Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:10253

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
C/10/461366 / FA RK 14-8422
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hevige strijd ouders. Hulpverlening in gedwongen kader heeft geen verbetering gebracht. Ouders zijn nog immer niet in staat de verantwoordelijkheid over minderjarige op zich te nemen en uit impasse onderwijs te komen, waardoor minderjarige al meerdere maanden geen onderwijs volgt. Ouders worden tijdelijk geschorst in uitoefening van het ouderlijk gezag,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie 2

zaaknummer / rekestnummer: C/10/461366 / FA RK 14-8422

Beschikking van 26 oktober 2016 betreffende de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de schoolkeuze en het ouderlijk gezag

in de zaak van:

[verzoekster] , de vrouw,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat mr. P.A. van Hecke te Rotterdam,

t e g e n

[belanghebbende] , de man,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. M.T. Dijkstra te Vlaardingen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenbeschikking van 17 mei 2016;

- de correspondentie, waaronder:

  • -

    de brief van de zijde van de vrouw, gedateerd 25 juli 2016 en 23 september 2016;

  • -

    de brief met bijlagen van de man, gedateerd 30 september 2016;

  • -

    de brief met bijlagen van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de GI), gedateerd 29 september 2016.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 5 oktober 2016.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. Dijkstra;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr.Van Hecke;

  • -

    de GI, ter zitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond] ;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de thans nog minderjarige is geboren:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

2.2.

De man heeft de minderjarige erkend. De relatie tussen partijen is geëindigd toen de minderjarige 1 jaar oud was.

2.3.

De vrouw en de man oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.

2.4.

Partijen hebben op 23 december 2009 een ouderschapsplan opgesteld.

2.5.

Bij beschikking van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 24 maart 2010 is onder meer bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige het ene jaar bij de ene en het andere jaar bij de andere ouder zal zijn en dat de minderjarige steeds vier dagen bij de ene ouder en dan vier dagen bij de andere ouder verblijft. Het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan is aangehecht.

2.6.

Bij beschikking van deze rechtbank van 12 mei 2010 is de zorgregeling vastgesteld overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst.

2.7.

De vrouw heeft op 10 oktober 2014 een verzoekschrift ingediend tot wijziging van voornoemd ouderschapsplan ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling, alsmede te bepalen dat de minderjarige naar de basisschool [school] te Vlaardingen moet blijven gaan.

2.8.

Bij beschikking van 29 oktober 2014 is de minderjarige voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de GI.

2.9.

Bij (tussen)beschikking van 2 december 2014 is de behandeling van de onderhavige zaak pro forma aangehouden, zulks in afwachting van de resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling.

2.10.

Bij beschikking van 2 december 2015 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 29 oktober 2016.

2.11.

Bij (tussen)beschikking van 2 december 2016 is de behandeling van de onderhavige zaak pro forma aangehouden, zulks in afwachting van de resultaten van de systeemcoaching en het traject ‘Kinderen uit de knel’.

2.12.

Bij (tussen)beschikking van 17 mei 2016 is de behandeling van de onderhavige zaak pro forma aangehouden. Ter zitting zijn partijen overeengekomen alsnog aan het traject ‘Kinderen uit de knel’ deel te nemen. Voorts is afgesproken dat partijen zich ten aanzien van de schoolkeuze zouden conformeren aan het advies van het pedagogisch didactisch onderzoek; indien partijen er onderling niet uit komen, zal de GI een beslissende stem hebben.

2.13.

De GI heeft op 17 juni 2016 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende het door de ouders opvolgen van de uitkomst van het overleg van de deelnemersraad, het aangaan van een positieve samenwerking met de betreffende school en het opvolgen van de door de school opgestelde bindende samenwerkingsafspraken.

3 De beoordeling

3.1.

Bij tussenbeschikking van 17 mei 2016 heeft de rechtbank de zaak aangehouden ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de schoolkeuze en de zorgregeling met betrekking tot de minderjarige.

De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen ten aanzien van die onderwerpen is opgenomen in die tussenbeschikking.

3.2.

De vrouw heeft ter zitting mondeling verzocht haar toe te staan haar verzoek aan te vullen met een verzoek haar met het eenhoofdig gezag te belasten. De man heeft zich hiertegen verzet. De rechtbank acht het mondelinge verzoek van de vrouw, voor het eerst ter zitting gedaan, in strijd met de goede procesorde en verklaart de vrouw derhalve niet-ontvankelijk in haar verzoek.

3.3.

De minderjarige is, ondanks de lijst van scholen die het Samenwerkingsverband heeft voorgedragen, hetgeen in de beschikking van 17 mei 2016 is overwogen en de schriftelijke aanwijzing van de GI, nog niet ingeschreven bij een school. De directies van verschillende scholen voorzien problemen in de samenwerking met de ouders en zijn niet bereid tot aannemen van de minderjarige over te gaan. Voorts is het traject ‘Kinderen uit de knel’ niet van start gegaan, omdat de training gelet op de problematiek van de ouders niet geschikt is geacht. De minderjarige gaat derhalve sinds maart 2016 niet meer naar een school.

3.4.

De GI heeft gezien de zorgelijke situatie van de minderjarige op 7 juli 2016 een (beslissingsondersteunend) onderzoek via het Kennis en Service Centrum voor Diagnostiek (hierna: het KCD) aangevraagd, om zodoende meer zicht te krijgen op de ontwikkeling van de minderjarige, de onderliggende problematiek, de opvoedingsvaardigheden van de ouders en de interactie tussen de minderjarige en zijn vader en zijn moeder. Het KCD-onderzoek is nog niet gestart. Namens de GI is de verwachting uitgesproken dat het onderzoek geruime tijd in beslag zal nemen. De GI heeft ter zitting aangegeven dat - hoewel de GI van mening is dat de huidige situatie slecht is voor de minderjarige - zij de resultaten van het onderzoek wil afwachten alvorens in het kader van de ondertoezichtstelling (zo nodig) tot verderstrekkende maatregelen over te gaan.

3.5.

De raad heeft ter zitting op basis van de laatst bekende ontwikkelingen rondom de minderjarige verzocht het gezag van de ouders thans te beëindigen en de GI tot voogdes over de minderjarige te benoemen. Subsidiair heeft de raad verzocht de ouders geheel te schorsen in de uitoefening van het gezag en de GI te belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige. De raad is van mening dat de huidige situatie rondom de minderjarige niet langer mag voortduren. De raad heeft ter zitting aangegeven dat als de rechtbank beslist de ouders te schorsen in het gezag, de raad zijn primaire verzoek handhaaft.

3.6.

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

3.7.

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:268, eerste lid, sub a, BW, ouders geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag kan schorsen indien de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. Er dient dan een ernstig vermoeden te bestaan dat een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, en de ouders niet in staat zijn binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.

3.8.

Vaststaat dat de onderlinge verstandhouding en het wederzijds vertrouwen tussen partijen sinds de beëindiging van hun relatie - toen de minderjarige 1 jaar oud was - ernstig zijn verstoord. Sindsdien is op verschillende manieren – waaronder een ouderschapsonderzoek gelast door het gerechtshof ‘s-Gravenhage – getracht in het belang van de minderjarige de verstandhouding tussen de ouders werkbaar te maken. Thans moet vastgesteld worden dat dit niet is gelukt. Ook de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling heeft hierin tot dusverre geen verbetering gebracht.

3.9.

Hoewel partijen uitvoering geven aan een co-ouderschapsregeling, is er tussen hen geen overleg over de verzorging en opvoeding van de minderjarige en staan hun opvattingen lijnrecht tegenover elkaar. De minderjarige moet zich daardoor zien te handhaven in twee zeer verschillende opvoedingssituaties. Hij is daardoor zelfbepalend geworden en heeft moeite met het accepteren van gezag. De ouders zijn het over een groot aantal basale zaken betreffende de opvoeding en ontwikkeling van de minderjarige niet eens en zijn daarbij niet in staat gebleken het belang van de minderjarige voorop te stellen.

3.10.

De GI en de raad hebben ter zitting aangegeven dat de huidige verdeling van de zorgtaken, -het co-ouderschap- gelet op de verschillende opvoedstijlen en het gebrek aan communicatie tussen de ouders, niet in het belang van de minderjarige is. Thans is echter nog niet te beoordelen of en zo ja welke wijziging van het hoofdverblijf en de zorgregeling tot een betere situatie voor de minderjarige zou leiden. De resultaten van het KCD-onderzoek moeten daarover meer duidelijkheid bieden.

3.11.

Naast de zorgelijke thuissituatie waarin de minderjarige zich bevindt, vanwege de voortdurende strijd tussen zijn ouders en het hierdoor ontstane loyaliteitsconflict, heeft hij sinds maart 2016 geen school meer, hetgeen zeer schadelijk is voor zijn ontwikkeling. Ondanks de lijst van scholen die het Samenwerkingsverband heeft voorgedragen, hetgeen in de beschikking van 17 mei 2016 is overwogen en de schriftelijke aanwijzing van de GI is het niet gelukt de minderjarige op een school aan te melden. De heftige strijd tussen de ouders speelt hierin voor de directies van de scholen een grote rol.

3.12.

De rechtbank is, met de raad van oordeel, dat de huidige situatie niet langer mag voortduren. Het is voor de verdere ontwikkeling van de minderjarige, die pas negen jaar oud is, noodzakelijk dat hij op korte termijn weer naar school gaat. De rechtbank is van oordeel dat wat dit betreft de resultaten van het KCD-onderzoek niet kunnen worden afgewacht. De ouders hebben weliswaar beiden verklaard ook van mening te zijn dat deze situatie niet langer mag voortduren, maar zijn ondanks de verleende steun en hulp in het gedwongen kader, niet in staat gebleken de verantwoordelijkheid over de minderjarige te nemen en uit de impasse over het onderwijs van de minderjarige te komen.

3.13.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1: 268, eerste lid, sub a is voldaan en zal het (subsidiaire) verzoek tot schorsing van de ouders in de uitoefening van het gezag toewijzen.

3.14.

Op grond van artikel 1:268, derde lid, BW zal de rechtbank de GI belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige.

3.15.

Op grond van de thans voorliggende stukken kan de rechtbank zich nog geen definitief oordeel vormen over de geschiktheid van partijen als ouders. De rechtbank zal daarom de behandeling van het primaire verzoek van de raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag pro forma aanhouden, voor de duur van zes maanden. In die periode zal de GI de resultaten van het KCD-onderzoek ontvangen. De GI wordt verzocht de rapportage van het KCD-onderzoek aan de raad te doen toekomen, zodat de raad zich op basis hiervan en gelet op het door haar te verrichten onderzoek naar de ontwikkelingen in het gezin gedurende de voorlopige voogdij, een oordeel kan vormen over al dan niet handhaving van het verzoek tot beëindiging van het gezag. De raad wordt verzocht vóór ommekomst van de pro forma datum de rechtbank hieromtrent te berichten en bij handhaving van het verzoek rapport in te brengen.

3.16.

Op grond van artikel 1:268, lid 5, BW vervalt de schorsing in de uitoefening van het gezag na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn beëindiging van het gezag is verzocht. Nu de raad ter zitting heeft aangegeven het primaire verzoek, ingeval van schorsing van het gezag, te handhaven, loopt de termijn van schorsing door tot het moment dat de rechtbank heeft beslist over het verzoek tot gezagsbeëindiging.

3.17.

Nu de ouders worden geschorst in de uitoefening van de ouderlijk gezag met benoeming van de GI tot voorlopig voogdes, zal de rechtbank de verzoeken van de vrouw van 10 oktober 2014 ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de schoolkeuze en de zorgregeling, thans bij gebrek aan belang afwijzen. Het is aan de voogdes te bepalen welke hoofdverblijfplaats, school en zorgregeling het meest in het belang van de minderjarige te achten zijn. De voogdes kan zonder goedkeuring van de ouders of inmenging van de rechtbank daarover beslissingen nemen. De rechtbank gaat ervan uit dat de komende periode zal worden gebruikt om allereerst een school voor de minderjarige te vinden en het KCD-onderzoek te laten plaatsvinden zodat met gebruikmaking van de resultaten daarvan de voogdes zich een oordeel kan vormen over het hoofdverblijf en een zorgregeling die recht doet aan het belang van de minderjarige.

3.18.

Proceskosten

3.18.1.

Nu nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt thans ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart de vrouw niet ontvankelijk met betrekking tot het verzoek ten aanzien van het ouderlijk gezag;

4.2.

wijst af de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling;

4.3.

schorst [verzoekster] en [belanghebbende] in de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige], geboren op

[geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , met ingang van heden tot de datum waarop op het verzoek tot beëindiging van het gezag is beslist;

4.4.

belast de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met de voorlopige voogdij over de minderjarige;

4.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

4.6.

bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 mei 2017 pro forma, verzoekt de GI de rapportage van het KCD-onderzoek zo spoedig mogelijk aan de raad te doen toekomen. De raad wordt verzocht vóór ommekomst van de pro forma datum de verdere processuele wensen aan de rechtbank kenbaar te maken.

4.7.

bepaalt dat partijen, hun raadslieden, de GI en de raad op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. de Lange-Tegelaar, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier J. Don-van Loopik op

26 oktober 2016.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.