Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:10252

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-12-2016
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
C/10/515683 / FT EA 16/2921 – C/10/515684 / FT EA 16/2922
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing moratorium in verband met onvoldoende saneringsgezinde houding, schuldhulpverlener geen rechtspersoon als bedoeld in art. 48, 1e lid, sub d WCK.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b, geldigheid: 2008-01-01
Wet op het consumentenkrediet 48, geldigheid: 2014-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afgewezen

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]

uitspraakdatum: 29 december 2016

[naam 1] ,

wonende te [adres]

[postcode] [woonplaats] ,

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 30 november 2016, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van 30 november 2016 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 december 2016.

Ter zitting van 19 december 2016 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    mr. E.R. Butin Bik, advocaat van verzoekster;

  • -

    de heer [naam 2] , werkzaam bij stichting Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).

Verzoekster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet ter terechtzitting verschenen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 6 februari 2015 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.

Ter zitting heeft mr. Butin Bik verklaard dat het inkomen van verzoekster enige tijd is opgeschort doordat haar inschrijving bij de Hoge School niet correct was. Die inschrijving zou inmiddels wel correct zijn maar een bewijsstuk daarvan kan niet worden overgelegd. Verder is niet bekend of de uitkering uit hoofde van de studiefinanciering aan verzoekster is hersteld. Mr. Butin Bik meent dat verzoekster wel in staat is om de lopende huurtermijn te kunnen voldoen. Verzoekster heeft met [naam financieel adviesbureau] te [plaats] (hierna: [naam financieel adviesbureau] ) een schuldhulpverleningscontract gesloten. Wanneer het verzoek wordt toegewezen, zal [naam financieel adviesbureau] , in afwijking van wat daarover in het schuldhulpverleningscontract is bepaald, voor verzoekster de maandelijkse betalingen van de huur, zorg en energie verzorgen. Nu verricht verzoekster de betalingen nog zelf. Tijdens het minnelijk traject zal het inkomen van verzoekster worden geverifieerd en zal met inachtneming van de rangorde van schuldeisers een aanbod worden gedaan. Op die manier en door middel van dossiercontrole door de advocaat van verzoekster wil men voldoen aan het criterium van artikel 48 Wet van 4 juli 1990, houdende regeling met betrekking tot het consumentenkrediet (WCK). Mr. Butin Bik meent dat verzoekster uiteindelijk een afloscapaciteit heeft van € 85,00 per maand.

3 Het verweer

Verweerster heeft ter zitting aangevoerd dat zij er geen vertrouwen in heeft dat de huur betaald zal worden. De huurtermijnen van november, augustus en juni 2016 zijn niet voldaan. Een eerdere ontruiming is vanwege een betalingsregeling geannuleerd. Die regeling is niet stipt nagekomen en ook de huurtermijnen zijn niet stipt voldaan. Verweerster heeft verzoekster naar de Kredietbank Rotterdam verwezen. De Kredietbank Rotterdam heeft één keer met verweerster contact opgenomen over het openstaande saldo en daarna is niets meer vernomen. Wellicht heeft dat te maken met de studiefinanciering. Verweerster heeft geen vertrouwen in een goede afloop.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 6 februari 2015 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 20 oktober 2016 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 7 december 2016 vanaf 07:00 uur zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 6 februari 2015 ten uitvoer kan leggen.

De rechtbank is van oordeel dat verzoekster een onvoldoende saneringsgezinde houding toont nu zij zonder reden van afwezigheid niet ter zitting is verschenen. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De rechtbank komt daartoe nu onweersproken is gebleken dat het grootste deel van het inkomen van verzoekster is gebaseerd op studiefinanciering en ter zitting niet met bescheiden gestaafd is aangetoond dat de uitbetaling van die studiefinanciering is hersteld. Dat leidt ertoe dat onvoldoende aannemelijk is dat verzoekster gedurende de komende zes maanden vanuit haar inkomen de maandelijkse huurtermijnen tijdig en volledig kan voldoen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekster. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat op grond van artikel 47 lid 1 WCK schuldbemiddeling is verboden, tenzij, zoals in onderhavig verzoek wordt begrepen uit het betoog van de advocaat van verzoekster, [naam financieel adviesbureau] zich kan beroepen op de uitzonderingsgevallen zoals genoemd in artikel 48 WCK. De rechtbank stelt vast dat zulks niet het geval is nu [naam financieel adviesbureau] blijkens het ondertekende schuldhulpverleningscontract met verzoekster onvoorwaardelijk aanzienlijke aanloopkosten en/of afsluitkosten bij verzoekster in rekening brengt en voorts gesteld noch gebleken is dat [naam financieel adviesbureau] als rechtspersoon ex artikel 48 lid 1 sub d WCK bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen. Aannemelijk is dan ook dat, bij een niet-geslaagd minnelijk schuldsaneringstraject, een daaropvolgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 2 onder b Fw. Dit geldt ook in het geval dat deze schuldbemiddeling wordt uitgevoerd onder ‘dossiercontrole’ van de advocaat van verzoekster. De rechtbank wijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2012 (LJN BU6758).

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Geurts – de Veld rechter, en in aanwezigheid van E.J. van Gruijthuijsen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 december 2016.