Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:10245

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
C/10/16/500 F
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 6 Fw. Opeisbare vordering voldoende gebleken. Steunvorderingen eveneens voldoende komen vast te staan. Faillissement van de VOF wordt uitgesproken.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

insolventienummer: [nummer]

uitspraak: 4 oktober 2016

VONNIS op het op 24 juni 2016 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 1] ,

gevestigd en te [plaats 1] ,

verzoekster,

advocaat mr. J.C. Koster,

strekkende tot faillietverklaring van:

de vennootschap onder firma

[naam 2] ,

Kantoorhoudende aan de [adres]

[postcode] [plaats 2] ,

verweerster.

1 De procedure

Verzoekster, bij monde van haar (middellijk) bestuurder, de heer [naam 3] , en haar advocaat, mr. J.C. Koster, en verweerster, bij monde van één van haar vennoten, de heer [naam 4] , in aanwezigheid van dhr. [naam 5] , zijn op 27 september 2016 in raadkamer verschenen en gehoord.

Op 1 augustus 2016 heeft de heer [naam 4] namens verweerster een verweerschrift aan de rechtbank toegezonden.

Ter terechtzitting van 27 september 2016 zijn door mr. Koster en de heer [naam 4] aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de desbetreffende gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting.

3 De beoordeling

Verzoekster heeft haar vordering ter hoogte van € 101.095, 63 onderbouwd aan de hand van overlegging van facturen die dateren tussen 25 maart 2014 en 4 mei 2016. De facturen zien op de kosten van schadeherstel aan de voertuigen die door de vennoten van verweerster worden gebruikt. Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat haar betalingen aan verzoekster gestagneerd zijn, omdat de verzekeraar van verweerster haar betalingen aan verweerster heeft opgeschort vanwege – in de visie van verweerster onterechte – vermoedens van fraude. In de visie van verweerster is de vordering van verzoekster voorts niet juist, omdat er sprake zou zijn van een aantal onterechte (spook)facturen. Aan de hand van productie 10 bij haar verweerschrift, dat een door verweerster opgesteld overzicht van de facturen bevat, heeft verweerster betoogd dat de vordering van verzoekster onjuist is. Dit zou blijken uit het feit dat een aantal facturen op dezelfde dag is aangemaakt, dat er verschillen in factuurnummers zijn en dat de facturen alleen zien op voertuigen waarop retentierecht werd uitgeoefend. Het overzicht zou, aldus verweerster, gebaseerd zijn op informatie van een mede-vennoot, welke informatie zich niet in het dossier bevindt. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer niet deugdelijk is onderbouwd. Nu het tevens door verzoekster gemotiveerd is weersproken, onder overlegging van de – door de vennoten ondertekende – facturen, stelt de rechtbank vast dat van een vordering van verzoekster voldoende summierlijk is gebleken.

Verder is gebleken dat verweerster andere vorderingen onbetaald laat. Er is sprake van een vordering van de belastingdienst, waarvoor zij derdenbeslag heeft gelegd onder [naam 6] Naar opgave van verweerster ter zitting bedraagt deze vordering ongeveer € 700.000. Dat er sprake is van een lopend geschil tussen verweerster en de Belastingdienst, brengt, anders dan verweerster ter zitting heeft gesteld, niet mee dat er nog geen sprake zou zijn van een vordering van de Belastingdienst. Gelet hierop kunnen de overige door verzoekster aangevoerde steunvorderingen, die door verweerster zijn betwist, buiten beschouwing blijven.

De rechtbank oordeelt dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoekster en van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.

4 De beslissing

De rechtbank,

- verklaart [naam 2] voornoemd in staat van faillissement;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. A.J. van Spengen, lid van deze rechtbank;

- stelt aan tot curator mr. S.A.H.J. Warringa, advocaat te Rotterdam;

- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van

mr. S. Verberne, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2016 te 10:00 uur.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.