangig onder kenmerken C/10/424631 / HA RK 13-425 en C/10/431722 / HA RK 13-787.

Bij beschikking van 12 februari 2014 heeft de rechter-commissaris partijen naar de rolzitting van 26 maart 2014 verwezen ter beslissing van de daarin genoemde onderwerpen van geschil. Partijen hebben zich in de renvooiprocedure gesteld.

1.2.

Baltic Cable heeft een incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, exceptie van litispendentie/connexiteit genomen en daarbij tien producties in het geding gebracht.

Verweerders hebben een conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid, exceptie van litispendentie/connexiteit genomen en daarbij 21 producties in het geding gebracht.

1.3.

Partijen hebben hun zaken laten bepleiten ter zitting van 15 april 2015. Mr. Sturm heeft gepleit namens Baltic Cable, mrs. Den Haan en Van der Kuil namens verweerders. Bij de pleidooien is van de zijde van verweerders in het geding gebracht de brief van mrs. Den Haan en Van der Kuil van 14 april 2015 met bijlage. Van de pleidooizitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.4.

Partijen hebben vonnis gevraagd.

1.5.

Naar aanleiding van een verzoek vanwege Baltic Cable en na verweerders daarop te hebben gehoord, heeft de rechtbank het debat tussen partijen heropend en de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van aktes over (i) de beslissing van het gerecht te Malmö, Zweden, van 22 juni 2015 en (ii) de vraag of en vanaf welk moment het onderwerp van beperking van aansprakelijkheid bij het gerecht in Malmö aanhangig is.

1.6.

Baltic Cable heeft een akte houdende overlegging productie genomen en daarbij overgelegd een “Protokoll” van het Malmö Tingsrätt, Avdelning 1, Enhet 16 van 22 juni 2015 tezamen met een vertaling in het Engels van dat stuk.

Verweerders hebben een antwoordakte genomen en daarbij overgelegd een in het Zweeds gestelde “appeal statement” van 25 september 2015 tezamen met een vertaling in het Engels van dat stuk, alsmede een “Protokoll” van het Hovrätten över Skåne och Blekinge, Avdelning 1, Rotel 12 van 22 december 2015 tezamen met een vertaling in het Engels van dat stuk.

Baltic Cable heeft een Akte houdende uitlating producties genomen.

1.7.

Partijen hebben wederom vonnis gevraagd.

1.8.

Naar aanleiding van een verzoek vanwege verweerders en na Baltic Cable daarop te hebben gehoord, heeft de rechtbank het debat tussen partijen nogmaals heropend en de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van aktes over de vraag of tegen de beslissing van het gerecht te Malmö, Zweden, van 22 juni 2015 hoger beroep kan worden ingesteld.

1.9.

Baltic Cable heeft een akte houdende overlegging productie genomen en daarbij overgelegd een “Protokoll vid tillståndsprövning och föredragning” van het Högsta Domstolen te Stockholm, Zweden van 12 mei 2016, tezamen met een vertaling in het Engels van dat stuk, waarin toestemming is verleend tot het instellen van hoger beroep tegen de beslissing van het gerecht te Malmö, Zweden, van 22 juni 2015.

1.10.

Partijen hebben wederom vonnis gevraagd.

2 De vordering in de hoofdzaak

2.1.

Deze zaak is een renvooiprocedure. Voorafgaande aan het indienen van haar eis in renvooi heeft Baltic Cable haar incidentele vorderingen en verzoek ingesteld.

3 De vordering in het incident

3.1.

Baltic Cable vordert in dit incident:

- primair dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen:

(i) van het verzoek van Delfborg en [verweerder sub 3] om een beperkingsfonds te stellen; en/of

(ii) van het verzoek van Wagenborg om het door Delfborg en [verweerder sub 3] in de procedure met kenmerk C/10/424631 / HA RK 13-425 gestelde fonds aan te merken als ook door Wagenborg gesteld; en/of

(iii) van het verzoek van Wagenborg, Delfborg en [verweerder sub 3] tot beperking van aansprakelijkheid;

en de vereffenaar te bevelen over te gaan tot restitutie van het als fonds gestorte bedrag in overeenstemming met artikel 642s Rv;

althans de renvooiprocedure aan te houden in afwachting van een uitspraak in de procedure voor het gerecht in Malmö in de zaak met kenmerk T2440-13;

  • -

    subsidiair: dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen van de vorderingen in de renvooiprocedure en deze procedure zal aanhouden omdat bij het gerecht in Malmö in de zaak met kenmerk T2440-13 dezelfde vorderingen tussen dezelfde partijen aanhangig zijn; althans

  • -

    meer subsidiair: dat de rechtbank de renvooiprocedure zal aanhouden als met de bij het gerecht in Malmö in de zaak met kenmerk T2440-13 samenhangende vorderingen totdat het gerecht in Malmö zal hebben beslist;

  • -

    een en ander met nevenvorderingen.

Daartoe voert Baltic Cable het volgende aan.

3.2.

De Nederlandse rechter heeft geen rechtsmacht ten aanzien van de vraag of Wagenborg, Delfborg en [verweerder sub 3] hun aansprakelijkheid kunnen beperken.

3.2.1.

De verwijzingsbeslissing van 12 februari 2014 geeft het kader van de vorderingen tot de kennisneming waarvan de rechtbank bevoegd dient te zijn c.q. welke al dan niet eerder aanhangig gemaakt zijn bij het gerecht in Malmö in de aldaar aanhangige zaak met kenmerk T2440-13 (hierna: de procedure voor het gerecht in Malmö). Het gaat niet alleen om de verzoeken tot beperking van aansprakelijkheid, maar ook om het beoordelen van de aansprakelijkheid voor de vordering van Baltic Cable tot schadevergoeding en de omvang daarvan. De omstandigheid dat nog geen eis tot verificatie is ingediend vormt geen beletsel voor de beoordeling van het beroep op onbevoegdheid c.q. het beroep op litispendentie of connexiteit.

3.2.2.

Voor de vraag naar rechtsmacht is doorslaggevend (niet het moment van indienen van het verzoekschrift tot beperking van aansprakelijkheid, maar) het moment waarop de rechter over zijn bevoegdheid beslist. Dat is het moment waarop de rechtbank zal oordelen op de vordering van Baltic Cable tot onbevoegdverklaring. Subsidiair ligt zodanig moment ten tijde van het geven van de verwijzingsbeslissing, in dit geval de beschikking van 12 februari 2014.

Voor zover artikel 11 lid 1 LLMC bevoegdheid kan scheppen dient op het hiervoor bedoelde moment een in dat artikellid bedoeld rechtsgeding bij een bevoegde rechter aanhangig te zijn.

3.2.3.

De Nederlandse rechter heeft geen rechtsmacht op grond van de Brussel I-Vo. Ook artikel 7 Brussel I-Vo verschaft geen rechtsmacht, omdat verweerders niet alleen beperking van aansprakelijkheid verzoeken, maar tevens fondsvorming, zodat artikel 7 Brussel I-Vo niet van toepassing is.

3.2.4.

In hoofdstuk 2.8 van de dagvaarding van 15 maart 2013 waarmee de procedure voor het gerecht in Malmö werd ingeleid (productie 2 van Baltic Cable) en in de conclusie van antwoord van 3 oktober 2013 in die procedure (productie 3 van Baltic Cable) wordt (de onmogelijkheid van) het beroep op beperking van aansprakelijkheid van verweerders aan dat gerecht voorgelegd. Vanaf 15 maart 2013 was de vraag naar de (on)mogelijkheid van een beroep op beperking van aansprakelijkheid derhalve aanhangig bij het gerecht te Malmö.

3.3.

[verweerder sub 3] , Delfborg en Wagenborg voeren gezamenlijk verweer. Hun conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van Baltic Cable, althans tot afwijzing van de vorderingen en het verzoek met veroordeling van Baltic Cable in de proceskosten, waaronder mede begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis.

4 De beoordeling in het incident

Procedurele aspecten

4.1.

De vorderingen tot onbevoegdverklaring zijn beperkt tot een beroep op gebrek aan rechtsmacht van de Nederlandse rechter c.q. van deze rechtbank. De vraag naar nationale bevoegdheid speelt in deze zaak geen rol.

4.2.

Verweerders [verweerder sub 3] , Delfborg en Wagenborg stellen dat de rechtbank al heeft beslist over de rechtsmacht, zodat Baltic Cable niet kan worden ontvangen in haar vordering tot onbevoegdverklaring.

De rechtbank volgt verweerders daarin niet. Verweerders zien, immers, aan het volgende voorbij.

De rechtbank heeft noch in de beide verzoekschriftprocedures tot beperking, noch in de renvooizaak een (definitieve) beslissing gegeven over rechtsmacht. De beslissing in de eerste fase van de beperkingsprocedure, waarin wordt beslist over het bedrag waartoe de aansprakelijkheid voorshands is beperkt en over de wijze van het vormen van het beperkingsfonds, levert geen definitieve beslissing op over de rechtsmacht ten aanzien van het verzoek tot beperking van aansprakelijkheid. Verweerders hebben – terecht – niet gesteld dat (en waar) in de beschikkingen van 5 juli 2013 of van 18 september 2013, verbeterd bij beschikking van 21 oktober 2013 definitief is beslist over rechtsmacht ten aanzien van de verzoeken tot beperking van aansprakelijkheid.

Een schuldeiser, zoals Baltic Cable, kan een beroep doen op gebrek aan rechtsmacht (of bevoegdheid) in de eerste fase van de beperkingsprocedure, maar ook daarna in de verificatiefase en in een renvooiprocedure (vgl. HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1522 – ‘Vertrouwen’). Uit dat arrest en de memorie van toelichting op artikel 320r lid 3 (oud) Rv, dat overeenstemt met het huidige artikel 642r lid 2 Rv, waarin wordt gesteld “[..] het derde lid doet duidelijker uitkomen, dat de betwisting niet alleen hoeft te slaan op de verificatie van een vordering, doch eveneens betrekking kan hebben op het verzoek tot beperking van aansprakelijkheid in het algemeen, de bevoegdheid van de rechtbank enz.” (Kamerstukken II, vergaderjaar 1986-1987, 18 770, nr. 3, blz. 15), valt af te leiden dat in de renvooiprocedure een beroep kan worden gedaan op gebrek aan rechtsmacht c.q. onbevoegdheid ten aanzien van het verzoek tot beperking van aansprakelijkheid, zowel nadat een schuldeiser de rechtsmacht c.q. bevoegdheid eerder heeft betwist, als voor het eerst.

Voor zover verweerders [verweerder sub 3] , Delfborg en Wagenborg betogen dat in de renvooiprocedure slechts een beroep kan worden gedaan op gebrek aan rechtsmacht of bevoegdheid ten aanzien van de vorderingen in renvooi, dus in dit geval: de vorderingen die Baltic Cable bij de vereffenaar heeft ingediend en ter zake waarvan partijen zijn verwezen naar de rolprocedure, stuit dat betoog af op dezelfde gronden.

4.3.

Zoals uit het gestelde in 3.1 blijkt, betreft de primaire vordering ten eerste de rechtsmacht ten aanzien van de verzoeken tot beperking van aansprakelijkheid. Die zal de rechtbank daarom eerst behandelen. De primaire vordering vanaf “althans” en de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen betreffende de renvooiprocedure, die de rechtbank daarna zal behandelen.

Feiten; uitgangspunten

4.4.

Bij de verdere beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende gestelde en onvoldoende betwiste of gebleken feiten en omstandigheden.

4.5.

De ‘Delfborg’ behoorde in november 2012 in juridische eigendom toe aan [verweerder sub 3] en in economische eigendom aan Delfborg, een commanditaire vennootschap waarvan [verweerder sub 3] beherend vennoot was, en werd (mede) geëxploiteerd door Wagenborg die het schip in bevrachting had.

4.6.

Baltic Cable heeft [verweerder sub 3] , Delfborg en Wagenborg gedagvaard voor het gerecht te Malmö, Zweden, bij een dagvaarding (“Ansökan om stämning”) die bij dat gerecht aanhangig is gemaakt op 15 maart 2013. In die dagvaarding stelt Baltic Cable verweerders aansprakelijk voor de schade die zij stelt te hebben geleden ten gevolge van een gestelde aanraking omstreeks 2 tot 4 november 2012 tussen een anker van het zeeschip ‘Delfborg’ en een kabel van Baltic Cable in de Baltische Zee (Oostzee) ongeveer 7 mijl uit de kust van Trelleborg, Zweden.

4.7.

Wagenborg heeft op haar beurt bij exploot van 1 mei 2013 [verweerder sub 3] en Delfborg gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland ter zake van de genoemde, gestelde aanraking.

4.8.

Bij verzoekschrift ingekomen bij deze rechtbank op 6 mei 2013 en aanhangig onder kenmerk C/10/424631 / HA RK 13-425 hebben Delfborg en [verweerder sub 3] in verband met de onder 4.6 genoemde aansprakelijkstelling ter zake van het genoemde, gestelde voorval, aan deze rechtbank verzocht om (onder meer):

  • -

    het bedrag te bepalen waartoe zij hun aansprakelijkheid kunnen beperken (zakenfonds);

  • -

    te gelasten dat het zakenfonds wordt gesteld;

  • -

    een rechter-commissaris en een vereffenaar te benoemen voor de behandeling van voor het zakenfonds in te dienen vorderingen.

Dat verzoekschrift wordt hierna genoemd: het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg.

In het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg werden zowel Baltic Cable als Wagenborg als belanghebbenden vermeld.

Bij beschikking van deze rechtbank van 5 juli 2013 op het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg heeft de rechtbank hen toegelaten een beperkingsfonds (zakenfonds) te stellen voor vorderingen ter zake van het onder 4.6 genoemde, gestelde voorval en heeft zij een rechter-commissaris en een vereffenaar benoemd. Op 5 augustus 2013 heeft de rechtbank verklaard dat [verweerder sub 3] en Delfborg dat beperkingsfonds hebben gesteld.

4.9.

Bij verzoekschrift ingekomen bij deze rechtbank op 9 augustus 2013 en aanhangig onder kenmerk C/10/431722 / HA RK 13-787 heeft Wagenborg aan deze rechtbank verzocht om (onder meer):

  • -

    het bedrag waartoe zij haar aansprakelijkheid ten opzichte van Baltic Cable ter zake van het onder 4.6 genoemde voorval kan beperken (zakenfonds) te bepalen op het bedrag van het door [verweerder sub 3] en Delfborg gestelde beperkingsfonds;

  • -

    te verklaren dat het door [verweerder sub 3] en Delfborg gestelde beperkingsfonds moet worden aangemerkt als mede door Wagenborg te zijn gesteld;

  • -

    het verzoek van Wagenborg te voegen bij het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg.

Dat verzoekschrift wordt hierna genoemd: het verzoek van Wagenborg. Het verzoek van Wagenborg betreft hetzelfde gestelde voorval waarop de aansprakelijkstelling van [verweerder sub 3] en Delfborg is gegrond, maar in dit geval de aansprakelijkstelling van Wagenborg door Baltic Cable, die in dat verzoekschrift tezamen met [verweerder sub 3] en Delfborg als belanghebbende werd aangemerkt.

Bij beschikking van 11 september 2013 heeft de rechtbank het verzoek van Wagenborg gevoegd bij het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg.

Bij beschikking van 18 september 2013, hersteld bij beschikking van 21 oktober 2013, heeft de rechtbank op het verzoek van Wagenborg onder meer verklaard dat het door [verweerder sub 3] en Delfborg gestelde beperkingsfonds wordt aangemerkt als mede door Wagenborg te zijn gesteld.

4.10.

In de gevoegde procedures heeft de rechter-commissaris data voor het indienen van vorderingen bij de vereffenaar en voor verificatievergaderingen bepaald. Baltic Cable heeft vorderingen ingediend bij de vereffenaar. In het kader van de verificatie van de vorderingen heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 12 februari 2014 partijen naar de onderhavige renvooiprocedure verwezen (hierna: de verwijzingsbeschikking). De rechter-commissaris verwees Baltic Cable als eiseres en [verweerder sub 3] , Delfborg en Wagenborg als verweerders ter beslissing van de volgende onderwerpen:

  • -

    a) de gestelde aansprakelijkheid van ieder van de verweerders ten opzichte van Baltic Cable;

  • -

    b) de omvang van de vorderingen van Baltic Cable; en

  • -

    c) de stelling van Baltic Cable dat geen van de verweerders gerechtigd is tot beperking van aansprakelijkheid.

Heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van de verzoeken tot vorming van een beperkingsfonds c.q. tot beperking van aansprakelijkheid?

4.11.

Over de stelling van Baltic Cable dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft ten aanzien van de beide verzoeken om een beperkingsfonds te stellen, respectievelijk tot beperking van aansprakelijkheid, overweegt de rechtbank het volgende.

4.12.

Er is sprake van een internationaal geval, omdat Baltic Cable in Zweden is gevestigd, alle verweerders in Nederland woonachtig of gevestigd zijn en het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg, het verzoek van Wagenborg en de onderhavige renvooizaak aanhangig zijn bij een Nederlandse rechter.

4.13.

Het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg en het verzoek van Wagenborg betreffen verzoeken tot beperking van aansprakelijkheid van de eigenaar of exploitant van het zeeschip ‘Delfborg’ ter zake van schade die bij de exploitatie van dat zeeschip is ontstaan.

4.14.

Het Verdrag van Londen van 19 november 1976 inzake de beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Trb. 1980, 23 en Trb. 1984, 31) gewijzigd bij Protocol van 2 mei 1996 (Trb. 1997, 300 en Trb. 2006, 17), hierna gezamenlijk: LLMC, geeft regels ten aanzien van de beperking van aansprakelijkheid van de eigenaar of exploitant van een zeeschip ter zake van schade die bij de exploitatie van het zeeschip is ontstaan. Ten tijde van het gestelde voorval, ten tijde van het inleiden van de procedure voor het gerecht in Malmö en ten tijde van het indienen van het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg en van het verzoek van Wagenborg was de LLMC van kracht zowel in Nederland als in Zweden. De LLMC heeft rechtstreekse werking in Nederland.

De LLMC is in de Nederlandse wetgeving geïncorporeerd met de regelingen van Titel 7 van Boek 8 Burgerlijk Wetboek (BW) en Afdeling 2 van Titel 1 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv).

Artikel 11 LLMC (dat bij het Protocol van 1996 niet is gewijzigd) luidt in de authentieke Engelse taal voor zover voor deze beoordeling van belang, als volgt:

“Article 11

Constitution of the fund

1. Any person alleged to be liable may constitute a fund with the Court or other competent authority in any State Party in which legal proceedings are instituted in respect of claims subject to limitation. The fund shall be constituted in the sum of such of the amounts set out in Articles 6 and 7 as are applicable to claims for which that person may be liable, together with interest thereon from the date of the occurrence giving rise to the liability until the date of the constitution of the fund. Any fund thus constituted shall be available only for the payment of claims in respect of which limitation of liability can be invoked.

[..]

3. A fund constituted by one of the persons mentioned in paragraph 1(a), (b) or (c) or paragraph 2 of Article 9 or his insurer shall be deemed constituted by all persons mentioned in paragraph 1(a), (b) or (c) or paragraph 2, respectively.”.

Ingevolge artikel 11 lid 1 LLMC dient derhalve de procedure tot het vormen van een beperkingsfonds te worden gevoerd in de verdragsstaat waarin een rechtsmaatregel als bedoeld in dat artikellid jegens de aansprakelijk gestelde persoon is genomen.

4.15.

Aan het vereiste van artikel 11 lid 1 LLMC was ten tijde van de indiening van het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg voldaan, gegeven de dagvaarding van [verweerder sub 3] en Delfborg door Wagenborg bij exploot van 1 mei 2013.

Ten tijde van het indienen van het verzoek van Wagenborg was door [verweerder sub 3] en Delfborg een beperkingsfonds gesteld in de door hen bij deze rechtbank ingeleide verzoekschriftprocedure. Wagenborg heeft op de voet van artikel 11 lid 3 LLMC aan de rechtbank verzocht te verklaren dat dat beperkingsfonds ook ten aanzien van vorderingen tegen haar is gesteld. Het vereiste van het eerste lid van artikel 11 LLMC van een rechtsmaatregel in de verdragsstaat waar het beperkingsfonds wordt gesteld, geldt niet ten aanzien van een (verzoek tot een) verklaring dat een gesteld beperkingsfonds ook voor vorderingen tegen een andere schuldenaar is gesteld zoals bedoeld in het derde lid van artikel 11 LLMC.

Aan de vereisten die artikel 11 LLMC stelt is derhalve ten aanzien van zowel het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg als het verzoek van Wagenborg voldaan.

4.16.

Ten tijde van het indienen van het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg en het verzoek van Wagenborg, alsmede ten tijde van de verwijzingsbeschikking in die procedures was in Nederland (en Zweden) van kracht de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I-Vo).

Een verzoek tot beperking van aansprakelijkheid en de vordering alsmede de geschilpunten die bij de verwijzingsbeschikking naar de onderhavige renvooizaak zijn verwezen, vormen burgerlijke en handelszaken als bedoeld in artikel 1 Brussel 1-Vo (vgl. HvJEG 14 oktober 2004 in de zaak C-39/02, ECLI:EU:C:2004:615, NJ 2007/389 – ‘Cornelis Simon’ en HR 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX3080 – ‘Seawheel Rhine’).

4.17.

De Brussel I-Vo bevat geen regeling van rechtsmacht ten aanzien van een verzoek tot het stellen van een beperkingsfonds, respectievelijk tot een verklaring dat het gestelde beperkingsfonds wordt aangemerkt als tevens voor de betreffende schuldenaar te zijn gesteld, respectievelijk tot beperking van aansprakelijkheid, behoudens het bepaalde in artikel 7 Brussel I-Vo.

4.18.

Voor zover Baltic Cable betoogt dat uit artikel 7 Brussel I-Vo volgt dat daarin een exclusieve bevoegdheid wordt gegeven tot kennisneming van een verzoek of vordering tot beperking van aansprakelijkheid aan het gerecht dat bevoegd is kennis te nemen van vorderingen ter zake van aansprakelijkheid, verwerpt de rechtbank dat betoog om de volgende redenen.

De bepaling van artikel 7 Brussel I-Vo is voortgekomen uit artikel 6bis van het EEX-verdrag, welk artikel werd toegevoegd bij gelegenheid van de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk tot het EEX-verdrag in 1978. In het rapport over dat toetredingsverdrag (Rapport Schlosser, PbEG C 59/109 - 110, paragrafen 124 – 130) wordt aangegeven dat er in de lidstaten twee stelsels zijn tot beperking van aansprakelijkheid. Het ene stelsel waarin een verzoek of verweer tot beperking alleen kan worden ingesteld in een procedure tegen de betreffende schuldeiser(s), zoals onder andere in het Verenigd Koninkrijk, het andere waarin het verzoek tot beperking niet tegen een persoon is gericht en dat tot oprichting van een beperkingsfonds leidt, zoals onder andere in Nederland. Uit de paragrafen 127 tot en met 130 van het Rapport Schlosser blijkt dat de ratio van artikel 6bis EEX-verdrag is beperkt tot een vordering of verzoek van de scheepseigenaar of een andere persoon die beperking van aansprakelijkheid verlangt (hierna: scheepseigenaar) tegen een persoon die hem aansprakelijk stelt. Voorts volgt uit die paragrafen dat het doelmatig en praktisch is dat ook de rechter van de woonplaats van de scheepseigenaar bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek tot beperking van aansprakelijkheid waarbij tevens een beperkingsfonds wordt gesteld. Omdat een vordering tot aansprakelijkstelling of schadevergoeding steeds voor het gerecht van zijn woonplaats kan worden gebracht, is het doelmatig dat de scheepseigenaar het verzoek of de vordering tot beperking van aansprakelijkheid ook voor het gerecht van zijn woonplaats kan brengen. Bovendien is het gerecht van de woonplaats van de scheepseigenaar het gerecht waar hij al zijn vorderingen tot beperking van aansprakelijkheid op zinvolle wijze kan concentreren. Zo wordt in die passage betoogd. Die ratio is dus ook ten aanzien van artikel 7 Brussel I-Vo van toepassing.

Uit het vorenstaande blijkt dat artikel 7 Brussel I-Vo niet de strekking heeft de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van de woonplaats van de scheepseigenaar wat betreft verzoeken of vorderingen tot beperking van aansprakelijkheid te beperken.

4.19.

De Nederlandse rechter heeft ingevolge artikel 2 Brussel I-Vo in beginsel rechtsmacht ten aanzien van enige vordering (tot aansprakelijkstelling of schadevergoeding) tegen [verweerder sub 3] en Delfborg en evenzo tegen Wagenborg, omdat deze verweerders in Nederland woonachtig c.q. gevestigd zijn.

Wagenborg heeft dienovereenkomstig [verweerder sub 3] en Delfborg voor de bevoegde rechter in Nederland gedagvaard.

4.20.

Baltic Cable maakt onderscheid tussen rechtsmacht ten aanzien van het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg tot het stellen van een beperkingsfonds, respectievelijk het verzoek van Wagenborg tot een verklaring dat het gestelde beperkingsfonds wordt aangemerkt als tevens voor haar te zijn gesteld enerzijds en het verzoek van de drie verweerders tot beperking van aansprakelijkheid anderzijds.

De Brussel I-Vo noch de Nederlandse procedure tot beperking van aansprakelijkheid in het BW en in het Rv kent een dergelijk onderscheid. De Nederlandse regelingen van Titel 7 van Boek 8 BW en Afdeling 2 van Titel 1 Rv vereisen voor een verzoek tot beperking van aansprakelijkheid dat een beperkingsfonds wordt gesteld.

4.21.

Derhalve dienden [verweerder sub 3] en Delfborg, waar zij wegens de dagvaarding door Wagenborg voor de Nederlandse rechter een beroep op beperking van aansprakelijkheid wilden doen, op de voet van het bepaalde in artikel 11 LLMC een verzoek tot beperking van aansprakelijkheid en het vormen van een beperkingsfonds in te dienen bij de Nederlandse rechter, overeenkomstig de Nederlandse regelingen.

Vervolgens dient aan de hand van de Nederlandse (nationale) regelingen te worden bepaald of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van dat verzoek.

4.22.

Ingevolge artikel 3 aanhef en onder a Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg, omdat zowel [verweerder sub 3] als Delfborg in Nederland woonachtig, respectievelijk gevestigd is. De in dat artikel genoemde uitzonderingen doen hier niet terzake.

Nu bovendien de ‘Delfborg’ een in het Nederlandse scheepsregister ingeschreven zeeschip is, is deze beperkingsprocedure voldoende verbonden met de Nederlandse rechtssfeer, ook al heeft het litigieuze voorval zich niet in Nederland voorgedaan en is de belanghebbende Baltic Cable niet in Nederland gevestigd (artikel 3 aanhef en onder c Rv).

4.23.

Ingevolge artikel 642a lid 1 Rv is bevoegd tot kennisneming van een verzoekschrift tot beperking van aansprakelijkheid de rechtbank van het rechtsgebied waarbinnen het kantoor is gelegen waar het schip te boek staat. Tussen partijen is niet in geschil dat de ‘Delfborg’ ten tijde van het indienen van het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg stond ingeschreven in het scheepsregister te Rotterdam. Deze rechtbank is daarom bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg.

4.24.

Dienovereenkomstig hebben [verweerder sub 3] en Delfborg een verzoekschrift tot beperking van aansprakelijkheid en tot de vorming van een beperkingsfonds ingediend bij de bevoegde rechter in Rotterdam.

4.25.

De procedureregels met betrekking tot het in artikel 11 lid 3 LLMC en artikel 8:750 BW in samenhang met artikel 8:758 lid 1 aanhef en onder a BW geregelde recht om vastgesteld te krijgen dat een ter zake van hetzelfde voorval gesteld beperkingsfonds wordt aangemerkt als te zijn gesteld door alle personen die binnen de in artikel 2 LLMC (en de genoemde Nederlandse wetsartikelen) genoemde kring vallen, worden ingevolge artikel 14 LLMC beheerst door de wet van de Staat waarin het fonds wordt gevormd. Derhalve in het geval van Wagenborg die zodanige vaststelling verlangt met betrekking tot het door [verweerder sub 3] en Delfborg gestelde beperkingsfonds, door Nederlands recht.

Ingevolge artikel 3 aanhef en onder a Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van zodanig verzoek van Wagenborg, omdat Wagenborg in Nederland gevestigd is. De in dat artikel genoemde uitzonderingen doen hier niet terzake. Nu bovendien de ‘Delfborg’ een in het Nederlandse scheepsregister ingeschreven zeeschip is, is deze beperkingsprocedure voldoende verbonden met de Nederlandse rechtssfeer, ook al heeft het litigieuze voorval zich niet in Nederland voorgedaan en is de belanghebbende Baltic Cable niet in Nederland gevestigd (artikel 3 aanhef en onder c Rv).

De Nederlandse wetgeving bevat ter zake van het verkrijgen van zodanige vaststelling verder geen procedureregeling. Zoals eerder uitgemaakt, dient de betreffende persoon daartoe een verzoekschrift als bedoeld in art. 642a Rv in te dienen (Rb Rotterdam 30 oktober 2002, ECLI:NL:RBROT:2002:AK4824, S&S 2003/26 - ‘Mighty Servant II’).

Deze rechtbank is daarom ook ten aanzien van het verzoekschrift van Wagenborg bevoegd.

4.26.

De rechtbank laat in het midden of de rechter in Zweden in het onderhavige geval rechtsmacht zou hebben ten aanzien van een verzoek van een of meer van de verweerders tot het stellen van een beperkingsfonds, respectievelijk tot een verklaring dat het gestelde beperkingsfonds wordt aangemerkt als tevens voor een of meer van de verweerders te zijn gesteld, respectievelijk tot beperking van aansprakelijkheid. Immers, uit het vorenstaande volgt dat de rechter in Zweden niet exclusief bevoegd is tot kennisneming van zodanige verzoeken, zodat eventuele rechtsmacht in Zweden niet meebrengt dat daarom geen rechtsmacht gegeven is in Nederland.

4.27.

Baltic Cable betwist dat Wagenborg een dagvaarding tegen [verweerder sub 3] en Delfborg heeft uitgebracht en stelt subsidiair dat die dagvaarding een schijnhandeling is en dat die daarom geen rechtsmacht van de Nederlandse rechter kan scheppen ten opzichte van Baltic Cable. Baltic Cable stelt daarbij dat Wagenborg een commanditaire vennoot is van Delfborg, dat de aansprakelijkheid van Wagenborg, Delfborg en [verweerder sub 3] onder dezelfde verzekering gedekt is, dat Wagenborg de vordering tegen Delfborg en [verweerder sub 3] niet heeft aangebracht en dat daarom de aansprakelijkstelling en dagvaarding van Wagenborg tegen [verweerder sub 3] en Delfborg schijnhandelingen zijn en dat daarom Wagenborg, [verweerder sub 3] en Delfborg misbruik maken van procesrecht.

Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

4.27.1.

Verweerders hebben het exploot van dagvaarding van 1 mei 2013 als productie 3 in het geding gebracht. Baltic Cable heeft daarop geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat die dagvaarding niet daadwerkelijk is uitgebracht. Daarop stuit af de stelling dat Wagenborg [verweerder sub 3] en Delfborg niet heeft gedagvaard bij dat exploot.

4.27.2.

In het exploot van 1 mei 2013 worden [verweerder sub 3] en Wagenborg gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen tegen 16 oktober 2013. Kennelijk heeft Wagenborg de zaak tegen [verweerder sub 3] en Delfborg niet bij die rechtbank aangebracht.

Aan Baltic Cable kan worden toegegeven dat uit het niet-aanbrengen lijkt te volgen dat Wagenborg haar vordering tegen [verweerder sub 3] en Delfborg niet wenst door te zetten en dat de dagvaarding daarom slechts is uitgebracht om een aanspraak in Nederland te scheppen als bedoeld in artikel 11 LLMC.

Echter, tussen partijen is niet in geschil dat Wagenborg haar betreffende vordering heeft ingediend bij de vereffenaar van het na die dagvaarding door [verweerder sub 3] en Delfborg gestelde beperkingsfonds. Daaruit blijkt dat Wagenborg die vordering wel degelijk doorzet. Ook indien de stelling van Baltic Cable, dat de aansprakelijkheid van Wagenborg, [verweerder sub 3] en Delfborg onder dezelfde verzekering gedekt wordt, juist is, kan het in de onderlinge verhouding tussen de drie verweerders van belang zijn de draagplicht van een of meer van hen te bepalen, mede in verband met onder die verzekering mogelijk geldende eigen risico’s.

Nu tussen de datum van dagvaarding, 1 mei 2013, en die van de eerste verschijning voor de rechtbank Noord-Nederland, 16 oktober 2013, door [verweerder sub 3] en Delfborg een verzoekschrift tot beperking van aansprakelijkheid is ingediend en op basis daarvan een beschikking tot vorming van een beperkingsfonds is gegeven en het beperkingsfonds daadwerkelijk is gevormd, zou de procedure voor de rechtbank Noord-Nederland hebben moeten worden geschorst op de voet van artikel 642f Rv om slechts in uitzonderlijke gevallen te worden hervat. In dat licht bezien valt de beslissing van Wagenborg om de zaak niet bij de rechtbank Noord-Nederland aan te brengen (en daarmee griffierecht te besparen) te billijken. In ieder geval valt daaruit niet af te leiden dat Wagenborg (tezamen met [verweerder sub 3] en Delfborg) slechts aldus hebben gehandeld om rechtsmacht in Nederland te scheppen ten aanzien van de vordering van Baltic Cable.

Het niet-aanbrengen van de zaak van Wagenborg tegen [verweerder sub 3] en Delfborg bij de rechtbank Noord-Nederland brengt niet mee dat daarom de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg tot beperking van aansprakelijkheid en fondsvorming is vervallen, omdat dat verzoek een zelfstandige procedure vormt. Naast de aanvankelijk voor de rechtbank Noord-Nederland geëntameerde, maar niet doorgezette, procedure bestaan, immers, diverse aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer, zoals in 4.22 en 4.25 werd overwogen.

Daarom kunnen de stellingen van Baltic Cable het oordeel niet dragen het oordeel dat verweerders jegens haar misbruik van procesrecht maken en dat daarom de Nederlandse rechter jegens haar geen rechtsmacht heeft.

4.28.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft tot kennisneming van zowel het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg als het verzoek van Wagenborg.

4.29.

Die conclusie brengt mee dat de op gebrek aan rechtsmacht gegronde vordering tot restitutie van het gestelde beperkingsfonds niet kan worden toegewezen.

De onderwerpen van aansprakelijkheid, schadeomvang en beperking van aansprakelijkheid ter zake van dezelfde oorzaak en tussen dezelfde partijen aanhangig bij het gerecht in Malmö en bij deze rechtbank?

4.30.

Subsidiair baseert Baltic Cable haar beroep op onbevoegdheid op de stelling dat bij het gerecht in Malmö tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp hebben en op dezelfde oorzaak berusten, zoals bedoeld in artikel 27 Brussel I-Vo.

4.31.

Voor zover Baltic Cable betoogt dat haar vordering tot schadevergoeding (zonder meer) aanhangig bij het gerecht in Malmö aangemerkt dient te worden als een vordering met hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak in de zin van artikel 27 Brussel I-Vo als de bij deze rechtbank aanhangige verzoeken tot beperking van aansprakelijkheid, ziet Baltic Cable voorbij aan het andersluidende oordeel van het HvJEG van 14 oktober 2004, in de zaak C-39/02, ECLI:EU:C:2004:615, NJ 2007/389 – ‘Cornelis Simon’.

4.32.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de procedures voor het gerecht in Malmö (en in hoger beroep) dezelfde personen betrokken zijn als in de procedures tot beperking van aansprakelijkheid bij deze rechtbank en de onderhavige renvooiprocedure.

Partijen zijn het er ook over eens dat zowel in de procedure voor het gerecht in Malmö als in de procedures voor deze rechtbank de gestelde schadevaring van de ‘Delfborg’ met een kabel van Baltic Cable de oorzaak vormt.

4.33.

De rechtbank maakt onderscheid tussen de onderwerpen van aansprakelijkheid voor de gestelde schadevaring en de omvang van de door Baltic Cable daardoor geleden schade enerzijds en het onderwerp van (de gerechtigdheid tot) beperking van aansprakelijkheid anderzijds. Eerst het onderwerp van beperking van aansprakelijkheid.

4.34.

Baltic Cable stelt dat bij het gerecht in Malmö niet alleen haar vordering tot vergoeding van de bij de schadevaring veroorzaakte schade aanhangig is, maar tevens de vraag of [verweerder sub 3] , Delfborg en Wagenborg beroep kunnen doen op beperking van aansprakelijkheid ter zake van die vordering. In dat kader betoogt Baltic Cable dat zij die vraag aan het gerecht in Malmö heeft voorgelegd in hoofdstuk 2.8 van haar dagvaarding, die sedert 15 maart 2013 bij het gerecht in Malmö aanhangig is, met de volgende bewoordingen (in de Nederlandse vertaling):

“2.8.1 Uit de in alinea 2.4 beschreven loop der gebeurtenissen volgt, dat het Vaartuig voor anker lag in en nabij het Schadegebied tussen 2 november 2012 ca. 12:00 uur tot 4 november 2012 ca. 21:00 uur. Zoals beschreven in alinea 2.6, is de Kabel duidelijk aangegeven op de zeekaart en er geldt een ankerverbod in het Schadegebied. De bemanning aan boord van het Vaartuig had bovendien kennis van of vermoedde dat er risico bestond dat het Vaartuig, door in en nabij het Schadegebied te ankeren, schade aan de Kabel zou kunnen veroorzaken. Dan wel is de bemanning aan boord van het Vaartuig tot dit inzicht gekomen toen het Vaartuig voor anker lag, of wanneer het anker gedregd werd, in of nabij het Schadegebied dan wel toen de bemanning het Vaartuig bestuurde ondanks het feit dat zij zich ervan bewust moesten zijn dat het anker aan de Kabel bleef hangen.

2.8.2

Delfborg, [verweerder sub 3] en Wagenborg zijn in hun hoedanigheid van reders, geïnformeerd, dan wel hebben op andere wijze kennis gehad van, deels dat de bemanning vermoedde dat er een risico bestond dat het Vaartuig schade aan de Kabel zou kunnen veroorzaken, deels de bewegingen van het Vaartuig nabij de posities van het Schadegebied. Delfborg, [verweerder sub 3] en Wagenborg zijn zich derhalve bewust van het risico geweest, dat de Schade zou kunnen ontstaan op basis van het manoeuvreren van het Vaartuig maar hebben, desondanks, nagelaten de nodige maatregelen te treffen om de Schade te vermijden, dan wel zijn maatregelen getroffen die nog eens in de richting van gevaar voor de Schade gaan.

2.8.3

Delfborg, [verweerder sub 3] en Wagenborg hebben derhalve de Schade uit ernstige onachtzaamheid en met inzicht dat de Schade waarschijnlijk zou ontstaan, veroorzaakt.”.

Baltic Cable betoogt dat de bewoordingen van 2.8.3 aansluiten bij artikel 4 LLMC waarin de maatstaf staat voor uitsluiting van de mogelijkheid tot beperking van aansprakelijkheid.

4.35.

De verweerders betwisten dat het onderwerp van beperking van hun aansprakelijkheid in de dagvaarding voor het gerecht in Malmö aanhangig is gemaakt en dat dat onderwerp eerder dan op 6 mei 2013, respectievelijk 9 augustus 2013, bij het gerecht in Malmö aanhangig is gemaakt.

4.36.

De rechtbank oordeelt over de aanhangigheid van het onderwerp van beperking van aansprakelijkheid voor het gerecht in Malmö als volgt.

4.37.

De rechtbank stelt voorop dat het uit het oogpunt van de regeling van de LLMC en van de incorporering daarvan in het Nederlandse recht, met een procedure die zich niet tot één schuldeiser richt maar die een algemene beperkingsprocedure is, gericht tot alle mogelijke schuldeisers uit hoofde van een bepaald voorval, in de rede ligt dat het oordeel over de vraag of – kort gezegd – de scheepseigenaar tot beperking van zijn aansprakelijkheid gerechtigd is, in beginsel dient te worden gegeven door de Nederlandse rechter bij wie het beperkingsfonds is gesteld en niet aan een andere rechter die slechts te oordelen heeft over een vordering van één schuldeiser tegen die scheepseigenaar. Zoals hiervoor besproken, laat de Brussel I-Vo ruimte voor de Nederlandse procedure tot beperking van aansprakelijkheid.

4.38.

Voor het antwoord op de vraag of bij een ander gerecht binnen de Europese Unie tussen dezelfde partijen een vordering met hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak in de zin van artikel 27 Brussel I-Vo aanhangig is, is het moment van aanhangig maken van de betreffende vorderingen doorslaggevend.

4.39.

Het verzoek van [verweerder sub 3] en Delfborg is bij deze rechtbank aanhangig vanaf 6 mei 2013, het verzoek van Wagenborg vanaf 9 augustus 2013. In die beide zaken staat het onderwerp van beperking van aansprakelijkheid ter zake van de gestelde schadevaring van de ‘Delfborg’ centraal. Die aanhangigheid is door de verwijzingsbeslissing van de rechter-commissaris niet gewijzigd. De onderhavige renvooiprocedure, waarin eveneens het onderwerp van beperking van aansprakelijkheid centraal staat, is aanhangig geworden door de verwijzingsbeslissing van 12 februari 2014.

Al deze data zijn recenter dan 15 maart 2013, de datum van de dagvaarding van de verweerders door Baltic Cable voor het gerecht in Malmö.

4.40.

Het gaat bij het antwoord op de vraag of in hoofdstuk 2.8 van de dagvaarding van 15 maart 2013 het onderwerp van beperking van aansprakelijkheid van verweerders aan het gerecht in Malmö ter beoordeling is voorgelegd, om uitleg van een processtuk in een nog lopende procedure in Zweden. Het is daarom in beginsel aan de rechter in Zweden om te bepalen of het onderwerp van beperking van aansprakelijkheid van verweerders met de bewoordingen van hoofdstuk 2.8 van de dagvaarding van 15 maart 2013 aan het gerecht in Malmö ter beoordeling is voorgelegd.

4.41.

Artikel 27 Brussel I-Vo bepaalt dat het oordeel van de rechter in de eerst aangezochte staat, in dit geval derhalve: Zweden, over diens bevoegdheid dient te worden afgewacht. Die regel is beperkt tot de vraag naar bevoegdheid om over de betreffende vordering te oordelen en ziet niet op de vraag óf de betreffende vordering aan de rechter is voorgelegd.

4.42.

Uit de in 4.34 aangehaalde bewoordingen van hoofdstuk 2.8 van de dagvaarding van 15 maart 2013 blijkt niet dat het onderwerp van beperking van aansprakelijkheid van de verweerders uitdrukkelijk aan het gerecht in Malmö ter beoordeling is voorgelegd. Woorden van die strekking komen niet voor in dat hoofdstuk. Een stelling over de mate van schuld van een of meer van de verweerders, zoals vervat in 2.8.3 van dat hoofdstuk, levert nog niet op dat het onderwerp van beperking van aansprakelijkheid aan het gerecht ter beoordeling is voorgelegd. Evenmin is elders, bij voorbeeld onder het kopje “Eisen” of onder het kopje “Samenvatting van de gronden”, in (de Nederlandse vertaling van) die dagvaarding een vordering opgenomen die ertoe strekt dat de Zweedse rechter over dat onderwerp een uitspraak doet.

Anders dan Baltic Cable betoogt, heeft de rechter in Zweden nog geen definitief oordeel over deze vraag gegeven. Immers, het oordeel van het gerecht in Malmö van 27 februari 2014, respectievelijk dat van 22 juni 2015, inhoudende dat het onderwerp van beperking van aansprakelijkheid van verweerders aan het gerecht in Malmö is voorgelegd, is onderhevig aan hoger beroep. Dat blijkt uit de bij akte van 8 juni 2016 in het geding gebrachte beslissing van de Högsta Domstolen van 12 mei 2016.

Bovendien blijkt uit de beslissingen van het gerecht in Malmö van 27 februari 2014 en 22 juni 2015 niet dat inderdaad (al) in de dagvaarding van 15 maart 2013 (en niet pas later in het betreffende geding) het onderwerp van beperking van aansprakelijkheid van verweerders aan het gerecht in Malmö is voorgelegd.

Daarom kan de rechtbank in dit stadium niet tot het oordeel komen dat het onderwerp van beperking van aansprakelijkheid van verweerders eerder aan het gerecht in Malmö dan aan deze rechtbank ter beoordeling is voorgelegd.

4.43.

Op het vorenstaande stuit de vordering tot onbevoegdverklaring ten aanzien van het onderwerp van (de gerechtigdheid tot) beperking van aansprakelijkheid wegens litispendentie af.

4.44.

Over de vraag naar litispendentie ten aanzien van de onderwerpen van aansprakelijkheid voor de gestelde schadevaring en de omvang van de vorderingen van Baltic Cable oordeelt de rechtbank als volgt.

4.45.

Partijen zijn het erover eens dat in de procedures voor het gerecht in Malmö (en in hoger beroep) dezelfde personen betrokken zijn als in de procedures tot beperking van aansprakelijkheid bij deze rechtbank en de onderhavige renvooiprocedure.

Partijen zijn het er ook over eens dat zowel in de procedure voor het gerecht in Malmö als in de onderhavige renvooiprocedure (onder meer) de aansprakelijkheid van een of meer van de verweerders ter zake van de gestelde schadevaring van de ‘Delfborg’ met een kabel van Baltic Cable en de omvang van de vorderingen van Baltic Cable de oorzaken vormen.

Daarmee is sprake van litispendentie ten aanzien van de onderwerpen van zodanige aansprakelijkheid en de schadeomvang.

Partijen zijn het er ten slotte over eens dat het onderwerp van zodanige aansprakelijkheid eerder bij het gerecht in Malmö aanhangig was gemaakt dan bij deze rechtbank.

4.46.

Ingevolge artikel 27 Brussel I-Vo brengt het gestelde in 4.45 mee dat de rechtbank haar beslissing over deze onderwerpen dient aan te houden totdat de bevoegdheid van het gerecht in Malmö zal vaststaan, om wanneer die bevoegdheid zal zijn vastgesteld zich onbevoegd te verklaren ten aanzien van deze onderwerpen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Samenhangende vorderingen tot beperking van aansprakelijkheid tussen dezelfde partijen aanhangig bij gerechten in Malmö en Rotterdam?

4.47.

Meer subsidiair verzoekt Baltic Cable de rechtbank de procedures tot beperking van aansprakelijkheid aan te houden totdat de rechter in Zweden zal hebben beslist, omdat sprake is van samenhangende vorderingen in de zin van artikel 28 Brussel I-Vo.

Ook daartegen voeren verweerders verweer.

4.48.

Van samenhangende vorderingen in de zin van artikel 28 Brussel I-Vo is sprake indien tussen de vorderingen een zo nauw verband bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare beslissingen worden genomen.

Artikel 28 Brussel I-Vo geeft de mogelijkheid om een zaak aan te houden, maar schrijft dat niet dwingend voor.

4.49.

Voor het antwoord op de vraag of het onderwerp van (de gerechtigdheid tot) beperking van aansprakelijkheid bij de rechter in Zweden tussen partijen aanhangig is verwijst de rechtbank naar hetgeen zij in 4.37 tot en met 4.42 heeft overwogen.

4.50.

Een procedure tot beperking van aansprakelijkheid in de vorm die in Nederland wordt gevolgd heeft tot doel om alle zaken met betrekking tot de aansprakelijkheid van – kort gezegd – de scheepseigenaar en het recht tot beperking van die aansprakelijkheid te concentreren bij de rechter van het beperkingsfonds.

Nu slechts bij de Nederlandse rechter een beperkingsfonds is gevormd naar aanleiding van het gestelde voorval met de ‘Delfborg’, ligt het niet in de rede dat de Nederlandse rechter de beperkingsprocedures zal aanhouden opdat het gerecht in Malmö eerst over beperking van aansprakelijkheid van de verweerders zal oordelen. Het ligt meer voor de hand om het onderwerp van beperking van aansprakelijkheid bij de Nederlandse rechter geconcentreerd te houden.

4.51.

Daarom zal de rechtbank het verzoek afwijzen.

Proceskosten

4.52.

Nu de rechtbank de vorderingen c.q. het verzoek in het incident ten dele zal toewijzen en ten dele zal afwijzen, zal zij de proceskosten compenseren.

5 De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.

De beslissing in het incident brengt mee dat de rechtbank de behandeling van het onderwerp van aansprakelijkheid van een of meer van de verweerders ter zake van de gestelde schadevaring door de ‘Delfborg’ en die van het onderwerp van de omvang van de vorderingen van Baltic Cable dient aan te houden totdat de rechter in Zweden zal hebben beslist over de bevoegdheid van het gerecht in Malmö ten aanzien van deze onderwerpen. De meest gerede partij zal op enig moment de betreffende beslissing van de Zweedse rechter in deze procedure kunnen inbrengen. Naar gelang die beslissing zal de rechtbank bepalen of zij over deze onderwerpen dient te oordelen, dan wel zich daarover onbevoegd dient te verklaren.

5.2.

Het onderwerp van (de gerechtigdheid tot) beperking van aansprakelijkheid blijft in de onderhavige renvooiprocedure in ieder geval aan de orde. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van de eis tot verificatie door Baltic Cable.

5.3.

De rechtbank kan zich voorstellen dat (partijen nader afspreken dat) partijen eerst de vraag naar bevoegdheid van het gerecht in Malmö in Zweden uitprocederen, maar dat laat de rechtbank aan partijen over.

5.4.

De rechtbank zal elke verdere beslissing aanhouden.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

bepaalt dat in de hoofdzaak elke verdere beslissing over het onderwerp van aansprakelijkheid van een of meer van de verweerders ter zake van de gestelde schadevaring door de ‘Delfborg’ en over het onderwerp van de omvang van de vorderingen van Baltic Cable zal worden aangehouden totdat de rechter in Zweden zal hebben beslist over de bevoegdheid van het gerecht in Malmö ten aanzien van deze onderwerpen;

6.2.

wijst de overige vorderingen en verzoeken af;

6.3.

compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen haar eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak

6.4.

houdt de behandeling van het onderwerp van aansprakelijkheid van een of meer van de verweerders ter zake van de gestelde schadevaring door de ‘Delfborg’ en over het onderwerp van de omvang van de vorderingen van Baltic Cable aan totdat de rechter in Zweden zal hebben beslist over de bevoegdheid van het gerecht in Malmö ten aanzien van deze onderwerpen;

6.5.

verwijst de zaak naar de rol van 18 januari 2017 voor het nemen van de eis tot verificatie door Baltic Cable;

6.6.

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. W.P. Sprenger, C. Sikkel en A.N. van Zelm van Eldik en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2016.

1928/1573/10